ECLI:NL:RBOBR:2026:4891

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
25/3484
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 229 GemeentewetArt. 2 Legesverordening 2025Art. 5 Legesverordening 2025Art. 2.1.5 Tarieventabel 2025Art. 2.5 Tarieventabel 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen aanslag leges omgevingsvergunning herstel galerij appartementencomplex

Eiser diende een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor het herstellen van de galerij van een appartementencomplex. De heffingsambtenaar legde een aanslag leges op voor de behandeling van deze aanvraag. Eiser betwistte de aanslag, stellende dat de werkzaamheden vergunningvrij waren en dat de leges onjuist waren berekend.

De rechtbank oordeelde dat de legesverordening en bijbehorende tarieventabel correct waren bekendgemaakt en van toepassing zijn. Het belastbare feit, het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, was onomstreden. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de werkzaamheden vergunningvrij waren, mede omdat de vergunning onherroepelijk was verleend en de werkzaamheden constructieve wijzigingen betroffen.

Ten aanzien van de hoogte van de leges stelde de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar terecht uitging van de oppervlakte van de gehele balustrade en het juiste tarief voor 'overige gebouwen'. De door eiser voorgestelde lagere oppervlakte en tarief werden verworpen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag leges wordt ongegrond verklaard en de leges zijn terecht en correct berekend.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3484

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [naam]),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Gemert-Bakel, de heffingsambtenaar.

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over een aanslag leges. De heffingsambtenaar heeft die aanslag opgelegd nadat aan eiser een omgevingsvergunning is verleend. Eiser is het niet eens met de aanslag. Hij voert aan dat de bouwwerkzaamheden vergunningvrij waren en hij daarom geen leges hoeft te betalen. Verder stelt eiser dat de heffingsambtenaar de hoogte van de leges niet juist heeft berekend. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar deze aanslag leges mocht opleggen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanslag leges terecht is opgelegd. Ook de hoogte van de aanslag is juist. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een aanslag leges die aan hem is opgelegd.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser een aanslag leges tot een bedrag van € 3.880,93 opgelegd. Deze aanslag is opgelegd voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 21 oktober 2025 (de bestreden uitspraak) de aanslag verminderd naar € 2.282,90. Daarbij is aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase tot een bedrag van € 1.294.
1.3.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Feiten

2. Eiser heeft op 19 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het herstellen van de galerij van een appartementencomplex gelegen aan de [adres] en de [adres] in [plaats]. Op 21 juli 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel (hierna: het college) de omgevingsvergunning verleend. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat de werkzaamheden bestonden uit het vervangen van een betonnen balustrade door een ijzeren balustrade.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft voor het in behandeling nemen van genoemde aanvraag leges opgelegd tot een bedrag van in totaal € 3.880,93. De heffingsambtenaar is daarbij uitgegaan van de Verordening op de heffing en de invordering van leges Gemert-Bakel 2025 (de Legesverordening 2025). [1] De Tarieventabel 2025 en de ROEB-lijst maken als bijlagen onderdeel uit van de Verordening.
2.2.
De opgelegde leges bestaat uit een bedrag leges voor de bouwactiviteit technisch voor ‘herstellen galerij appartementencomplex’ ter hoogte van € 2.282,90 (bouwleges), vermeerderd met een bedrag aan leges van € 1.598,03 in verband met een achteraf ingediende aanvraag. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar aangegeven dat de aanslag ten onrechte is verhoogd vanwege een ‘achteraf ingediende aanvraag’. Daarop heeft de heffingsambtenaar de aanslag verminderd. Na de uitspraak op bezwaar resteert daarom alleen het bedrag aan bouwleges ter hoogte van € 2.282,90.

Standpunten van partijen

3. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de aanslag leges op goede gronden en voor het juiste bedrag is opgelegd. Volgens de heffingsambtenaar is sprake van een belastbaar feit. Eiser heeft immers een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Verder stelt de heffingsambtenaar dat hij is uitgegaan van het juiste tarief en ook de berekening van de bouwkosten conform de ROEB-lijst die tot de Legesverordening 2025 behoort heeft plaatsgevonden.
4. Eiser voert primair aan dat de aanslag leges ten onrechte is opgelegd. De werkzaamheden aan de galerij/balustrade waren namelijk volgens eiser vergunningvrij. Eiser heeft onder druk van ambtenaren van de gemeente Gemert-Bakel een aanvraag voor een vergunning ingediend, maar heeft dat enkel gedaan om de bouwwerkzaamheden doorgang te laten vinden. Omdat geen vergunning nodig was voor de werkzaamheden had geen aanslag leges opgelegd mogen worden, zo stelt eiser.
Subsidiair voert eiser aan dat de heffingsambtenaar voor de berekening van de hoogte van de leges uit had moeten gaan van de oppervlakte van de staanders van de balustrade in plaats van de oppervlakte van de gehele balustrade. De staanders hebben tezamen een oppervlakte van 8,4 m2. Dat leidt volgens eiser tot een aanslag ter hoogte van (het minimumbedrag van) € 399,75. Verder gaat de heffingsambtenaar volgens eiser ten onrechte uit van een tarief van € 797 per m2. De heffingsambtenaar had moeten aansluiten bij de categorie “woningen” in plaats van “overige gebouwen”.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de aanslag leges aan eiser mocht opleggen en zo ja of hij de aanslag terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de toepasselijke wet- en regelgeving op de juiste wijze bekend gemaakt?
7. Uit vaste rechtspraak volgt dat de rechtbank zelfstandig (ambtshalve) moet vaststellen of de toepasselijke regelingen op de juiste wijze bekend zijn gemaakt. De rechtbank komt tot de conclusie dat de Legesverordening 2025 en de daarbij bijbehorende Tarieventabel 2025 met de toepasselijke ROEB-lijst en de in de Tarieventabel vermelde UAV 2012, op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt, zodat ze in ieder geval in zoverre verbindend zijn. De bekendmaking is ook niet bestreden door eiser.
8. De regelgeving die van belang is voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Mocht de heffingsambtenaar de aanslag opleggen?
9. Niet in geschil is dat eiser op 19 mei 2025 bij het college een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft gedaan en dat deze aanvraag in behandeling is genomen. Daarmee heeft het belastbare feit zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Legesverordening 2025 zich voorgedaan. Dit betekent dat de heffingsambtenaar in beginsel bevoegd was om leges te heffen.
9.1.
Als de stelling van eiser juist is dat de werkzaamheden vergunningvrij zijn dan moet de heffing van leges achterwege blijven. Dat volgt uit een uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2017. [2] Het is aan eiser, die zich beroept op een vergunningvrije uitzondering, om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden van een dergelijke uitzondering. Daarin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Eiser heeft weliswaar in deze procedure gesteld dat hij van mening was geen omgevingsvergunning nodig te hebben voor de werkzaamheden, maar hij heeft de vergunning wel aangevraagd en deze is onherroepelijk geworden. Eiser heeft aangevoerd dat geen constructieve wijzigingen aan het gebouw hebben plaatsgevonden en de werkzaamheden aan de achterkant van het gebouw plaatsvonden. Ook heeft eiser gewezen op de welstandsnota, de oorspronkelijke bouwvergunning en het bestemmingsplan. Daar heeft de heffingsambtenaar tegenin gebracht dat wel degelijk sprake was van werkzaamheden aan de constructie van het gebouw en om die reden een omgevingsvergunning nodig was. De overige stellingen van eiser leiden volgens de heffingsambtenaar niet tot de conclusie dat de werkzaamheden zonder vergunning uitgevoerd konden worden. Eiser heeft, tegenover de gemotiveerde weerspreking door de heffingsambtenaar, niet aannemelijk gemaakt dat de aanslag betrekking heeft op kosten van bouwactiviteiten die vallen onder een vergunningsvrije uitzondering. Ook heeft eiser geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit de rechtbank moet afleiden dat sprake is van de uitzondering zoals hierboven genoemd.
9.2.
Tijdens de zitting heeft eiser nog aangevoerd dat de gehele gang van zaken leidt tot schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser heeft deze stelling naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende toegelicht en gemotiveerd. Bovendien heeft eiser niet toegelicht hoe het handelen door of namens het college van burgemeester en wethouders van invloed is op de aanslag leges die een ander bestuursorgaan, namelijk de heffingsambtenaar, heeft opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoogte van de leges
10. De heffingsambtenaar is voor de berekening van de hoogte van de leges voor de bouwkosten uitgegaan van de categorie behorend bij “Gevelwijziging overige gebouwen”, zijnde € 797 per m2, zoals die voorkomt in de ROEB-lijst Daarbij is de heffingsambtenaar uitgegaan van een totale oppervlakte van de balustrade van 62,68 m2.
10.1.
Eiser voert subsidiair aan dat de heffingsambtenaar ten onrechte de bouwkosten heeft berekend over de oppervlakte van de gehele balustrade. Volgens eiser moet slechts de oppervlakte van de verticale staanders dienen voor de berekening van de hoogte van de leges. De staanders hebben volgens eiser een oppervlakte van 6,2 m2. Als de heffingsambtenaar hiervan was uitgegaan, had de aanslag leges niet hoger mogen zijn dan het minimumbedrag van € 399,75. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De heffingsambtenaar heeft terecht aangevoerd dat de gehele balustrade is vervangen. De oppervlakte van de balustrade is veel groter dan de oppervlakte van enkel de staanders die onderdeel uitmaken van de balustrade. Dat de gehele balustrade is vervangen volgt ook uit de verleende omgevingsvergunning en de uitleg van eiser op de zitting over welke werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Eiser heeft daarbij ook niet bestreden dat de hele balustrade is vervangen. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de heffingsambtenaar van de onjuiste maatvoering is uitgegaan.
10.2.
Verder voert eiser aan dat niet uitgegaan moet worden van de categorie “overige gebouwen” in de ROEB-lijst, maar van “woningen”. Eiser komt dan uit op een bedrag van € 379 per m2 in plaats van € 797 per m2. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. Nog afgezien van het feit dat de categorie “woningen” voor de berekening van de bouwkosten ziet op kubieke meters en niet op vierkante meters, heeft de heffingsambtenaar zich terecht op het standpunt gesteld dat de categorie “woningen” betrekking heeft op het bouwen van vrijstaande woningen en appartementen en niet op het verbouwen daarvan. Eiser heeft die stelling niet (gemotiveerd) bestreden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtpraak.nl Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Gemeentewet
Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.
Legesverordening 2025
Op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van de Legesverordening 2025 worden onder de naam 'leges' rechten geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit, zoals genoemd in de Legesverordening 2025 en de daarbij behorende tarieventabel 2025.
Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Legesverordening 2025, worden de leges geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende Tarieventabel.
Op grond van artikel 2.1.5 van de Tarieventabel 2025 worden, voor zover hier van belang, onder bouwkosten in dit hoofdstuk verstaan: de normbouwkosten voor de bouwactiviteit, als daarin is voorzien in de bij deze tarieventabel behorende bijlage 2 weergegeven ROEB-lijst 2025, vastgesteld op 3 september 2024 door het ROEB (Regionale Overleg Eindhoven Bouwtoezicht).
Uit artikel 2.5 van de Tarieventabel 2025 - voor zover hier van belang - volgt dat als een
aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in paragraaf 2.3.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, het tarief over het deel van de bouwkosten vanaf € 0 tot € 25.000 4,7% bedraagt, met een minimum van € 399,75 en over het deel van de bouwkosten vanaf 25.000 tot 50.000 4,44%.

Voetnoten

1.Gemeenteblad 2024, 528811.
2.Hoge Raad, 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3227.