ECLI:NL:RBOBR:2026:4907

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
26/1830
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.5, eerste lid onder g, OmgevingswetArt. 8:87 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing voorschrift omgevingsvergunning voor verstoring beschermde diersoorten

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen bepaalde voorschriften in een omgevingsvergunning die het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant op 7 mei 2026 heeft verleend voor flora- en fauna-activiteiten in het plangebied Luchen te Mierlo. De voorzieningenrechter behandelde op 7 juli 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter constateerde dat er verschillende visies zijn over de aanwezigheid van dassen en wezels in het gebied, maar dat de voorlopige voorziening niet geschikt is voor een diepgaande inhoudelijke beoordeling. Daarom werd besloten voorschrift 13 te schorsen tot de beslissing op bezwaar, onder de voorwaarde dat verzoekster voor 24 augustus 2026 onderzoek verricht naar de aanwezigheid van muizen en dassen binnen het plangebied, waarvan de resultaten aan het college en de voorzieningenrechter worden toegezonden.

Indien het onderzoek niet tijdig wordt uitgevoerd, vervalt de schorsing automatisch en blijft het voorschrift onverkort van toepassing. Tevens werd het college opgedragen het betaalde griffierecht van € 397,00 aan verzoekster te vergoeden. De voorzieningenrechter wees erop dat tegen deze uitspraak geen verzet of beroep openstaat.

Uitkomst: Voorschrift 13 van de omgevingsvergunning wordt geschorst onder voorwaarden tot nader onderzoek naar muizen en dassen in het plangebied.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1830 OWNATU PVU
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster], uit [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigden: mr. M.P.H. Gofers, [naam] ., [naam] , [naam] ,
en

Het college van Gedeputeerde Staten van Noord Brabant, het college

(gemachtigden: mr. S.J.S. van Gils, A.J. Esbeukman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende het bezwaar van verzoeker tegen de verleende omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten.
1.1.
Het college heeft deze omgevingsvergunning met het besluit van 7 mei 2026 verleend, met opneming van voorschriften. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat zij het niet eens is met bepaalde voorschriften. .
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van Het college.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • schorst voorschrift 13 van het besluit van 7 mei 2026 tot en met de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekster, onder de voorwaarde dat verzoekster voor 24 augustus 2026 een onderzoek verricht naar de aanwezigheid van muizen binnen het plangebied en de gevolgen hiervan voor het voortplantingsgedrag van de wezel. Het schriftelijk verslag van dit onderzoek wordt toegezonden naar zowel het college als naar de voorzieningenrechter;
  • bepaalt dat verzoekster voor 24 augustus 2026 verder onderzoek verricht naar de aanwezigheid van een das en/of dassenburcht binnen het plangebied. Het schriftelijk verslag van dit onderzoek wordt toegezonden naar zowel het college als naar de voorzieningenrechter;
  • bepaalt dat de voorziening vervalt indien niet tijdig aan beide voorwaarden wordt voldaan;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 397,00 aan verzoeker te vergoeden;

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter heeft zich in deze procedure beperkt tot het treffen van een voorlopige maatregel. Er is geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel gegeven. Verzoekster heeft (na het verstrijken van de bezwaartermijn) aangegeven dat tevens beoogd is om bezwaar te maken namens de gemeente Geldrop Mierlo. Over de ontvankelijkheid van dit bezwaarschrift of de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van verzoekester velt de voorzieningenrechter dus nu géén oordeel.
3. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter het volgende vastgesteld:
  • Verzoekster is van plan om het gebied aan de Luchen-Fazantlaan te Mierlo woningbouw te realiseren. Deze activiteiten kunnen gevolgen hebben voor de al dan niet aanwezige beschermde diersoorten.
  • Verzoekster heeft op 25 november 2025 bij het college een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd. Het college heeft deze op 7 mei 2026 verleend.
  • De omgevingsvergunning is verleend voor het vernielen van vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van de das, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel, vanaf 1 november 2026.
  • Verzoekster wil per 1 september 2026 de locatie bouwrijp maken en heeft daarom verzocht om voorschrift 13 en 18 te schorsen. Deze voorschriften gaan – kort gezegd – over het ongeschikt maken van de locatie buiten de kwetsbare periode van steenmarters, kleine marterachtigen en de das en de compensatie voor het verlies van foarageergebied van de das.
4. De voorzieningenrechter maakt uit het dossier op dat de ecologen van partijen ieder hun eigen visie hebben over de vraag of de (directe omgeving van de) bouwlocatie wordt bewoond door dassen en wezels. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor een diepgaande inhoudelijke beoordeling hiervan. Beide visies zijn uitgebreid op zitting besproken. De voorzieningenrechter leidt uit deze discussie wel de volgende aandachtspunten af:
  • Afhankelijk van de hoeveelheid muizen binnen het gebied of wezels beginnen aan een tweede worp. Volgens verzoekster is er geen muizenplaag, het college heeft dit niet zelf vastgesteld.
  • Het is niet duidelijk geworden of de das nog steeds is gevestigd binnen het plangebied.
5. De voorzieningenrechter ziet bereidheid tot overleg tussen verzoekster en het college in de bezwaarfase. De voorzieningenrechter acht het nodig dat op korte termijn nader onderzoek wordt verricht. De voorzieningenrechter schorst voorschrift 13 per 1 september 2026 onder de voorwaarde dat nader onderzoek naar de muizenstand en de aanwezigheid van een das wordt gedaan. Als dat onderzoek niet tijdig (voor 24 augustus 2026) wordt gedaan, vervalt de schorsing van rechtswege (automatisch) en is voorwaarde 13 (met daarin het verbod om vóór 1 november 2026 te beginnen met werkzaamheden) onverkort van toepassing. Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit ingevolge artikel 5.5, eerste lid onder g, van de Omgevingswet. Met andere woorden, dan mag verzoekster dus niet beginnen met werkzaamheden.
5.1.
De voorzieningenrechter wijst partijen op het volgende. Artikel 8:87 van Pro de Awb biedt de voorzieningenrechter de mogelijkheid een voorlopige voorziening te wijzigen. De voorzieningenrechter zal aan de hand van de uitkomst van de onderzoeken uiterlijk voor 1 september 2026 beoordelen of de schorsing van voorschrift 13 gehandhaafd moet worden en of aanleiding bestaat om voorschrift 18 (met de verplichting om een primair fourageergebied voor de Das te realiseren voorafgaand aan de werkzaamheden) te schorsen of daartoe een andere voorziening te treffen. Partijen kunnen daar ook schriftelijk om verzoeken..
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening voor de uitrit toewijst, bepaalt zij dat het college het door verzoeker betaalde griffierecht voor zijn verzoek van € 397,00 aan hem vergoedt.
7. De voorzieningenrechter heeft partijen er op gewezen dat tegen deze uitspraak geen verzet of beroep openstaat. Partijen doen er goed aan om de tussenliggende periode ook te gebruiken voor een goed gesprek
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026 door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.