ECLI:NL:RBOBR:2026:4959

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
01-071436-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 167 SvArt. 197a SrArt. 48 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs poging en beroep op mensensmokkel

De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van poging tot mensensmokkel (feit 1) en het maken van een beroep of gewoonte van mensensmokkel (feit 2). De tenlastelegging werd gewijzigd en omvatte onder meer het overmaken van geld, onderhouden van contacten over smokkeling en het verschaffen van onderdak.

De verdediging voerde een niet-ontvankelijkheidsverweer aan wegens vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel, maar dit werd verworpen. De rechtbank oordeelde dat de positie van de getuige anders was dan die van verdachte, waardoor het OM terecht alleen verdachte vervolgde.

De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte daadwerkelijk behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland. Diverse handelingen van verdachte, zoals het doorgeven van contactgegevens, het sturen van een Google Maps-afbeelding en telefonische contacten, konden niet worden aangemerkt als bevordering van de smokkel. Ook het verschaffen van onderdak kon niet worden bewezen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide feiten.

Ten aanzien van beslag op geldbedragen en telefoons werd gelast tot teruggave aan verdachte, terwijl een groen notitieboek met Arabische tekst in bewaring werd gegeven ten behoeve van de rechthebbende(n).

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van behulpzaamheid bij mensensmokkel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Strafrecht
Onderzoek 27Kamba
Parketnummer: 01.071436.22
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [1991],
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 april 2023, 11 juli 2023 en 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht
.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 maart 2023. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 11 juli 2023 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van deze wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
1.
Hij in of omstreeks de periode van 27 mei 2022 tot en met 29 juni 2022 te Overloon en/of Bodegraven en/of elders in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, twee, althans één perso(o)n(en) genaamd [medeverdachte 1] / [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] / [medeverdachte 2] , althans een of meerdere personen met de Syrische nationaliteit, althans met een buitenlandse nationaliteit, behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland die [medeverdachte 1] / [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] / [medeverdachte 2] , daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis wederrechtelijk was,
- een cheque, althans een geldbedrag (van € 9000) heeft overgemaakt en/of heeft laten overmaken ten behoeve van de smokkelaar(s) en/of
- contacten heeft onderhouden met een of meer van zijn mededader(s) over de namen en/of telefoonnummers van de te smokkelen personen en/of de te volgen route en/of de (wijze van) betalingen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

Hij in of omstreeks de periode van 7 juli 2022 tot en met 10 januari 2023 te Vaals en/of Maastricht en/of Bodegraven, althans in (diverse plaatsen in) Nederland en/of Oostenrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, vier, althans één of meer perso(o)n(en), te weten

- [betrokkene 1] alias [betrokkene 1] en/of
- [betrokkene 2] alias [betrokkene 2] en/of
- [betrokkene 3] alias [betrokkene 3] en/of
- [betrokkene 4] alias [betrokkene 4] ,
althans een of meerdere personen met de Syrische nationaliteit, althans van buitenlandse afkomst,
behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door en/of uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of bovengenoemde perso(o)n(en) met de Syrische nationaliteit (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft, door
- contact te onderhouden met en/of instructies te geven aan / te krijgen van één of meer mededader(s) betreffende het vervoer en/of verblijf van bovengenoemde perso(o)n(en) en/of
- bovengenoemde perso(o)n(en) te vervoeren en/of te laten vervoeren van Oostenrijk naar Nederland en/of door Nederland en/of
- bovengenoemde [betrokkene 1] alias [betrokkene 1] onderdak te verschaffen in zijn woning,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was,
en verdachte, van het plegen van dit feit een beroep of gewoonte heeft gemaakt.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Ter terechtzitting is door de raadsman ten aanzien van feit 1 bepleit het openbaar ministerie (OM) niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, omdat het handelen van het OM in strijd is met beginselen van een goede procesorde. In de visie van de raadsman zijn het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel geschonden. Ondanks de bekennende verklaring van getuige [getuige] , wordt alleen de verdachte in het onderhavige onderzoek vervolgd. Er is geen logische verklaring voor het feit dat deze getuige buiten vervolging is gebleven. Het vervolgingsmonopolie van het OM brengt weliswaar een ruime discretionaire bevoegdheid mee, maar die bevoegdheid vindt haar grens waar gelijke gevallen zonder objectieve rechtvaardiging ongelijk worden behandeld. Omdat een rechtvaardiging voor het voorgaande ontbreekt, is het recht van de verdachte op een eerlijke en evenwichtige rechtspleging geschonden, aldus de raadsman.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan het OM de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het OM om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen (of voortzetten) van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, zoals het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel.
Onderzocht moet worden of het OM naar willekeur de ene verdachte wel en de andere verdachte niet vervolgt, terwijl deze verdachten in een sterk vergelijkbare positie verkeren en een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling ontbreekt. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is sprake wanneer wordt afgeweken van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen.
Op basis van het dossier en wat de raadsman heeft aangevoerd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat sprake is van een sterk vergelijkbare positie. Immers, de uitgangspositie van [getuige] is anders dan die van de verdachte, omdat [getuige] een broer is van beide in de tenlastelegging genoemde personen en er dus sprake was van een familieband. Gelet hierop heeft het OM ervoor kunnen kiezen hem voor het feit van mensensmokkel niet te vervolgen. De beslissing om de verdachte daarvoor wel te vervolgen is niet in strijd met het verbod op willekeur. Dat is afgeweken van een bestendig patroon van beslissen is evenmin gebleken, zodat ook geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank verwerpt het verweer. Het OM is voor wat betreft feit 1 ontvankelijk in de vervolging. Ook overigens zijn er geen feiten en omstandigheden gebleken die anderszins aan de ontvankelijkheid van het OM in de weg staan.
Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van beide ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie partiële vrijspraak gevorderd van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van wederrechtelijk verblijf (van [betrokkene 1] alias [betrokkene 1] ) in Nederland.
De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.
Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Ten aanzien van feit 1.
De rechtbank overweegt dat uit de delictsomschrijving van artikel 197a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) volgt dat (kort gezegd) strafbaar is het behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie of een van de andere genoemde staten, door daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, terwijl de verdachte weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk is.
De rechtbank overweegt dat de tenlastelegging de grondslag vormt van het onderzoek ter terechtzitting. De steller van de tenlastelegging heeft enkel een poging tot behulpzaamheid bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door
Nederlandten laste gelegd. Niet is opgenomen het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door een andere lidstaat van de Europese Unie of een van de andere in de delictsomschrijving genoemde staten.
De rechtbank overweegt dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de in de tenlastelegging genoemde personen zich toegang tot of doorreis door
Nederlandhebben verschaft. Evenmin kan worden vastgesteld dat Nederland het doel van hun reis was of dat zij zelfs maar het plan hadden opgevat om zich toegang tot of doorreis door Nederland te verschaffen. Dat betekent dat ook niet kan worden bewezen dat de verdachte gepoogd heeft behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland.
Aanvulling van de tenlastelegging op deze essentiële onderdelen van de delictsomschrijving (om tot een eventuele bewezenverklaring te komen) zou betekenen dat de rechtbank buiten de grondslag van de tenlastelegging zou moeten treden.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 1 komen.
Ten aanzien van feit 2.
Onder feit 2 is (kort gezegd) ten laste gelegd a) het behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie of een van de andere genoemde staten van (met weglating van aliassen) [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en b) het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van illegaal verblijf in Nederland van [betrokkene 1] voornoemd.
Ad a.
Naar het oordeel van de rechtbank staat niet ter discussie dat de in de tenlastelegging genoemde personen naar Nederland zijn gesmokkeld. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte hierbij behulpzaam is geweest. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat, naar vaste rechtspraak, aan het bestanddeel ‘behulpzaam bij’ in artikel 197a Sr dezelfde betekenis toekomt als aan het begrip ‘medeplichtigheid’, zoals omschreven in artikel 48 Sr Pro. In de kern gaat het erom of de verdachte de toegang of de doorreis in enigerlei opzicht heeft bevorderd of gemakkelijk gemaakt. Een bijdrage die niet tot een daadwerkelijk effect heeft geleid, kan niet worden aangemerkt als behulpzaam zijn.
Periode tot 16 juli 2022
De rechtbank overweegt dat het dossier aanwijzingen bevat dat de verdachte in de periode tot 16 juli 2022 wist dat (in ieder geval) zijn neef [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de reis naar Nederland zouden gaan maken. Uit het dossier volgt dat de verdachte op 7 juli 2022 via een tekstbericht van ene [betrokkene 5] werd geïnformeerd dat onder meer [betrokkene 1] vanuit Thessaloniki (Griekenland) was vertrokken. Op 15 juli 2022 ontving de verdachte van ene [betrokkene 6] een filmpje waarop een aantal personen was te zien, onder wie [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , waarbij op het filmpje onder meer werd gezegd dat de passagiers waren gearriveerd op de ophaallocatie in Oostenrijk.
De rechtbank overweegt dat uit het dossier volgt dat de verdachte in de periode tot 16 juli 2022 slechts werd geïnformeerd over het vertrek en de reis van genoemde personen. Uit het dossier volgt niet dat de verdachte in die periode zelf een handeling heeft verricht waardoor hij in enigerlei opzicht de reis (van Oostenrijk) naar Nederland heeft bevorderd of gemakkelijk heeft gemaakt.
Door de officier van justitie is in dit kader nog gewezen op de verklaring van [betrokkene 1] met betrekking tot de betalingen van € 1.000,- en € 1.500,- aan ene [betrokkene 7] voor (gedeelten van) zijn reis en de omstandigheid dat in de telefoon van de verdachte verschillende tekstberichten zijn aangetroffen tussen verdachte en deze [betrokkene 7] , waarin wordt gesproken over geld en waarin [betrokkene 7] onder meer een bedrag van € 1.500,- noemt. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze berichten evenmin behulpzaamheid van de verdachte worden afgeleid met betrekking tot de smokkel van (één of meer) in de tenlastelegging genoemde gesmokkelde(n) in de periode tot 16 juli 2022. Deze berichten dateren van maart 2022 en uit de inhoud daarvan kan niet worden afgeleid dat zij betrekking hadden op de reis van genoemde gesmokkelde(n).
Concluderend overweegt de rechtbank dat op grond van het dossier niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte in de periode tot 16 juli 2022 behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang of doorreis van de in de tenlastelegging genoemde personen.
Periode 16 juli 2022 tot en met 19 juli 2022
De rechtbank stelt voorop dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zich op 19 juli 2022 bij de politie in Maastricht hebben gemeld en zich vervolgens als asielzoekers hebben aangemeld bij de IND, en dat aldus vanaf dat moment de wederrechtelijkheid aan de doorreis of het verblijf in Nederland is komen te ontvallen, zodat voor die periode ook geen sprake meer kan zijn van strafbare behulpzaamheid daarbij.
De verdachte wordt in de kern verweten dat hij genoemde personen behulpzaam is geweest door contacten te onderhouden en instructies te geven betreffende het vervoer en verblijf van genoemde personen en deze personen te laten vervoeren van Oostenrijk naar Nederland. De rechtbank acht het raadzaam om in dit kader de handelingen van de verdachte te bespreken die door de officier van justitie van belang zijn geacht voor een bewezenverklaring van het behulpzaam zijn.
- Informatie geven over een [bedrijf]
Uit een WhatsAppgesprek op 16 juli 2022 volgt dat de verdachte bij ene [betrokkene 8] informeert naar de beschikbaarheid van een auto voor zijn inmiddels in Oostenrijk gearriveerde neef. Uit een Facebook-gesprek van diezelfde datum volgt dat de verdachte de contactgegevens van [bedrijf] aan ene “ [betrokkene 9] ” heeft doorgestuurd. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld kan uit het dossier niet worden afgeleid dat bij de smokkel daadwerkelijk gebruik is gemaakt van
deze. Er kan daarom ook niet worden vastgesteld dat verdachte door het delen van genoemde contactgegevens de reis van de gesmokkelden in enigerlei wijze heeft vergemakkelijkt of bevorderd.
- Regelen van een telefoonnummer van een contactpersoon in Nederland voor [betrokkene 2]
De verdachte heeft in de nacht van 19 juli 2022 een telefoonnummer van [betrokkene 10] , een in Groningen woonachtige oom van [betrokkene 2] , naar [betrokkene 1] doorgestuurd. Laatstgenoemde heeft om 03:38 uur, direct na aankomst in Nederland, naar dat nummer gebeld. De rechtbank overweegt dat een dergelijke handeling zou kunnen worden aangemerkt als een handeling die de doorreis door Nederland zou kunnen bevorderen of gemakkelijk maken, namelijk in het geval die oom op enige wijze betrokken zou zijn bij de (verdere) doorreis. Van een dergelijke betrokkenheid van de deze oom is echter niet gebleken.
- Bemiddelen/adviseren over het vervoer naar Nederland
In de nacht van 19 juli 2022 heeft de verdachte een Google Maps-schermafbeelding van de plaats Vaals naar [betrokkene 1] gestuurd. De rechtbank overweegt dat de gesmokkelden door hun chauffeur weliswaar in Vaals zijn afgezet, maar dat uit het dossier volgt dat [betrokkene 1] eerder die nacht al aan de verdachte had laten weten dat ze in Vaals zouden worden afgezet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte door het versturen van de schermafbeelding Vaals slechts als afzetplaats bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat de verdachte met deze enkele bevestiging de doorreis heeft bevorderd of gemakkelijk heeft gemaakt.
- Helpen van [betrokkene 1] bij het vervoer in Nederland
Uit het dossier volgt dat de verdachte de website van de Nederlandse Spoorwegen heeft bezocht en [betrokkene 1] heeft geadviseerd om zich in Maastricht in plaats van Vaals te laten afzetten, omdat er in Vaals geen treinen rijden. Uiteindelijk zijn de gesmokkelden juist in Vaals afgezet en niet in Maastricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze handeling van de verdachte evenmin bijgedragen aan de smokkel van [betrokkene 1] of de anderen.
- Helpen bij het vervoer in Nederland
In de periode tussen 16 juli 2022 en 18 juli 2022 is er elf keer telefonisch contact geweest tussen de verdachte en [betrokkene 11] , de vader van [betrokkene 3] . Naar het oordeel van de rechtbank valt de inhoud van deze telefonische contacten niet te reconstrueren, zodat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte door middel van deze contacten behulpzaam is geweest bij de reis van de vier gesmokkelden.
- Bereid zijn om mensen in zijn woning te laten verblijven
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de enkele bereidheid van de verdachte om (gesmokkelde) mensen in zijn woning te laten verblijven, niet kan worden aangemerkt als behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang of doorreis.
Conclusie
Samengevat is gebleken dat de verdachte wetenschap had van de reis van (een deel van) de gesmokkelden naar Nederland, en dat hij berichten heeft uitgewisseld met diverse personen in het kader van die reis. Er kan echter niet worden vastgesteld dat de verdachte daarmee de toegang tot of doorreis door Nederland van de in de tenlastelegging genoemde personen daadwerkelijk heeft bevorderd of gemakkelijk heeft gemaakt. Van behulpzaamheid zoals bedoeld in artikel 197a Sr is dan ook geen sprake, ook niet als de hiervoor opgesomde handelingen in samenhang worden bezien.
Ad b.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte op 10 januari 2023
uit winstbejagonderdak heeft verschaft aan zijn neef [betrokkene 1] , zodat reeds hierom niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte behulpzaam is geweest bij het verschaffen van illegaal verblijf.
Alles wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, leidt tot de slotsom dat het ten laste gelegde onder feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

De motivering met betrekking tot het beslag.

De rechtbank stelt vast dat er nog beslag rust op de volgende voorwerpen:
  • een bedrag van € 100,- (goednummer 22-059356-3);
  • een bedrag van € 1.650,- (goednummer 22-059356-4);
  • een bedrag van € 1.960,- (goednummer 22-059356-5);
  • een Apple iPhone 12 Pro (goednummer 22-059356-6);
  • een Xiaomi Mi 11 Lite 5g (goednummer 22-059356-7);
  • een groen notitieboek met Arabische tekst, merk: onbekend (goednummer 22-059356-1).
De officier van justitie heeft verbeurdverklaring van alle in beslag genomen voorwerpen gevorderd. De raadsman heeft teruggave aan de verdachte van alle geldbedragen en de telefoons bepleit en bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van het groene notitieboek, omdat dit notitieboek niet aan de verdachte toebehoort.
Gelet op de hiervoor gegeven beslissing tot vrijspraak zal de rechtbank ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen als volgt beslissen.
Ten aanzien van de in beslag genomen geldbedragen en telefoons zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten, omdat naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan.
Ten aanzien van het groene notitieboek zal de rechtbank gelasten dat dit wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n).

De uitspraak

De rechtbank:
spreekt de verdachte vrij van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde;
gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende in beslag genomen voorwerpen:
  • een bedrag van € 100,- (goednummer 22-059356-3);
  • een bedrag van € 1.650,- (goednummer 22-059356-4);
  • een bedrag van € 1.960,- (goednummer 22-059356-5);
  • een Apple iPhone 12 Pro (goednummer 22-059356-6);
  • een Xiaomi Mi 11 Lite 5g (goednummer 22-059356-7);
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van een groen notitieboek met Arabische tekst, merk: onbekend (goednummer 22-059356-1).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T. Kraniotis, voorzitter,
mr. F. van Buchem en mr. T.C. Heijmerink, leden,
in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,
en is uitgesproken op 16 juli 2026.