ECLI:NL:RBOBR:2026:4968

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
01-082950-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 57 Sr (oud)Art. 2 WwmArt. 26 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het voorhanden hebben van meerdere vuurwapens inclusief machinepistool

Op 19 maart 2026 werden in een woning te Best vijf vuurwapens aangetroffen, waaronder een machinepistool en diverse pistolen, een hagelgeweer en een revolver. De verdachte, die op het adres stond ingeschreven en in een aangrenzende woning verbleef, werd aangehouden. DNA-sporen op een van de wapens wezen rechtstreeks naar de verdachte. Ondanks het ontbreken van een verklaring vanwege het zwijgrecht, concludeerde de rechtbank dat de verdachte zich bewust was van de wapens en daarover beschikte.

De verdediging voerde aan dat de verdachte niet bewust was van de wapens, maar dit werd door de rechtbank verworpen. Medeplegen werd niet bewezen verklaard. De rechtbank achtte het bezit van deze wapens ernstig vanwege het risico op levensbedreigend geweld en het maatschappelijke probleem van ongecontroleerd wapenbezit.

De verdachte had geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten, maar wel voor andere delicten. Er werden geen persoonlijke omstandigheden gevonden die strafvermindering rechtvaardigden. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 28 maanden op, conform de LOVS-oriëntatiepunten, met aftrek van voorarrest. Alle in beslag genomen wapens en munitie werden onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 28 maanden gevangenisstraf voor het voorhanden hebben van vijf vuurwapens, waaronder een machinepistool, met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.082950.26
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats ] op [1992] ,
thans gedetineerd in [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 mei 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 19 maart 2026 te Best, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een machinepistool, van het merk Agram, model 2000, kaliber 9x19mm (goednummer PL2100-2026061997-2459193, SIN AARE5976NL), zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 19 maart 2026 te Best, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een single-action centraalvuur pistool, van het merk Fn, model Hi-power, kaliber 9x19 millimeter (goednummer PL2100-2026061997-2459176, SIN AARE5974NL),
- een enkelloops meerschots hagelgeweer, van het merk Mossberg, model 500 ATP, kaliber 12 (goednummer PL2100-2026061997-2459184, SIN AARE5981NL),
- een single-action centraalvuur pistool, van het merk Walther, model 2, kaliber 6,35mm (goednummer PL2100-2026061997-2459206, SIN AARE5979NL) en/of
- een double-action centraalvuur revolver, een zogeheten Britisch bull Dog, kaliber .32 (goednummer PL2100-2026061997-2459220, SIN AAPK2448NL),

zijnde een of meer vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van beide ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft telkens partiële vrijspraak gevorderd voor het ten laste gelegde medeplegen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
[...]
Bewijsoverweging
Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat bij de verdachte de bewustheid ontbrak omtrent de aanwezigheid van de wapens.
Juridisch kader
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Verder vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.
Beoordeling
Niet ter discussie staat dat er op 19 maart 2026 in de woning gelegen aan de [adres 1] in Best onder meer een vijftal vuurwapens is aangetroffen. Op het moment dat de politie deze woning betrad, was de voordeur niet op slot. De aangetroffen vuurwapens zijn door de politie onderzocht en gecategoriseerd. Eén aangetroffen vuurwapen betrof een machinepistool van categorie II, onder 2°, van de Wet wapens en munitie en de overige vier wapens, te weten twee single-action centraalvuur pistolen, een meerschots hagelgeweer en een double-action centraalvuur revolver, betroffen vuurwapens van categorie III onder 1°.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte deze vuurwapens op 19 maart 2026 voorhanden heeft gehad.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de enige persoon is die staat ingeschreven op het adres [adres 1] , dat de verdachte op 19 maart 2026 in de ochtend aanwezig was in de woning [adres 2] en dat beide woningen naast elkaar zijn gelegen en door middel van een hekwerk met elkaar zijn verbonden.
Van de trekker van het op het aanrecht in de keuken van de woning [adres 1] aangetroffen single-action centraalvuur pistool (merk Walther, model 2, kaliber 6,35mm) werd een bemonstering genomen. Uit deze bemonstering [AASK0470NL] is een DNA-profiel verkregen van (minimaal) één persoon, met een frequentie kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit DNA-profiel. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat de verdachte donor is van het celmateriaal op de trekker van dit vuurwapen.
Naar het oordeel van de rechtbank levert de omstandigheid dat de vuurwapens zijn aangetroffen in een woning waar de verdachte – als enige – stond ingeschreven, terwijl de verdachte in de daarmee verbonden woning verbleef, een sterke aanwijzing op voor bewustheid van de verdachte van de aanwezigheid van deze vuurwapens en de beschikkingsmacht van de verdachte daarover.
Dat wordt versterkt doordat, zoals hiervoor is vastgesteld, op de trekker van één van de in die woning aangetroffen vuurwapens een DNA-spoor is aangetroffen waarvan de verdachte donor is. De rechtbank weegt daarnaast mee dat in de woning [adres 2] , waar de verdachte op 19 maart 2026 door de politie is aangetroffen, een holster is gevonden, dat geen ander redelijk doel heeft dan het dragen of opbergen van een handvuurwapen (pistool of revolver).
Genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, schreeuwen naar het oordeel van de rechtbank om een verklaring van de verdachte. De verdachte heeft zich echter gedurende het opsporingsonderzoek en ter terechtzitting steevast op zijn zwijgrecht beroepen. Nu de verdachte die verklaring niet heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en dat hij daar ook over heeft kunnen beschikken.
Het door de raadsman geschetste scenario dat de vuurwapens mogelijk door andere personen dan de verdachte in de woning zijn neergelegd, omdat die woning vrij toegankelijk was – welke omstandigheid wordt ondersteund door een vijftiental door de verdediging ingebrachte getuigenverklaringen – doet niet af aan de vaststelling dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de wapens en dat hij daarover kon beschikken.
Overigens acht de rechtbank het door de raadsman geschetste scenario ook ongeloofwaardig. In de regel laten mensen vuurwapens, waarvan er één bovendien geladen was, niet in een (willekeurige) woning van iemand anders achter zonder diens medeweten.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde vuurwapens voorhanden heeft gehad.
Partiële vrijspraak
Met de officier van justitie acht ook de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen niet bewezen en zal de verdachte van die onderdelen van de tenlastelegging (telkens) partieel vrijspreken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, alsmede op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
1.
op 19 maart 2026 te Best voorhanden heeft gehad een wapen van categorie II, onder 2, van de Wet wapens en munitie, te weten een machinepistool van het merk Agram, model 2000, kaliber 9x19mm (goednummer PL2100-2026061997-2459193, SIN AARE5976NL), zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren;
2.
op 19 maart 2026 te Best voorhanden heeft gehad wapens van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een single-action centraalvuur pistool, van het merk Fn, model Hi-power, kaliber 9x19 millimeter (goednummer PL2100-2026061997-2459176, SIN AARE5974NL),
- een enkelloops meerschots hagelgeweer, van het merk Mossberg, model 500 ATP, kaliber 12 (goednummer PL2100-2026061997-2459184, SIN AARE5981NL),
- een single-action centraalvuur pistool, van het merk Walther, model 2, kaliber 6,35mm (goednummer PL2100-2026061997-2459206, SIN AARE5979NL) en
- een double-action centraalvuur revolver, een zogeheten British bull Dog, kaliber .32 (goednummer PL2100-2026061997-2459220, SIN AAPK2448NL),

zijnde vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden met aftrek van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zijn betoog enkel gericht op de vraag of de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen verklaard. Hij heeft geen strafmaatverweer gevoerd. In het geval de rechtbank tot een integrale vrijspraak zou komen, heeft de raadsman opheffing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak bepleit.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vijftal vuurwapens, waaronder een machinepistool. Eén van de aangetroffen vuurwapens was geladen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens verhoogt het risico op een levensbedreigend geweldsdelict. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens. De bij de verdachte aangetroffen wapens vormen een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving, omdat het bezit daarvan maar al te vaak leidt tot gebruik daarvan, met alle mogelijke gevolgen van dien. Dergelijke wapens worden bovendien vaak gebruikt bij het plegen van andere ernstige strafbare feiten zoals liquidaties, gewapende overvallen of partnergeweld. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens vormt daarmee een maatschappelijk probleem. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van dit probleem. Hij heeft daarvoor op geen enkele wijze verantwoording afgelegd. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank stelt aan de hand van het strafblad van de verdachte vast dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De verdachte is in het verleden wel eerder veroordeeld voor een bedrijfsinbraak, een mishandeling en wederspannigheid.
De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om in de bestraffing in het voordeel van de verdachte met diens persoonlijke omstandigheden rekening te houden, aangezien de verdachte ervoor heeft gekozen om ook hierover bij de politie en ter terechtzitting geen verklaring af te leggen. Buiten de met zijn partner gedeelde zorg voor zijn drie kinderen zijn geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd of gebleken die tot strafverlaging aanleiding geven.
Op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur passend en geboden.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten zijn mede een weerslag van strafopleggingen in eerdere (op hoofdlijnen) vergelijkbare zaken en dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Met de oriëntatiepunten wordt onder meer beoogd om in vergelijkbare gevallen tot vergelijkbare bestraffing te komen. De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten een richtsnoer vormen bij het bepalen van de op te leggen straf, waarbij het de rechter vrijstaat om van deze oriëntatiepunten af te wijken.
In dit geval houdt het toepasselijke oriëntatiepunt in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van (in totaal) 28 maanden (12 maanden gevangenisstraf voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen in een woning en 4 maanden gevangenisstraf per aangetroffen pistool, revolver of geweer in een woning; bij elkaar opgeteld 16 maanden).
De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om af te wijken van genoemde oriëntatiepunten. De rechtbank volgt daarom de officier van justitie in de strafeis. De rechtbank is daarbij van oordeel dat deze straf de aard en ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Alles overziend, zal de rechtbank aldus aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten zal hierop in mindering worden gebracht.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

De motivering met betrekking tot het beslag.

De rechtbank stelt vast dat er nog beslag rust op:
1. een zwarte uitschuifbare ploertendoder (goednummer 2459248);
2. een pistool, goudkleurig met ivoren greep (goednummer 2459176);
3. een patroon (goednummer 2459177);
4. een geweer, merk Mosberg, kleur zwart (goednummer 2459184);
5. zes patronen (goednummer 2459190);
6. een wapen, merk Agram 2000, kleur zwart (goednummer 2459193);
7. een patroonhouder van een uzi, merk onbekend (goednummer 2459195);
8. een pistool, merk Walther 2, geladen (goednummer 2459206);
9. een patroon (goednummer 2459211);
10. een revolver, merk onbekend (goednummer 2459220);
11. een patroonhouder (goednummer 2459223);
12. een patroonhouder (goednummer 2459224);
13. een patroon (goednummer 2459225);
14. een patroon (goednummer 2459226).
De officier van justitie heeft onttrekking aan het verkeer van alle in beslag genomen voorwerpen gevorderd. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat alle in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat dit voorwerpen zijn waarmee de feiten zijn begaan en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De voorlopige hechtenis

Nu de rechtbank niet tot een integrale vrijspraak komt, ziet zij geen aanleiding om de voorlopige hechtenis op te heffen, zoals de raadsman voor dat geval heeft bepleit. De rechtbank ziet (ambtshalve) evenmin aanleiding om over te gaan tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank weinig tot geen zicht gekregen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het algemene belang van de verdachte om een eventueel hoger beroep in vrijheid af te wachten en het belang van de met zijn partner gedeelde zorg voor zijn drie kinderen wegen niet op tegen het strafvorderlijk belang bij het voortduren van de voorlopige hechtenis.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op artikel 36b, 36c en 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 26 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

De uitspraak.

De rechtbank:
verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 1 en feit 2 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:
ten aanzien van feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º;
ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende
straf:
ten aanzien van feit 1 en feit 2:
* een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden;
beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf;
onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen, te weten:
1. een zwarte uitschuifbare ploertendoder (goednummer 2459248);
2. een pistool, goudkleurig met ivoren greep (goednummer 2459176);
3. een patroon (goednummer 2459177);
4. een geweer, merk Mosberg, kleur zwart (goednummer 2459184);
5. zes patronen (goednummer 2459190);
6. een wapen, merk Agram 2000, kleur zwart (goednummer 2459193);
7. een patroonhouder van een uzi, merk onbekend (goednummer 2459195);
8. een pistool, merk Walther 2, geladen (goednummer 2459206);
9. een patroon (goednummer 2459211);
10. een revolver, merk onbekend (goednummer 2459220);
11. een patroonhouder (goednummer 2459223);
12. een patroonhouder (goednummer 2459224);
13. een patroon (goednummer 2459225);
14. een patroon (goednummer 2459226).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T.C. Heijmerink, voorzitter,
mr. T. Kraniotis en mr. F. van Buchem, leden,
in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,
en is uitgesproken op 16 juli 2026.