ECLI:NL:RBOBR:2026:4971

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
01-144574-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen handel in harddrugs met procesafspraken bestraft met gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 1 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van handel in harddrugs, specifiek cocaïne, in de periode van januari tot juni 2022 te Oss. De zaak is behandeld op basis van procesafspraken tussen verdachte en het Openbaar Ministerie, waarbij verdachte afstand deed van bepaalde verdedigingsrechten en instemde met een strafvoorstel.

De rechtbank heeft de dagvaarding geldig verklaard en de tenlastelegging bewezen verklaard. Verdachte heeft in vereniging met anderen opzettelijk cocaïne verkocht, afgeleverd en verstrekt. Er zijn geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsluiten. De rechtbank heeft de strafmaat vastgesteld op basis van de ernst van het feit, het strafmaximum, vergelijkbare zaken en persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De opgelegde straf bestaat uit een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 133 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf van 130 uur, die kan worden vervangen door 65 dagen hechtenis bij niet-naleving. De rechtbank acht deze straf passend en rechtvaardig, waarbij zowel het belang van verdachte als dat van de maatschappij is meegewogen. Het vonnis is gewezen door een meervoudige kamer en is conform de procesafspraken met verdachte en het Openbaar Ministerie.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf waarvan 133 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 130 uur wegens medeplegen van handel in cocaïne.

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.144574.22
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 juli 2026.
In deze zaak is een overeenkomst tussen verdachte en het Openbaar Ministerie gesloten betreffende proces- en vonnisafspraken. De rechtbank heeft kennisgenomen van deze overeenkomst, van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 juni 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2022 tot en met 27 juni 2022 te Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een (grote) hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de overeenkomst tussen verdachte en het Openbaar Ministerie betreffende procesafspraken.
De rechtbank heeft kennisgenomen van (een digitaal afschrift van) de overeenkomst gedateerd 22 juni 2026 inhoudende procesafspraken over de afdoening van deze strafzaak (hierna: de overeenkomst). Deze overeenkomst is door de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman ondertekend.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van de overeenkomst uit van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
Hoewel de overeenkomst is ondertekend door raadsman mr. T. Deckwitz, heeft de rechtbank op het onderzoek ter terechtzitting vastgesteld dat verdachte bij de totstandkoming van de overeenkomst werd bijgestaan door raadvrouw mr. Y. Ameziane en dat verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van die overeenkomst.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen weten dat de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging en dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken.
De in de overeenkomst vastgelegde afspraken en de consequenties daarvan zijn door de rechtbank met verdachte besproken. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.
De rechtbank heeft verdachte voorgehouden dat hij vooralsnog geen afstand kan doen van het recht om hoger beroep in te stellen, maar dat het gerechtshof bij een afdoening volgens de procesafspraken de eis kan stellen dat verdachte bijzondere omstandigheden aanvoert om daarbij voldoende belang te hebben. De verdachte heeft ten overstaan van de rechtbank nogmaals bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.
De rechtbank constateert dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl zij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank stelt vast dat de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen geen afbreuk doet aan het aan verdachte op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens toekomende recht op een eerlijk proces.
Dat betekent dat de rechtbank acht kan slaan op de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.
De procesafspraken houden in dat:
 verdachte in het kader van deze overeenkomst:
o geen onderzoekswensen indient;
o geen bewijsverweren voert en al ingediende onderzoekswensen intrekt;
o zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken,
 het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst:
o ter terechtzitting zal rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van het feit als hiervoor weergegeven en de volgende strafeis zal vorderen:
 een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 133 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest;
 een werkstraf van 130 uren, te vervangen door 65 dagen hechtenis bij niet naar behoren vervullen van de werkstraf.
o zal vorderen dat aan het voorwaardelijk strafdeel geen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, maar slechts de algemene voorwaarden.
Voorts zien beide partijen af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.

Het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de procesafspraken op het standpunt gesteld dat het aan verdachte ten laste gelegde bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.
Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring en eventuele bewijsoverwegingen opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:
in de periode van 01 januari 2022 tot en met 27 juni 2022 te Oss, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, overeenkomstig de overeenkomst, gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek als bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, waarvan 133 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en daarnaast een taakstraf van 130 uren subsidiair 65 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft in overeenstemming met de overeenkomst geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht ook wat de strafmaat betreft aan te sluiten bij de overeenkomst.
Het oordeel van de rechtbank.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van een half jaar schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het medeplegen van de handel in harddrugs.
De rechtbank heeft acht geslagen op de afspraken in de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende door verdachte aanvaarde strafeis van de officier van justitie. De rechtbank heeft de uitkomst hiervan beschouwd in het licht van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Hierbij zijn ook het wettelijke strafmaximum, de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte betrokken.
Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een straf die vrijheidsbeneming medebrengt.
Tussen verdachte en het Openbaar Ministerie is, als gezegd, in de overeenkomst een strafeis van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek als bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, waarvan 133 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en daarnaast een taakstraf van 130 uren subsidiair 65 dagen hechtenis overeengekomen.
De rechtbank is van oordeel dat deze straf recht doet aan deze zaak, waarbij zowel het belang van verdachte als dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot de straf zoals de verdachte en het Openbaar Ministerie die in de overeenkomst hebben afgesproken.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven,
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij,
het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod,
verklaart verdachte hiervoor strafbaar,
legt op de volgende straffen,
een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht waarvan 133 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 1 jaar,
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit,
en

een taakstraf voor de duur van 130 uren subsidiair 65 dagen hechtenis,

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F. Kooijman, voorzitter,
mr. J.H.P.G. Wielders en mr. M.W.M. Bankers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. T.J. Oosterman en mr. M.M.A. Akkers, griffiers,
en is uitgesproken op 1 juli 2026.