ECLI:NL:RBOBR:2026:4992

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
01.105227.23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6:106 BWArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen bankhelpdeskfraude met taakstraf en schadevergoeding

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte schuldig bevonden aan medeplegen van bankhelpdeskfraude gepleegd tussen december 2022 en januari 2023. Verdachte reed medeverdachte rond die bankpassen, pincodes, geld en sieraden bij slachtoffers ophaalde. De fraude richtte zich vooral op oudere, kwetsbare personen verspreid over meerdere plaatsen in Nederland.

De rechtbank oordeelde dat verdachte een wezenlijke bijdrage leverde aan de oplichtingspraktijken door het huren van auto's en het rondrijden van medeverdachte, waarmee de grens van medeplichtigheid werd overschreden. De verdediging pleitte vrijspraak wegens gebrek aan nauwe samenwerking, maar dit werd verworpen. De rechtbank achtte het medeplegen wettig en overtuigend bewezen.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de kwetsbaarheid van de slachtoffers, de grootschaligheid van de fraude en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd en eerdere veroordeling. De rechtbank legde een taakstraf van 180 uren op, lager dan de eis van 220 uren, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en het aantal zaken waarbij verdachte betrokken was.

Daarnaast werden diverse schadevergoedingen toegewezen aan slachtoffers, zowel materieel als immaterieel, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel. Verdachte en mededaders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De rechtbank bepaalde dat betaling aan de Staat of aan slachtoffers elkaars verplichting vervangt. De vorderingen van benadeelden werden grotendeels toegewezen, met uitzondering van onvoldoende onderbouwde onderzoekskosten die aan de burgerlijke rechter worden overgelaten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren met aftrek van voorarrest en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.105227.23]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.105227.23
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2003] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 december 2022 tot en met 16 januari 2023
in Meerssen, Aalten, Gulpen, Zelhem, Renswoude, Elst, Bredevoort, Winterswijk, Delden, Den Ham, Kloosterhaar, Bennekom, en/of Horssen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
(onder meer) [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , en/of [slachtoffer 14]
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een of meer (grote) geldbedragen en/of (gouden) sieraden
door
- zich (telefonisch) voor te doen als een medewerker van de fraudehelpdesk van een bank, en/of
- (in die hoedanigheid) voornoemde personen te attenderen op frauduleuze activiteiten op hun betaalrekeningen, en/of
- (vervolgens) voornoemde personen te overtuigen om hun bankpassen en/of pincodes af te geven, en/of
- (vervolgens) bij voornoemde personen thuis langs te gaan om hun bankpassen op te halen en/of (even later) geldbedragen te pinnen en/of kansspelformulieren te kopen, en/of
- (vervolgens) voornoemde personen te overtuigen om hun (contant) geld en/of (gouden) sieraden mee te geven;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.
Het gaat in deze zaak om de vermeende betrokkenheid van verdachte bij grootschalige bankhelpdeskfraude. De werkwijze ten aanzien van de ten laste gelegde bankhelpdeskfraude komt er kort gezegd op neer dat beoogde slachtoffers, vaak oudere mensen, werden gebeld door iemand die zich voordeed als een medewerker van een bank. De gegevens van de slachtoffers waren verkregen via zogeheten leadlijsten. De zogenaamde bankmedewerker vertelde de slachtoffers dat er problemen zouden zijn met hun bankrekening. Om het probleem te verhelpen moesten zij hun pinpas afgeven aan een andere medewerker van de bank, die langs zou komen. De pincode van de bankpas werd veelal via de telefoon doorgegeven. Met de opgehaalde bankpas en de afgegeven pincode kon er geld van de rekening worden gepind. Daarnaast werden met de pinpas in meerdere gevallen TOTO formulieren gekocht. In enkele gevallen werd (ook) contant geld en/of sieraden afgegeven door slachtoffers. Deze werkwijze vereiste betrokkenheid van meerdere personen.
Deze vorm van fraude is aan verdachte ten laste gelegd als het medeplegen van oplichting van 14 aangevers. De rol van verdachte daarbij zou zijn dat hij de medeverdachte die langs de woningen en geldautomaten zou zijn gegaan zou hebben rondgereden. Om dit te kunnen doen heeft hij twee keer een auto gehuurd.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en andere personen bij het plegen van de oplichtingen en dus niet van medeplegen. De rol van verdachte, het enkele keren chauffeuren van iemand, moet worden gekwalificeerd als die van medeplichtige, maar dat is niet ten laste gelegd.
Het oordeel van de rechtbank.
Voor de overzichtelijkheid en de leesbaarheid zijn de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. De bewijsmiddelen gelden als in dit vonnis ingevoegd.
Zaken
Gelet op het dossier en de verklaring van verdachte, dat hij bij de 14 aan hem ten laste gelegde oplichtingen telkens de pinner met een auto die hij gehuurd had naar de woning van een slachtoffer en daarna naar een pinautomaat heeft gebracht, kan worden vastgesteld dat verdachte samen met anderen betrokken is geweest bij de oplichting van meerdere aangevers, waarbij met de door oplichting verkregen bankpassen (grote) geldbedragen en/of (gouden) sieraden zijn weggenomen.
Medeplegen
De rechtbank gaat ervan uit dat bij deze vorm van oplichting, waarbij aangevers telefonisch worden benaderd door personen die zich voordoen als bankmedewerkers en aangeven dat er geld is overgemaakt vanaf hun rekening, dat hun rekening gehackt was of dat er sprake was van een verdachte situatie om zo de beschikking te krijgen over bankpassen, pincodes en waardevolle goederen, een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen vergt. Het huren van auto’s om pinners rond te rijden, het beschikken over leadlijsten met daarop potentiële slachtoffers, het bellen met slachtoffers, het doorgeven van de pincodes, het ophalen van de bankpassen, het pinnen van het geld met deze bankpassen, het beheren van het geld en vervolgens het verdelen van het geld zijn eveneens handelingen die een nauwgezette planning en afstemming eisen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat verdachte heeft deelgenomen aan een samenwerkingsverband met het oog oplichtingen te plegen en dat hij daarin zijn eigen taak en daarmee ook een wezenlijke bijdrage had. Hij reed medeverdachte [medeverdachte] , degene die de bankpassen, contant geld en sieraden ophaalde en de geldbedragen pinde, rond door het hele land. Verdachte bleef in de buurt van de woning van de slachtoffers en pinlocaties wachten totdat de medeverdachte de pinpas had opgehaald en bracht hem daarna naar een pinautomaat. Gelet op de ten laste gelegde zaken heeft verdachte in ieder geval veertien keer gereden voor de groep, waarvan soms meerdere keren per dag. Nadat een oplichting gelukt was, wachtten zij vaak in de omgeving totdat zij een nieuw adres doorkregen om heen te gaan. Uit het dossier blijkt verder dat verdachte auto’s huurde om de medeverdachte rond te kunnen rijden. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verdachte enkele keren in contact stond met [naam] , die door verdachte wordt omschreven als de aanstuurder/beller. Zo blijkt uit het dossier dat [naam] op 16 januari 2023 naar verdachte belde en dat verdachte even later naar medeverdachte een bericht stuurde dat [naam] wakker was. Verdachte heeft verklaard dat [naam] hem belde om te melden dat hij wakker was en verdachte en medeverdachte op pad te sturen om ergens weer een pinpas op te halen en daarna geld te gaan pinnen. Verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens aan medeverdachte doorgaf dat [naam] wakker was, zodat zij op pad konden gaan. Ook heeft verdachte verklaard aanwezig te zijn geweest bij het verdelen van het geld.
De rechtbank vindt dat de bijdrage van verdachte, zoals hiervoor weergegeven, als wezenlijk en significant is aan te merken en de grens van medeplichtigheid ver overschrijdt. Daarbij neemt de rechtbank het aantal keren dat verdachte als chauffeur bij oplichtingen betrokken was in aanmerking en het feit dat hij daar ook zelf auto’s voor huurde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de mededaders. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
in de periode van 6 december 2022 tot en met 16 januari 2023
in Meerssen, Aalten, Gulpen, Zelhem, Renswoude, Elst, Bredevoort, Winterswijk, Delden, Den Ham, Kloosterhaar, Bennekom, en Horssen,
tezamen en in vereniging met anderen,
met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen,
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
(onder meer) [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 4] , [slachtoffer 16] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , en [slachtoffer 17]
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten (grote) geldbedragen en/of (gouden) sieraden
door
- zich (telefonisch) voor te doen als een medewerker van de fraudehelpdesk van een bank, en
- (in die hoedanigheid) voornoemde personen te attenderen op frauduleuze activiteiten op hun betaalrekeningen, en
- (vervolgens) voornoemde personen te overtuigen om hun bankpassen en pincodes af te geven, en
- (vervolgens) bij voornoemde personen thuis langs te gaan om hun bankpassen op te halen en (even later) geldbedragen te pinnen en/of kansspelformulieren te kopen, en
- (vervolgens) voornoemde personen te overtuigen om hun (contant) geld en/of (gouden) sieraden mee te geven.
Door kennelijke schrijffouten staat een en ander verkeerd vermeld in de tenlastelegging:
  • ‘ [slachtoffer 4] ’ in plaats van ‘ [slachtoffer 15] en [slachtoffer 4] ’;
  • ‘ [slachtoffer 16] ’ in plaats van ‘ [slachtoffer 16] ’;
  • ‘ [slachtoffer 14] ’ in plaats van ‘ [slachtoffer 17] ’.
Gelet op de overige tekst van de tenlastelegging en in de context van het dossier begrijpt de rechtbank dat hier telkens het laatste wordt bedoeld. De rechtbank herstelt deze schrijffouten en leest het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 220 uren met aftrek van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft gewezen op artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Volgens de raadsvrouw moet op grond van artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht worden toegepast. Zij heeft verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Indien de rechtbank het jeugdstrafrecht niet toepast, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie niet in verhouding staat tot de hoeveelheid zaken waarbij verdachte betrokken is geweest (14 zaken), gelet op de eis in de zaak van de medeverdachte (35 zaken).
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude. Dit is een veelvoorkomende en ingrijpende vorm van fraude, waarbij misbruik wordt gemaakt van het gewekte vertrouwen bij het slachtoffer. Uit het strafdossier komt naar voren dat verdachte dit op grote schaal heeft gedaan. Hij heeft samen met anderen een flink aantal slachtoffers op geniepige wijze grote geldbedragen en sieraden afhandig gemaakt. Zij hebben zich daarbij bewust gericht op oudere mensen. Verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers, die zoals gezegd vrijwel allemaal op leeftijd zijn, hiermee niet alleen financiële schade toegebracht, maar ook hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens ernstig geschaad. Dit komt tot uitdrukking in de vorderingen benadeelde partij die in deze zaak zijn ingediend. Daar komt bij dat zij sommige slachtoffers ook sieraden, die een grote emotionele waarde vertegenwoordigden, afhandig hebben gemaakt. Dit alles vond plaats in de woning van slachtoffers, hetgeen bij uitstek de plek is waar iemand zich veilig zou moeten kunnen voelen. Verdachte was enkel gericht op eigen financieel gewin. Daarbij heeft hij geen rekening gehouden met de schade die hij bij de slachtoffers heeft veroorzaakt en de maatschappelijke onrust die hij daarmee heeft veroorzaakt. De rechtbank neemt de verdachte dit allemaal zeer kwalijk.
Persoon van verdachte
Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gezien dat verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank houdt wel rekening met de veroordeling voor medeplichtigheid aan oplichting op 5 juli 2023, waardoor artikel 63 Sr Pro van toepassing is. Wel vindt de rechtbank dat, gelet op de grootschaligheid van fraude die in deze zaak aan de orde is, artikel 63 Sr Pro maar een zeer beperkte invloed heeft op de strafoplegging.
De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte meegewogen dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden door tegenover de politie een bekennende verklaring af te leggen.
Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies van 18 juni 2026. Het is de reclassering niet gelukt om inhoudelijk met verdachte te spreken. Daarom wordt verwezen naar een eerder reclasseringsadvies van 1 juni 2023, waarin toepassing van het adolescentenstrafrecht werd geadviseerd met een toezicht bij de jeugdreclassering en als bijzondere voorwaarde het volgen van de training gericht op het vergroten van sociale vaardigheden Tools4You. Volgens de huidige rapporteurs heeft verdachte de training positief afgerond en is hij daarna niet meer in aanraking gekomen met justitie. Er is dan ook geen sprake van een actueel delictpatroon. Het risico op recidive, letsel en onttrekken aan voorwaarden kan niet worden ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Adolescentenstrafrecht
De verdachte was tijdens het plegen van de feiten 19 jaar oud, zodat in beginsel het reguliere (volwassen)strafrecht van toepassing is. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het feit meerderjarig is, maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, kan op grond van artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht worden toegepast als de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven.
De rechtbank overweegt dat wat betreft de toepassing van het adolescentenstrafrecht wordt verwezen naar een oud reclasseringsadvies van 1 juni 2023. Destijds is het jeugdstrafrecht toegepast waardoor nu gesteld kan worden dat straffen met pedagogisch effect reeds benut zijn. Vanwege het ontbreken van informatie over de persoonlijkheid van verdachte sinds het uitbrengen van dat advies, ziet de rechtbank geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. In de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd ziet de rechtbank evenmin aanleiding daartoe. De rechtbank zal daarom het volwassenenstrafrecht toepassen bij de strafoplegging.
Redelijke termijn
De rechtbank constateert dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, is geschonden. De rechtbank heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is aangevangen op 15 juni 2023, de dag dat verdachte in verzekering is gesteld. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop geheel of gedeeltelijk is toe te rekenen aan de verdediging. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn met bijna 13 maanden is overschreden. Ook hier houdt de rechtbank rekening mee bij de strafoplegging.
Op te leggen straf
Gelet op de ernst en omvang van het feit, het schadebedrag en de kwetsbaarheid van de slachtoffers had de rechtbank zonder overschrijding van de redelijke termijn een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend gevonden. De rechtbank zal nu – alles afwegende – een taakstraf van 180 uren met aftrek van het voorarrest opleggen. De rechtbank legt een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank, meer dan de officier van justitie, rekening houdt met het verschil in aantal oplichtingen waarbij verdachte ten opzichte van medeverdachte betrokken is geweest.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (zaak 4).

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 700,- ter vergoeding van materiële schade en € 750,- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevraagd, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
Gezien de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade rechtstreeks is geleden door het gepleegde delict en voldoende is onderbouwd. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding dan ook toe.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’ en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de aard en ernst van de normschending in combinatie met de totale impact die de bankhelpdeskfraude op de benadeelde moet hebben gehad. Het gaat om oudere, kwetsbare personen, waarbij indringend contact in hun eigen woning, hun beschermde omgeving, heeft plaatsgevonden. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit en met de hoogte van de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 750,-. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding dan ook toe.
Conclusie
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict (22 december 2022) tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (zaak 6).

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 750,- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevraagd, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
Gezien de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’ en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de aard en ernst van de normschending in combinatie met de totale impact die de bankhelpdeskfraude op de benadeelde moet hebben gehad. Het gaat om oudere, kwetsbare personen, waarbij indringend contact in hun eigen woning, hun beschermde omgeving, heeft plaatsgevonden. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit en met de hoogte van de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 750,-.
De rechtbank acht de vordering dan ook in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict (2 januari 2023) tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] (zaak 32).

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 13] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.000,- ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevraagd, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
Gezien de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade rechtstreeks is geleden door het gepleegde delict en voldoende is onderbouwd.
De rechtbank acht de vordering dan ook in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict (20 december 2022) tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (zaken 7 en 23).

De vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 4.437 ter vergoeding van materiële schade (schadeloosstellingen) en € 360,- ter vergoeding van proceskosten (de rechtbank begrijpt: onderzoekskosten), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevraagd tot een bedrag van € 2.947,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
Gezien de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie dat alleen schadevergoeding voor de schadeloosstellingen kan worden toegekend voor de zaken waarbij verdachte betrokken was (€ 2.947,-). Voor het overige moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Bovendien moet aan verdachte geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd, omdat de benadeelde partij een rechtspersoon is.
Beoordeling.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 2.947,-, bestaande uit materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering (proceskosten/onderzoekskosten), omdat dit onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij stelt dat eenvoudige fraudedossiers in 0,5 – 1 uur onderzocht worden. Er zit geen onderbouwing bij de vordering waaruit blijkt dat een medewerker van de bank daadwerkelijk 3 uur aan onderzoek heeft verricht in deze zaken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Dat de benadeelde partij een rechtspersoon is, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen rechtens relevante reden om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. De benadeelde partij heeft de gedupeerde klanten namelijk voor duizenden euro’s schadeloos gesteld. Voorkomen moet worden dat banken slachtoffers niet meer schadeloos gaan stellen, omdat het terugkrijgen daarvan te complex wordt. De wettelijke rente wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (zaken 4, 5, 6, 18, 19, 20 en 22).
De vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 29.239 ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
De materiële schade bestaat uit de volgende posten:
  • € 27.199,- (schadeloosstellingen);
  • € 2.040,- (onderzoekskosten).
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevraagd tot een bedrag van € 14.795,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
Gezien de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie dat alleen schadevergoeding voor de schadeloosstellingen kan worden toegekend voor de zaken waarbij verdachte betrokken was (€ 14.795,-). Hetzelfde geldt voor de onderzoekskosten. Bovendien moet aan verdachte geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd, omdat de benadeelde partij een rechtspersoon is.
Beoordeling.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 14.795,-, bestaande uit materiële schadevergoeding (schadeloosstellingen), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering (onderzoekskosten), omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Door de bank wordt wel uitgelegd wat werkzaamheden zijn die tot de onderzoekskosten leiden, maar er zit geen onderbouwing bij de vordering dat een medewerker van de bank daadwerkelijk 17 uur aan onderzoek heeft verricht in deze zaken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Dat de benadeelde partij een rechtspersoon is, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen rechtens relevante reden om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. De benadeelde partij heeft de gedupeerde klanten namelijk voor duizenden euro’s schadeloos gesteld. Voorkomen moet worden dat banken slachtoffers niet meer schadeloos gaan stellen, omdat het terugkrijgen daarvan te complex wordt. De wettelijke rente wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2023 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 60a, 63, 326 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregelen:
Een
taakstrafvoor de duur van
180 urensubsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (zaak 4):
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van
1.450,- euro, bestaande uit 700,- euro materiële schadevergoeding en 750,- euro immateriële schadevergoeding. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van
1.450,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 14 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 700,- euro materiële schade en 750,- euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (zaak 6):
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van
750,- euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 4] , van een bedrag van
750,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] (zaak 32):
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 13] , van een bedrag van
1.000,- euro, bestaande uit materiële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 13] , van een bedrag van
1.000,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (zaken 7 en 23):
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 1] , van een bedrag van
2.947,- euro, bestaande uit materiële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [benadeelde 1] , van een bedrag van
2.947,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 29 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (zaken 4, 5, 6, 18, 19, 20 en 22):
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 2] , van een bedrag van
14.795,- euro, bestaande uit materiële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [benadeelde 2] , van een bedrag van
14.795,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan wor den toegepast voor de duur van 98 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W. Heijninck, voorzitter,
mr. W.M.T. Keukens en mr. J.C. Gribling, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 16 juli 2026.