ECLI:NL:RBOBR:2026:4993

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
01.080154.23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen bankhelpdeskfraude met 35 slachtoffers en taakstraf

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte schuldig bevonden aan medeplegen van bankhelpdeskfraude gepleegd tussen 14 oktober 2022 en 8 februari 2023. Verdachte werkte samen met anderen en haalde bankpassen, contant geld en sieraden op bij 35 slachtoffers, voornamelijk oudere personen, en gebruikte de pinpassen om geld te pinnen en TOTO-formulieren te kopen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op camerabeelden, verklaringen van verbalisanten, een bekennende verklaring van verdachte en het dossier. De verdediging voerde onder meer aan dat het bewijs onvoldoende was, maar dit werd verworpen. De rechtbank stelde vast dat verdachte een wezenlijke en cruciale rol had in het samenwerkingsverband.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van de slachtoffers en de maatschappelijke impact. Verdachte had geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten, toonde berouw en had positieve persoonlijke ontwikkelingen. Wel werd de overschrijding van de redelijke termijn erkend.

De rechtbank legde een taakstraf van 240 uren op met aftrek van het voorarrest. Daarnaast werden diverse schadevergoedingen aan slachtoffers toegekend, inclusief immateriële schade, en werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Sommige vorderingen werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren met aftrek van voorarrest voor medeplegen van bankhelpdeskfraude met 35 slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.080154.23]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.080154.23
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 2] op [2004] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 oktober 2022 tot en met 8 februari 2023
in Nuland, Bergambacht, Meerssen, Aalten, Gulpen, Zelhem, Diepenheim, Wolvega, Noordwolde, Sushuisterveen, Elst, Nut , Hulsberg, Renswoude, Bredevoort, Winterswijk, Delden, Den Ham, Kloosterhaar, Hengevelde, Rijssen, Born, Echt, Lunteren, Bennekom, Ede, Culemborg, Horssen, Giessenburg, Linne, en/of Beekbergen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
personen die in de bijlage worden genoemd
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een of meer (grote) geldbedragen en/of (gouden) sieraden
door
- zich (telefonisch) voor te doen als een medewerker van de fraudehelpdesk van een bank, en/of
- (in die hoedanigheid) voornoemde personen te attenderen op frauduleuze activiteiten op hun betaalrekeningen, en/of
- (vervolgens) voornoemde personen te overtuigen om hun bankpassen en/of pincodes af te geven, en/of
- (vervolgens) bij voornoemde personen thuis langs te gaan om hun bankpassen op te halen en/of (even later) geldbedragen te pinnen en/of kansspelformulieren te kopen, en/of
- (vervolgens) voornoemde personen te overtuigen om hun (contant) geld en/of (gouden) sieraden mee te geven;
De bijlage behorende bij de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.
Het gaat in deze zaak om de vermeende betrokkenheid van verdachte bij grootschalige bankhelpdeskfraude. De werkwijze ten aanzien van de ten laste gelegde bankhelpdeskfraude komt er kort gezegd op neer dat beoogde slachtoffers, vaak oudere mensen, werden gebeld door iemand die zich voordeed als een medewerker van een bank. De gegevens van de slachtoffers waren verkregen via zogeheten leadlijsten. De zogenaamde bankmedewerker vertelde de slachtoffers dat er problemen zouden zijn met hun bankrekening. Om het probleem te verhelpen moesten zij hun pinpas afgeven aan een andere medewerker van de bank, die langs zou komen. De pincode van de bankpas werd veelal via de telefoon doorgegeven. Met de opgehaalde bankpas en de afgegeven pincode kon er geld van de rekening worden gepind. Daarnaast werden met de pinpas in meerdere gevallen TOTO-formulieren gekocht. In enkele gevallen werd (ook) contant geld en/of sieraden afgegeven door slachtoffers. Deze werkwijze vereiste betrokkenheid van meerdere personen.
Deze vorm van fraude is aan verdachte ten laste gelegd als het medeplegen van oplichting van 35 aangevers. De rol van verdachte daarbij zou zijn dat hij de pinpassen en in sommige gevallen het contant geld en de sieraden heeft opgehaald bij aangevers en vervolgens met die pinpassen geld heeft gepind en TOTO-formulieren heeft gekocht.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor zaak 17 en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het dossier bevat naast de aangifte onduidelijke camerabeelden waarbij geen gelaatsvergelijkend onderzoek mogelijk bleek. In deze zaak zit bovendien geen herkenning van verdachte op de camerabeelden door een verbalisant. Ook bevat het dossier geen belastende telefoongegevens. Weliswaar heeft verdachte verklaard een soortgelijk telefoonhoesje en jas te hebben als de “pinner” die op de beelden te zien is, dit zijn echter niet dusdanig unieke goederen dat de drempel voor het wettig en overtuigend bewijs gehaald kan worden. Voor wat betreft een bewezenverklaring van de overige zaken heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Voor de overzichtelijkheid en de leesbaarheid zijn de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II bij dit vonnis. De bewijsmiddelen gelden als in dit vonnis ingevoegd.
Zaak 17
De rechtbank stelt vast dat met de door oplichting verkregen pinpas van aangeefster een geldbedrag van € 1.250,- is gepind bij de Geldmaat aan de Schoolstraat in Hulsberg. Op de door verbalisant [verbalisant 1] beschreven camerabeelden van de Geldmaat is te zien dat de pinner een mobiele telefoon in zijn linkerhand heeft. De telefoon is voorzien van een hoesje met daarop twee dikke pijlen die van elkaar afwijzen, het opschrift ’03 ‘en vermoedelijk de letters ‘OFF’. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat het hierboven beschreven telefoonhoesje van de pinner overeenkomt met het hoesje van de op 19 januari 2023 onder verdachte in beslag genomen telefoon. Bovendien heeft verdachte zelf verklaard dat hij een soortgelijk telefoonhoesje heeft. Verbalisant [verbalisant 3] heeft in een vergelijkend onderzoek naar de wenkbrauwen van de pinner op de beelden bij de Geldmaat in Hulsberg en de wenkbrauwen van verdachte geconcludeerd dat de wenkbrauwen van verdachte, zoals zichtbaar op screenshots van camerabeelden uit andere zaken, vrijwel overeenkomen met de wenkbrauwen van de pinner in deze zaak, gelet op de onderbroken linker wenkbrauw en de naar binnen lopende wenkbrauwen. Gelet op het voorgaande, en in het licht van de rest van het dossier, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de pinner was. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen betrokken is geweest bij de oplichting van aangeefster [slachtoffer 2] , waarbij met de door oplichting verkregen bankpas een geldbedrag is weggenomen. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Overige zaken
Gelet op het dossier en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen betrokken is geweest bij de oplichting van meerdere aangevers, waarbij met de door oplichting verkregen bankpassen (grote) geldbedragen en/of (gouden) sieraden zijn weggenomen.
Medeplegen
De rechtbank gaat ervan uit dat bij deze vorm van oplichting, waarbij aangevers telefonisch worden benaderd door personen die zich voordoen als bankmedewerkers en aangeven dat er geld is overgemaakt vanaf hun rekening, dat hun rekening gehackt was of dat er sprake was van een verdachte situatie om zo de beschikking te krijgen over bankpassen, pincodes en waardevolle goederen, een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen vergt. Het huren van auto’s om pinners rond te rijden, het beschikken over leadlijsten met daarop potentiële slachtoffers, het bellen met slachtoffers, het doorgeven van de pincodes, het ophalen van de bankpassen, het pinnen van het geld met deze bankpassen, het beheren van het geld en vervolgens het verdelen van het geld zijn eveneens handelingen die een nauwgezette planning en afstemming eisen.
Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt dat ongeveer acht personen zich bezighielden met voornoemde handelingen. Volgens verdachte bepaalden anderen welke potentiële slachtoffers werden gebeld en waar de bankpassen door hem opgehaald moesten worden. Omdat verdachte zelf geen rijbewijs had, werd hij voor het ophalen van de bankpassen en het pinnen van de geldbedragen altijd door een ander (onder meer medeverdachte) rondgereden door het hele land. Vervolgens bepaalde anderen hoe het geld verdeeld werd.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat verdachte heeft deelgenomen aan dit samenwerkingsverband en had hij daarin zijn eigen taak en wezenlijke bijdrage, namelijk het ophalen van de bankpassen en het pinnen van geldbedragen, wat cruciaal was voor het voltooien van de oplichting. Verdachte heeft ondertussen steeds in nauw contact gestaan met zijn mededaders en werkte nauw met hen samen om het oplichtingstraject succesvol uit te voeren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en meerdere mededaders. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
in de periode van 14 oktober 2022 tot en met 8 februari 2023
in Nuland, Bergambacht, Meerssen, Aalten, Gulpen, Zelhem, Diepenheim, Wolvega, Noordwolde, Sushuisterveen, Elst, Nuth, Hulsberg, Renswoude, Bredevoort, Winterswijk, Delden, Den Ham, Kloosterhaar, Hengevelde, Rijssen, Born, Echt, Lunteren, Bennekom, Ede, Culemborg, Horssen, Giessenburg, Linne, en Beekbergen,
tezamen en in vereniging met anderen,
met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen,
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
personen die in de bijlage worden genoemd
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten (grote) geldbedragen en/of (gouden) sieraden
door
- zich (telefonisch) voor te doen als een medewerker van de fraudehelpdesk van een bank, en
- (in die hoedanigheid) voornoemde personen te attenderen op frauduleuze activiteiten op hun betaalrekeningen, en
- (vervolgens) voornoemde personen te overtuigen om hun bankpassen en pincodes af te geven, en
- (vervolgens) bij voornoemde personen thuis langs te gaan om hun bankpassen op te halen en (even later) geldbedragen te pinnen en/of kansspelformulieren te kopen, en
- (vervolgens) voornoemde personen te overtuigen om hun (contant) geld en/of (gouden) sieraden mee te geven.
Bijlage behorende bij de tenlastelegging onder parketnummer 01-080154-23
Zaak 1 - [slachtoffer 1] (14 oktober 2022 in Nuland)
Zaak 2 - [slachtoffer 3] (17 oktober 2022 in Bergambacht)
Zaak 3 - [slachtoffer 4] (6 december 2022 in Meerssen)
Zaak 4 - [slachtoffer 5] (22 december 2022 in Meerssen)
Zaak 5 – [slachtoffer 6] (30 december 2022 in Aalten)
Zaak 6 – [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] (2 januari 2023 in Gulpen)
Zaak 7 – [slachtoffer 9] (12 januari 2023 in Zelhem)
Zaak 8 - [slachtoffer 10] (16 januari 2023 in Diepenheim)
Zaak 9 - [slachtoffer 11] (31 januari 2023 in Wolvega)
Zaak 11 - [slachtoffer 12] (31 januari 2023 in Noordwolde)
Zaak 12 - [slachtoffer 13] (1 februari 2023 in Sushuisterveen)
Zaak 13 - [slachtoffer 14] (8 februari 2023 in Elst)
Zaak 14 - [slachtoffer 15] (28 oktober 2022 in Nuth)
Zaak 15 - [slachtoffer 16] en [slachtoffer 17] (2 november 2022 in Hulsberg)
Zaak 16 - [slachtoffer 18] (4 november 2022 in Nuth)
Zaak 17 - [slachtoffer 2] (1 december 2022 in Nuth)
Zaak 18 - [slachtoffer 19] (20 december 2022 in Renswoude)
Zaak 19 - [slachtoffer 20] (28 december 2022 in Elst)
Zaak 20 - [slachtoffer 21] (30 december 2022 in Bredevoort)
Zaak 21 - [slachtoffer 22] (30 december 2022 in Winterwijk)
Zaak 22 - [slachtoffer 23] (5 januari 2023 in Delden)
Zaak 23 - [slachtoffer 24] (16 januari 2023 in Den Ham)
Zaak 24 - [slachtoffer 25] (16 januari 2023 in Kloosterhaar)
Zaak 25 - [slachtoffer 26] (18 januari 2023 in Hengevelde)
Zaak 26 - [slachtoffer 27] (18 januari 2023 in Rijssen)
Zaak 27 - [slachtoffer 28] (23 november 2022 in Born)
Zaak 28 - [slachtoffer 29] (23 november 2022 in Echt)
Zaak 31 - [slachtoffer 30] (27 oktober 2022 in Lunteren)
Zaak 32 – [slachtoffer 31] (20 december 2022 in Bennekom)
Zaak 33 – [slachtoffer 32] (7 november 2022 in Ede)
Zaak 34 – [slachtoffer 33] (24 oktober 2022 in Culemborg)
Zaak 36 – [slachtoffer 34] (21 december 2022 in Horssen)
Zaak 38 – [slachtoffer 35] (28 november 2022 in Giessenburg)
Zaak 39 – [slachtoffer 36] (4 november 2022 in Linne)
Zaak 40 – [slachtoffer 37] (3 november 2022 in Beekbergen)
Door kennelijke schrijffouten staat een en ander verkeerd vermeld in de (bijlage behorende bij de) tenlastelegging:
  • ‘ [naam] ’ in plaats van ‘ [naam] ’;
  • ‘202’ in plaats van ‘2022’ (zaak 3);
  • ‘ [slachtoffer 8] ’ in plaats van ‘ [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ’ (zaak 6);
  • ‘ [slachtoffer 9] ’ in plaats van ‘ [slachtoffer 9] ’ (zaak 7)
  • ‘24 januari 2023’ in plaats van ‘31 januari 2023’ (zaak 9);
  • ‘ [slachtoffer 17] ’ in plaats van ‘ [slachtoffer 16] en [slachtoffer 17] ’ (zaak 15);
  • ‘8 november 2022’ in plaats van ‘4 november 2022’ (zaak 16);
  • ‘ [slachtoffer 26] ’ in plaats van ‘ [slachtoffer 26] ’ (zaak 25);
  • ’24 november 2022’ in plaats van ‘23 november 2022’ (zaak 27);
  • ‘ [slachtoffer 33] ’ in plaats van ‘ [slachtoffer 33] ’ (zaak 34);
  • ‘ [slachtoffer 38] ’ in plaats van ‘ [slachtoffer 38] ’ (zaak 36).
Gelet op de overige tekst van de tenlastelegging en in de context van het dossier begrijpt de rechtbank dat hier telkens het laatste wordt bedoeld. De rechtbank herstelt deze schrijffouten en leest het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uren met aftrek van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft gewezen op artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), de overschrijding van de redelijke termijn, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor fraude. Tegen die achtergrond heeft zij gepleit voor oplegging van een taakstraf van 180 uren met aftrek van het voorarrest. Subsidiair, indien de rechtbank een gevangenisstraf op zijn plaats vindt, heeft de verdediging geen bezwaar tegen het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude. Dit is een veelvoorkomende en ingrijpende vorm van fraude, waarbij misbruik wordt gemaakt van het gewekte vertrouwen bij het slachtoffer. Uit het strafdossier komt naar voren dat verdachte dit in een korte periode op zeer grote schaal heeft gedaan. Hij heeft samen met anderen
35 slachtoffers op geniepige wijze grote geldbedragen en sieraden afhandig gemaakt. Zij hebben zich daarbij bewust gericht op oudere mensen. Verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers, die zoals gezegd vrijwel allemaal op leeftijd zijn, hiermee niet alleen financiële schade toegebracht, maar ook hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens ernstig geschaad. Dit komt tot uitdrukking in de vorderingen benadeelde partij die in deze zaak zijn ingediend. Daar komt bij dat zij sommige slachtoffers ook sieraden, die een grote emotionele waarde vertegenwoordigden, afhandig hebben gemaakt. Dit alles vond plaats in de woning van slachtoffers, hetgeen bij uitstek de plek is waar iemand zich veilig zou moeten kunnen voelen. Verdachte was enkel gericht op eigen financieel gewin. Daarbij heeft hij geen rekening gehouden met de schade die hij bij de slachtoffers heeft veroorzaakt en de maatschappelijke onrust die hij daarmee heeft veroorzaakt. De rechtbank neemt de verdachte dit allemaal zeer kwalijk.
Persoon van verdachte
Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gezien dat verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder daarvoor is veroordeeld. De rechtbank houdt wel rekening met de veroordeling voor medeplegen van poging tot oplichting op
11 oktober 2023, waardoor artikel 63 Sr Pro van toepassing is. Wel vindt de rechtbank dat, gelet op de grootschaligheid van fraude die in deze zaak aan de orde is, artikel 63 Sr Pro maar een zeer beperkte invloed heeft op de strafoplegging.
De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte meegewogen dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden door de aan hem ten laste gelegde fraudegevallen grotendeels te bekennen. Ook heeft hij ter zitting oprecht spijt betuigd en laten zien dat hij zijn leven 180 graden heeft gedraaid sinds zijn aanhouding in deze zaak in maart 2023. Hij heeft al jaren een vaste baan, weer een stabiele relatie met zijn ouders en afscheid genomen van de personen met wie hij de oplichtingen pleegde.
Deze verandering in zijn leven blijkt ook uit het reclasseringsadvies van 18 juni 2026. Daaruit blijkt dat de situatie van verdachte ten tijde van de strafbare feiten instabiel was en dat er sprake was van een pro-criminele houding. Na zijn aanhouding heeft er een omslag plaatsgevonden in het gedrag van verdachte, waardoor hij ondertussen weer stabiliteit heeft op alle leefgebieden. Dit heeft onder andere te maken met (deels vrijwillige) hulpverleningstrajecten. Het risico op recidive, letsel en onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert bij een veroordeling het volwassenstrafrecht toe te passen en een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt door de reclassering minder passend geacht, gelet op het werk dat verdachte nu heeft en alle andere positieve ontwikkelingen in zijn leven. Bij de uitvoering van een gevangenisstraf en/of taakstraf moet rekening worden gehouden met rugklachten (dubbele hernia) van verdachte.
Redelijke termijn
De rechtbank constateert dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, is geschonden. De rechtbank heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is aangevangen op 28 maart 2023, de dag dat verdachte in verzekering is gesteld. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop geheel of gedeeltelijk is toe te rekenen aan de verdediging. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn met 15 maanden is overschreden. Ook hier houdt de rechtbank rekening mee bij de strafoplegging.
Op te leggen straf
Gelet op de ernst en omvang van het feit, het schadebedrag en de kwetsbaarheid van de slachtoffers had de rechtbank zonder overschrijding van de redelijke termijn een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend gevonden. De rechtbank zal nu – alles afwegende – een taakstraf van 240 uren met aftrek van het voorarrest opleggen. Hierbij is ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte die zich in de afgelopen drie jaar sinds zijn aanhouding positief hebben ontwikkeld. De rechtbank gaat ervan uit dat door de reclassering een passende taakstraf voor verdachte wordt gezocht waarbij rekening gehouden wordt met zijn rugklachten.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (zaak 4).
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 700,- ter vergoeding van materiële schade en € 750,- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevraagd, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft de immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade rechtstreeks is geleden door het gepleegde delict en voldoende is onderbouwd. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding dan ook toe.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’ en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de aard en ernst van de normschending in combinatie met de totale impact die de bankhelpdeskfraude op de benadeelde moet hebben gehad. Het gaat om oudere, kwetsbare personen, waarbij indringend contact in hun eigen woning, hun beschermde omgeving, heeft plaatsgevonden. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit en met de hoogte van de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 750,-. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding dan ook toe.
Conclusie
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict (22 december 2022) tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] (zaak 6).
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 8] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 750,- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevraagd, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’ en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de aard en ernst van de normschending in combinatie met de totale impact die de bankhelpdeskfraude op de benadeelde moet hebben gehad. Het gaat om oudere, kwetsbare personen, waarbij indringend contact in hun eigen woning, hun beschermde omgeving, heeft plaatsgevonden. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit en met de hoogte van de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 750,-.
De rechtbank acht de vordering dan ook in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict (2 januari 2023) tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 15] (zaak 14).
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 15] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 750,- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft toewijzing gevraagd, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’ en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de aard en ernst van de normschending in combinatie met de totale impact die de bankhelpdeskfraude op de benadeelde moet hebben gehad. Het gaat om oudere, kwetsbare personen, waarbij indringend contact in hun eigen woning, hun beschermde omgeving, heeft plaatsgevonden. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit en met de hoogte van de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 750,-.
De rechtbank acht de vordering dan ook in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict (28 oktober 2022) tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 17] (zaak 15).
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 17] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 160,- ter vergoeding van materiële schade (opname verlofuren), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Zo zijn er geen stukken bijgevoegd waaruit blijkt dat benadeelde niet zou hebben kunnen werken, hoeveel uur hij niet zou hebben kunnen werken en hoeveel inkomsten hij daarmee zou zijn misgelopen. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 31] (zaak 32).
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 31] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.000,- ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevraagd, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade rechtstreeks is geleden door het gepleegde delict en voldoende is onderbouwd.
De rechtbank acht de vordering dan ook in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict (20 december 2022) tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (zaken 7, 13 en 23).
De vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 4.437 ter vergoeding van materiële schade (schadeloosstellingen) en € 360,- ter vergoeding van proceskosten (de rechtbank begrijpt: onderzoekskosten), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevraagd tot een bedrag van € 4.437,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hiertoe heeft zij gewezen op de hoogte van de gevorderde schadevergoeding en de onderbouwing van het standpunt dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd in combinatie met het zeer laat ontvangen van de vordering. De vordering is namelijk pas op 1 juli 2026 door de raadsvrouw ontvangen, terwijl deze op 25 februari 2025 en 25 februari 2026 is ondertekend. Dit levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de gevorderde onderzoekskosten, omdat dit onderdeel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Bovendien moet aan verdachte geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd, omdat de benadeelde partij een rechtspersoon is.
Beoordeling.
De rechtbank stelt vast dat de vordering door de benadeelde partij is ingediend in februari 2026 en dat de raadsvrouw deze vanwege een omissie aan de kant van het Openbaar Ministerie helaas pas op 1 juli 2026 heeft ontvangen. Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank de vordering niet dusdanig complex dat zij deze niet voldoende meer heeft kunnen bestuderen en kunnen betwisten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de raadsvrouw – blijkens haar pleitnota – voor de vordering van de [benadeelde 2] al een verweer over het al dan niet opleggen van de schadevergoedingsmaatregel op schrift had gesteld. Van een onevenredige belasting van het strafgeding is zodoende geen sprake.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 4.437,-, bestaande uit materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering (proceskosten/onderzoekskosten), omdat dit onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij stelt dat eenvoudige fraudedossiers in 0,5 – 1 uur onderzocht worden. Er zit geen onderbouwing bij de vordering waaruit blijkt dat een medewerker van de bank daadwerkelijk 3 uur aan onderzoek heeft verricht in deze zaken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Dat de benadeelde partij een rechtspersoon is, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen rechtens relevante reden om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. De benadeelde partij heeft de gedupeerde klanten namelijk voor duizenden euro’s schadeloos gesteld. Voorkomen moet worden dat banken slachtoffers niet meer schadeloos gaan stellen, omdat het terugkrijgen daarvan te complex wordt. De wettelijke rente wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2023 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (zaken 2, 4, 5, 6, 8, 11, 12, 14, 16, 18, 19, 20, 22, 26, 27, 31, 38).
De vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 29.239,- ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
De materiële schade bestaat uit de volgende posten:
  • € 27.199,- (schadeloosstellingen);
  • € 2.040,- (onderzoekskosten).
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevraagd tot een bedrag van € 27.199,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de gevorderde onderzoekskosten, omdat deze kostenpost onvoldoende is onderbouwd. Bovendien moet aan verdachte geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd, omdat de benadeelde partij een rechtspersoon is.
Beoordeling.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 27.199,-, bestaande uit materiële schadevergoeding (schadeloosstellingen), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering (onderzoekskosten), omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Door de bank wordt wel uitgelegd wat werkzaamheden zijn die tot de onderzoekskosten leiden, maar er zit geen onderbouwing bij de vordering dat een medewerker van de bank daadwerkelijk 17 uur aan onderzoek heeft verricht in deze zaken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Dat de benadeelde partij een rechtspersoon is, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen rechtens relevante reden om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. De benadeelde partij heeft de gedupeerde klanten namelijk voor duizenden euro’s schadeloos gesteld. Voorkomen moet worden dat banken slachtoffers niet meer schadeloos gaan stellen, omdat het terugkrijgen daarvan te complex wordt. De wettelijke rente wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2023 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 60a, 63, 326 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregelen:
Een
taakstrafvoor de duur van
240 urensubsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (zaak 4):
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 5] , van een bedrag van
1.450,- euro, bestaande uit 700,- euro materiële schadevergoeding en 750,- euro immateriële schadevergoeding. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 5] , van een bedrag van
1.450,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 14 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 700,- euro materiële schadevergoeding en 750,- euro immateriële schadevergoeding. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] (zaak 6):
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 8] , van een bedrag van
750,- euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 8] , van een bedrag van
750,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 15] (zaak 14):
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 15] , van een bedrag van
750,- euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
De rechtbank legt aan de verdachte op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 15] , van een bedrag van
750,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 17] (zaak 15):
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij
niet-ontvankelijkis in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 31] (zaak 32):
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 31] , van een bedrag van
1.000,- euro, bestaande uit materiële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 31] , van een bedrag van
1.000,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (zaken 7, 13 en 23):
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 1] , van een bedrag van
4.437,- euro, bestaande uit materiële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [benadeelde 1] , van een bedrag van
4.437,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 44 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (zaken 2, 4, 5, 6, 8, 11, 12, 14, 16, 18, 19, 20, 22, 26, 27, 31, 38):
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 2] , van een bedrag van
27.199,- euro, bestaande uit materiële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [benadeelde 2] , van een bedrag van
27.199,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 148 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
De rechtbank bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W. Heijninck, voorzitter,
mr. W.M.T. Keukens en mr. J.C. Gribling, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 16 juli 2026.
Bijlage I: bijlage behorende bij de tenlastelegging onder parketnummer 01-080154-23
Zaak 1 - [slachtoffer 1] (14 oktober 2022 in Nuland)
Zaak 2 - [slachtoffer 3] (17 oktober 2022 in Bergambacht)
Zaak 3 - [slachtoffer 4] (6 december 202 in Meerssen)
Zaak 4 - [slachtoffer 5] (22 december 2022 in Meerssen)
Zaak 5 – [slachtoffer 6] (30 december 2022 in Aalten)
Zaak 6 - [slachtoffer 8] (2 januari 2023 in Gulpen)
Zaak 7 - [slachtoffer 9] (12 januari 2023 in Zelhem)
Zaak 8 - [slachtoffer 10] (16 januari 2023 in Diepenheim)
Zaak 9 - [slachtoffer 11] (24 januari 2023 in Wolvega)
Zaak 11 - [slachtoffer 12] (31 januari 2023 in Noordwolde)
Zaak 12 - [slachtoffer 13] (1 februari 2023 in Sushuisterveen)
Zaak 13 - [slachtoffer 14] (8 februari 2023 in Elst)
Zaak 14 - [slachtoffer 15] (28 oktober 2022 in Nuth)
Zaak 15 - [slachtoffer 17] (2 november 2022 in Hulsberg)
Zaak 16 - [slachtoffer 18] (8 november 2022 in Nuth)
Zaak 17 - [slachtoffer 2] (1 december 2022 in Nuth)
Zaak 18 - [slachtoffer 19] (20 december 2022 in Renswoude)
Zaak 19 - [slachtoffer 20] (28 december 2022 in Elst)
Zaak 20 - [slachtoffer 21] (30 december 2022 in Bredevoort)
Zaak 21 - [slachtoffer 22] (30 december 2022 in Winterwijk)
Zaak 22 - [slachtoffer 23] (5 januari 2023 in Delden)
Zaak 23 - [slachtoffer 24] (16 januari 2023 in Den Ham)
Zaak 24 - [slachtoffer 25] (16 januari 2023 in Kloosterhaar)
Zaak 25 - [slachtoffer 26] (18 januari 2023 in Hengevelde)
Zaak 26 - [slachtoffer 27] (18 januari 2023 in Rijssen)
Zaak 27 - [slachtoffer 28] (24 november 2022 in Born)
Zaak 28 - [slachtoffer 29] (23 november 2022 in Echt)
Zaak 31 - [slachtoffer 30] (27 oktober 2022 in Lunteren)
Zaak 32 – [slachtoffer 31] (20 december 2022 in Bennekom)
Zaak 33 – [slachtoffer 32] (7 november 2022 in Ede)
Zaak 34 – [slachtoffer 33] (24 oktober 2022 in Culemborg)
Zaak 36 – [slachtoffer 38] (21 december 2022 in Horssen)
Zaak 38 – [slachtoffer 35] (28 november 2022 in Giessenburg)
Zaak 39 – [slachtoffer 36] (4 november 2022 in Linne)
Zaak 40 – [slachtoffer 37] (3 november 2022 in Beekbergen)