ECLI:NL:RBOBR:2026:4995

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
01.009338.26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag, veroordeling medeplegen poging zware mishandeling en openlijk geweld

Op 1 september 2025 vond in Eindhoven een vechtpartij plaats waarbij het slachtoffer meerdere keren werd gestoken en geslagen. Verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag, zware mishandeling en openlijk geweld. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor vol opzet tot doodslag en kwalificeerde het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel, waardoor verdachte werd vrijgesproken van deze feiten.

Wel werd vastgesteld dat verdachte met een scherp voorwerp meerdere steken toebracht aan het slachtoffer, wat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel inhield. De rechtbank concludeerde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en veroordeelde hem voor medeplegen van poging zware mishandeling en openlijk geweld.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 7 maanden op, rekening houdend met de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en het recidiverisico. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot een schadevergoeding van €6.463,00 aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente en onder dreiging van gijzeling bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag en zware mishandeling, veroordeeld tot 7 maanden gevangenisstraf voor medeplegen poging zware mishandeling en openlijk geweld, en tot betaling van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.009338.26]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.009338.26
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2004] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 april 2026 en 3 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] ,
van het leven te beroven,
- die [slachtoffer] heeft vastgepakt/vastgehouden en/of
- een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, in het bovenlichaam en/of de (onder)rug en/of de zij van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden en/of
- een of meermalen met een mes, althans een scherp, op een of beide handen van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of
- een of een of meermalen in een of beide handen heeft gesneden en/of gestoken met een mes, althans een scherp voorwerp,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten steek- en/of snijwonden en/of een of meer gebroken vingers, heeft toegebracht, door
- die [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of
- een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, in het bovenlichaam en/of de (onder)rug en/of de zij van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden en/of
- een of meermalen (met een mes, althans een scherp voorwerp) op een of beide handen van die [slachtoffer] te slaan en/of
- een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, in een of beide handen van die [slachtoffer] te snijden en/of te steken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] ,
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [slachtoffer] heeft vastgepakt/vastgehouden en/of
- een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, in het bovenlichaam en/of de (onder)rug en/of de zij van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden en/of
- een of meermalen met een mes, althans een scherp, op een of beide handen van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of
- een of een of meermalen in een of beide handen heeft gesneden en/of gestoken met een mes, althans een scherp voorwerp,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Eindhoven, althans in Nederland, aan de Rechtestraat, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het een of meermalen vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer] en/of
- het een of meermalen duwen van die [slachtoffer] en/of
- het een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, steken in het bovenlichaam en/of de(onder)rug en/of de zij van die [slachtoffer] en/of
- het een of meermalen op een hand van die [slachtoffer] slaan (met een mes, althans een scherp voorwerp) en/of
- het een of meermalen steken/snijden met een mes, althans een scherp voorwerp in een of beide handen van die [slachtoffer] en/of
- het een of meermalen trappen en/of slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer] .

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag. Het zeker 10 keer met kracht steken richting de zij, buik en onderrug van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) levert, ongeacht het gebruikte voorwerp, een aanmerkelijke kans op de dood op.
De officier van justitie heeft ook geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde openlijk in vereniging geweld plegen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte integraal vrij te spreken van feit 1. Daartoe heeft de raadsvrouw ten eerste aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt van medeplegen, nu er sprake is geweest van spontaan en chaotisch geweld.
Ook blijkt volgens de raadsvrouw niet dat de verdachte vol opzet had om het slachtoffer te doden. Daarnaast was geen sprake van voorwaardelijk opzet omdat er geen aanmerkelijke kans was dat het slachtoffer door het handelen van verdachte zou komen te overlijden en ook volgt nergens uit dat verdachte deze kans zou hebben aanvaard.
Daarbij geldt dat niet kan komen vast te staan dat een mes is gebruikt.
Het letsel dat bij het slachtoffer is ontstaan is volgens de raadsvrouw niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Ten slotte heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte geen opzet heeft gehad om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, ook niet in voorwaardelijke zin.
Ten aanzien van het aan de verdachte ten laste gelegde feit 2 heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank. [1]
De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
een proces-verbaal, opgemaakt en ondertekend op 2 september 2025 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , inhoudende de aangifte van [slachtoffer],proces-verbaal pagina 18-23.
Toen wij onderweg waren, zijn wij de mensen die [slachtoffer] hebben mishandeld tegengekomen. Toen ging hij mij steken in mijn rug en viel ik op de grond. Toen kwamen er 3 mensen en die zeiden steek hem, steek hem. Ze hebben mijn rug opengemaakt, ik kon niet ademhalen. Voordat ik gestoken was, heb ik 3 personen gezien, maar er waren ook andere personen achter hem.
V: Waar was jij toen jij gestoken werd?
A: Voor de Nieuwe Zara. Bij een grote Disco. In Eindhoven.
V: Is de persoon op de foto de enige die jou gestoken heeft?
A: Eigenlijk nee, met z'n allen hebben ze mij gestoken en geslagen.
een proces-verbaal van bevindingen medische gegevens [slachtoffer] , opgemaakt en ondertekend op 22 september 2025 door verbalisant [verbalisant 3] , proces-verbaal pagina 33-35Op 17 september 2025 werd door het Catherina ziekenhuis de volgende gegevens verstrekt:
3.1.1. Reden van komst/verwijzing
Op 01 september 2025 werd [slachtoffer] , geboren op [2008] , na een 112 melding op de afdeling Spoed Eisende Hulp (SEH) van het Catherina Ziekenhuis binnengebracht in verband met een steekverwonding.
3.1.2. Diagnose
2-9-2025 fractuur van falanx van hand links
2-9-2025 steekwond van abdomen links
3.1.3. Amnese
Snijwond links flank/rug 10 cm, lijkt alleen cutaan/subcutaan. Ook snijwondje dig 2-3 links.
Ambulance ter plaatse.
3.1.4. Aanvullend onderzoek
X hand links:
Fractuur basis midfalanx dig ulanire zijde
3.1.5. Conclusie
17-jarige patiënt, presenteert zich op de SEH in verband met:
• Snijverwoning cutis + subcutis flank links 10 cm
• Pijnklachten dig 4 links: Avulsiefractuur basis midfalanx dig 4 hand links
• Oppervlakkige wondjes dig 2-3 prox falanx.
3.3 Chirurgie: 02 september 2025 om 10:01 uur
3.3.1 Conclusie
Steekverwonding waarna opp steekverwonding flank links 10 cm, fractuur basis IP dig 4 met snijwonden over gehele linker hand. Beiden gehecht.
een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend op 3 september 2025 door verbalisant [verbalisant 1] , proces-verbaal pagina 97-112Op 1 september 2025, omstreeks 23:37 uur komt er via de meldkamer van de politie Oost- Brabant een melding binnen van een beroving van fatbikes waarbij de slachtoffers steekwonden hebben opgelopen. Naar aanleiding van dit steekincident zijn er beelden gevorderd en beschikbaar gesteld aan de politie door Juwelier ' [bedrijf] ', gelegen aan de [adres] in Eindhoven.
Op hierboven genoemde datum en tijdstip zie ik op de camerabeelden van de Rechtestraat twee mannen in beeld lopen, komende uit de richting van de Catharinakerk, gaande in de richting van het 18 Septemberplein in Eindhoven. Beide mannen zijn met elkaar in gesprek.
Door collega [verbalisant 4] , proces-verbaalnummer 2025197545-10 is eenherkenning opgemaakt van Man 1. Dit zou de later aangehouden [medeverdachte] betreffen. Achter de twee mannen loopt een jongen genaamd, [persoon] . Ik zie vervolgens achter [persoon] over de Rechtestraat een andere jongen aankomen en stoppen bij [medeverdachte] , man 2 en [persoon] .
Vervolgens zie ik een heleboel jonge mannen aan komen rennen uit de richting van het Catharinaplein in de richting van het 18-Septemberplein. Ter hoogte van de winkel 'So Low' zie ik dat beide groepen elkaar treffen en stoppen. Ik zie dat er vanuit de groep over en weer geduwd en getrokken wordt en dat er een opstoot gaande is.
Ik herken op de beelden de persoon met de witte trui en witte schoenen (man 1). Deze persoon wordt door andere personen tegen gehouden, echter zoekt man 1 iedere keer weer de confrontatie met andere op. Ik zie dat man 1 zich voortdurend met geweld lostrekt en met andere personen in gevecht gaat.
Ik zie linksonder in beeld het slachtoffer [slachtoffer] . [slachtoffer] probeert langs de mannen af weg te lopen, maar wordt dan tegengehouden door man 2.
Ook zie ik Man 2 rechtsonder in beeld gaat voortdurend met andere personen het gevecht aan. Ik zie vervolgens dat man 2 een gevecht begint met slachtoffer [slachtoffer] .
Ik zie een voor mij onbekende man naar het slachtoffer ( [slachtoffer] ) toe lopen en hem een duw van voren tegen zijn borst geven.
Ik zie [medeverdachte] op [slachtoffer] af komen rennen en hem van achteren een duw in zijn rug geven. Ik zie vervolgens dat zowel [medeverdachte] als man 2 en een onbekend gebleven persoon, [slachtoffer] vastpakken.
Vervolgens zie ik man 2 meerdere stekende bewegingen maken in de richting van de onderrug van slachtoffer [slachtoffer] . [medeverdachte] houdt hierbij het slachtoffer [slachtoffer] vast, waardoor hij niet weg kan komen.
Ik zie dat [slachtoffer] door [medeverdachte] meerdere keren getrapt en geslagen wordt en dat man 2 [slachtoffer] hierbij vast blijft houden, zodat hij niet weg kan komen.
Ik zie op de beelden duidelijk de verwondingen die [slachtoffer] op heeft gelopen door het steken van man 2. Ik zie dat [medeverdachte] het slachtoffer blijft slaan en schoppen en vervolgens naar de grond toe werkt en hem blijft slaan en schoppen.
een proces-verbaal van derde verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt en ondertekend op 10 september 2025 door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 5] , proces-verbaal pagina 232 - 252Ik weet dat mijn broer een wodkafles bij had. Het kan zijn dat hij de wodka fles kapot heeft geslagen en hem daarmee heeft gestoken. Mijn broer had niks anders in zijn hand dan een wodka fles. Toen de chaos was begonnen hoorde ik de wodka fles breken. Ik weet zeker dat het een wodka fles is.
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 juli 2026:
Het klopt dat ik op 1 september 2025 samen met mijn broertje [medeverdachte] en nog een aantal anderen in gevecht ben geraakt met een groep jongens in het centrum van Eindhoven.
Ik ben de persoon die als “man 2” op de camerabeelden wordt beschreven.
Ik heb tijdens het gevecht een wodkafles kapot geslagen en heb daarmee stekende bewegingen gemaakt.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat de verdachte het slachtoffer meerdere keren in zijn onderrug en/of de zij/flank heeft gestoken, terwijl zijn broertje [medeverdachte] en een ander het slachtoffer vasthielden.
Het slachtoffer heeft daardoor een verwonding op zijn rug opgelopen.
De rechtbank kan echter niet vaststellen met welk voorwerp de verdachte heeft gestoken.
Het steekobject is namelijk niet goed waarneembaar op de camerabeelden en is ook niet op de plaats delict aangetroffen. De verklaringen over het gebruikte steekobject lopen uiteen. Het slachtoffer heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij het voorwerp – waarmee hij gestoken werd – niet heel duidelijk heeft gezien, maar dat het heel scherp was. De medeverdachte verklaart over een kapotgeslagen wodkafles.
De verdachte spreekt zelf over een kapotgeslagen wodkafles waarmee hij stekende bewegingen zou hebben gemaakt, terwijl meerdere getuigen ten overstaan van de politie verklaren dat er door een groep jongens meerdere messen gebruikt zou zijn. Deze getuigen verklaren echter wisselend over welke personen er met een mes zouden hebben gestoken en hoe deze messen eruit zouden hebben gezien.
De rechtbank concludeert daarom dat de verdachte het slachtoffer in ieder geval met een scherp voorwerp heeft gestoken. Dit sluit ook aan bij de aard en ernst van het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen.
Hoe moet dit handelen van de verdachte gekwalificeerd worden?
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of dit handelen van de verdachte gekwalificeerd moet worden als een poging tot doodslag (primair), een zware mishandeling (subsidiair) of een poging tot zware mishandeling (meer subsidiair). Hierbij stelt de rechtbank voorop dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat de verdachte daadwerkelijk de intentie had om het slachtoffer van het leven te beroven of om hem zwaar te verwonden. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van vol opzet. Dit neemt echter niet weg dat de verdachte door zijn gedragingen in voorwaardelijke zin opzet kan hebben gehad op de dood van het slachtoffer of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer willens en wetens de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt.
Allereerst moet dan vastgesteld worden dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer gedood kon worden of zwaar lichamelijk letsel kon oplopen door de handelingen van de verdachte. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om een feitelijk aanmerkelijke kans dat het kwalijke gevolg zal intreden. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
Poging doodslag: vrijspraak
De rechtbank stelt voorop dat het steken met een scherp voorwerp in de onderrug of zij/flank van een persoon onder omstandigheden dodelijk kan zijn, nu zich op die plekken ook vitale organen bevinden. Niet elke steekbeweging in een onderrug of zij/flank veroorzaakt echter een aanmerkelijke kans op de dood. Van belang is onder meer met welk voorwerp en met welke kracht er is gestoken.
In deze zaak kan uit de bewijsmiddelen niet onomstotelijk worden vastgesteld met welk voorwerpverdachte het slachtoffer heeft gestoken, hoe groot dit voorwerp was en met welke kracht dit gepaard is gegaan.
Uit de medische gegevens van het slachtoffer volgt dat – de steekhandelingen die met het voorwerp zijn gemaakt –hebben geleid tot een oppervlakkige steekverwonding aan de huid en het onderhuids bindweefsel van de flank.
De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat er een aanmerkelijke kans was dat de steekbewegingen – zoals de verdachte met het onbekende voorwerp heeft verricht – volledig zouden doordringen tot de vitale organen of slagaders en daaraan zodanige schade zouden hebben aangericht dat dit tot de dood van het slachtoffer had kunnen leiden.
De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Zware mishandeling: vrijspraak
Ten aanzien van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bevat een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.
Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, kunnen als algemene gezichtspunten worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.
In de beoordeling kan voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens.
Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan (Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051).
De rechtbank begrijpt dat het litteken van de steekverwonding voor het slachtoffer pijnlijke herinneringen oproept aan het incident. Bij de kwalificatie van dit letsel heeft de rechtbank in het bijzonder gekeken naar de aard van de medische behandeling en de omvang van het letsel. Uit de gegevens van het Catharina ziekenhuis blijkt dat de steekwond op de rug/flank van het slachtoffer op 2 september 2025 is gehecht. Diezelfde dag heeft het slachtoffer het ziekenhuis mogen verlaten. Na het verwijderen van de hechtingen op 9 september 2025 is er geen medische nazorg meer geweest. Voor zover de rechtbank bekend, is daarmee in lichamelijke zin sprake van volledig herstel.
Hoewel de rechtbank het mogelijk acht dat het litteken op de rug van het slachtoffer blijvend en daarmee ontsierend is, is het niet duidelijk geworden hoe blijvend het litteken zal zijn. Daarnaast is dit litteken – anders dan bijvoorbeeld een litteken in het gezicht – niet onmiddellijk zichtbaar. Het litteken dat bij het slachtoffer is ontstaan, is daarmee naar het oordeel van de rechtbank op grond van het procesdossier op dit moment niet als zwaar lichamelijk letsel aan te merken.
De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Poging zware mishandeling: bewezen
Wel kan het handelen van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling.
De kans dat bij het steken met een scherp voorwerp zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan is naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk geweest.
Het is een feit van algemene bekendheid – en ook de verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest – dat het tijdens een worsteling tussen meerdere personen steken met een scherp voorwerp in de onderrug en/of zij/flank en hand kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel.
Er bestond namelijk een aanmerkelijke kans dat rugzenuwen of spieren/pezen zouden worden geraakt met als mogelijk gevolg blijvend functieverlies.
Het herhaaldelijk insteken op de rug en zij van het slachtoffer dat zich niet kon verdedigen is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dergelijk zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken.
De verdachte heeft dus voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht de rechtbank de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling – door het slachtoffer in de onderrug en/of zij/flank en hand te steken – dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank ziet onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van het slachtoffer dat de verdachte ook met het scherpe voorwerp op de handen van het slachtoffer zou hebben geslagen. De verdachte wordt daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.
Medeplegen
De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat de verdachte het slachtoffer in zijn onderrug en/of zij/flank en hand heeft gestoken.
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat voor dit steken geen sprake is geweest van een vooropgezet plan, taakverdeling of voorbereiding.
Dat betekent dat de rechtbank in deze zaak vooral naar de uitvoering van het delict en de intensiteit van de samenwerking zal moeten kijken om te kunnen beoordelen of er sprake is geweest van medeplegen.
Op de camerabeelden van 1 september 2025 heeft de rechtbank waargenomen dat een groep personen met elkaar in gevecht raakt, waarbij het slachtoffer door de verdachte meermalen wordt gestoken, terwijl hij daarbij door twee andere personen werd
tegengehouden/vastgehouden. Uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] leidt de rechtbank af dat hij ten tijde van de vechtpartij wist dat zijn broer een scherp voorwerp in zijn hand had. Doordat medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer vasthield terwijl hij wist dat verdachte een scherp voorwerp vasthad, heeft [medeverdachte] ervoor gezorgd dat het slachtoffer niet in staat was om weg te gaan en zich te onttrekken aan het geweld. .
Dit gezamenlijk en gelijktijdig uitgeoefende handelen jegens het slachtoffer wettigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie tot een bewezenverklaring van een zodanige gezamenlijke uitvoering en een nauwe en bewuste samenwerking als bedoeld in artikel 47 Sr Pro.
Openlijk geweld (feit 2)
De rechtbank is ook van oordeel dat het openlijk in vereniging geweld plegen tegen het slachtoffer op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is vastgesteld wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
1.
op 1 september 2025 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,- die [slachtoffer] heeft vastgepakt/vastgehouden en- meermalen met een scherp voorwerp, in de (onder)rug en/of de zij van die [slachtoffer] heeft gestoken en- in een hand heeft gesneden met een scherp voorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2op 1 september 2025 te Eindhoven, aan de Rechtestraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het vastpakken en vasthouden van die [slachtoffer] en- het duwen van die [slachtoffer] en- het meermalen met een scherp voorwerp, steken in de(onder)rug en/of de zij van die [slachtoffer] en
- het snijden met een scherp voorwerp in een hand van die [slachtoffer] en- het meermalen trappen en slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer] .
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr Pro op te leggen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een scherp voorwerp in zijn onderrug te steken.
Ook heeft verdachte openlijk en in vereniging geweld gepleegd tegen het slachtoffer in een winkelstraat in het stadscentrum van Eindhoven. Hierbij zijn het grotendeels dezelfde gedragingen die tot een bewezenverklaring hebben geleid. Met betrekking tot de vechtpartij waarbij verdachte uiteindelijk heeft gestoken, lijkt de groep waarvan het slachtoffer deel uitmaakt eerst de confrontatie te zoeken. Door het handelen van verdachte – in het bijzonder door gebruik te maken van een scherp voorwerp – is deze vechtpartij geëscaleerd.
Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan letsel en een litteken opgelopen. Dat het letsel niet veel ernstiger is geweest, is een kwestie van geluk, en niet aan de gedragingen van de verdachte te danken.
Door dit handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast ontstaan er gevoelens van onveiligheid in de maatschappij door dit soort geweldsmisdrijven op de openbare weg.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 maart 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsmisdrijven. Op 20 oktober 2025 heeft verdachte een geldboete van € 500,00, waarvan € 400,00 voorwaardelijk gekregen voor (onder meer) mishandeling.
Reclasseringsadvies
De reclassering heeft in het rapport van 7 april 2026 gesteld dat er sprake is van een hoog recidiverisico. Desondanks adviseren zij om aan de verdachte bij veroordeling een straf op te leggen zonder daaraan bijzondere voorwaarden te koppelen.
De reclassering heeft weliswaar zorgen over het gedrag van de verdachte, maar zij zien onvoldoende mogelijkheid om uitvoering te geven aan een reclasseringstoezicht.
Het gebrek aan informatie over onder andere het psychosociaal functioneren, de taalbarrière, de wisselende verblijfplaatsen en de tijdelijke verblijfsstatus en het uitzetrisico liggen daaraan ten grondslag.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend.
Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank legt een lagere straf op dan de officier van justitie heeft geëist omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan waarop de officier van justitie zijn eis heeft gebaseerd.
Alles afwegend zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest opleggen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering tot schadevergoeding integraal toe te wijzen tot een bedrag van € 9.488,00. De officier van justitie heeft verzocht om dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen en dit te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft primair verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat deze onvoldoende onderbouwd is, dan wel omdat er geen causaal verband is tussen het handelen van verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de gevorderde immateriële schade te matigen.
Het oordeel van de rechtbank.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De raadsvrouw heeft de vordering – anders dan de stelling dat er geen onderbouwende bewijsstukken zijn aangeleverd – niet inhoudelijk betwist, voor zover die ziet op de schadeposten kleding en ziekenhuisopname.
Deze twee materiële schadeposten komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering ten aanzien van de kleding en ziekenhuisopname kan daarom worden toegewezen.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de telefoon heeft de raadsvrouw wel betwist. Zij heeft aangevoerd dat geen sprake is van causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en de kapotte telefoon.
Bij de huidige stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen hoe de telefoon van de benadeelde partij is beschadigd en welke rol de verdachte daarbij heeft gespeeld. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering.
De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk.
Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit betekent dat de verdachte € 138,00 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.
Bij de vaststelling is rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De rechtbank heeft daarbij ook gekeken naar de Rotterdamse Schaal, een hulpmiddel dat een overzicht biedt van in de praktijk toegewezen smartengeldbedragen in vergelijkbare gevallen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding in het bijzonder gelet op ‘littekens aan andere delen van het lichaam’ (hoofdstuk 10), waarbij zij het litteken van de benadeelde partij als “middelzwaar litteken” kwalificeert.
Voor de rechtbank zit het litteken van het slachtoffer aan de onderkant van de categorie middelzware littekens. Het lijkt goed te zijn genezen, het litteken bevindt zich op een plek die over het algemeen bedekt of in ieder geval niet direct zichtbaar is en er is nog een reële mogelijkheid dat het litteken de komende jaren nog verder weg zal trekken. Op basis van de tot op dit moment gebleken feiten en omstandigheden zal de schade naar maatstaven van billijkheid door de rechtbank worden vastgesteld op € 5.500,00.
De rechtbank ziet daarbij aanleiding om aan te sluiten bij aanbeveling 2 van de Rotterdamse Schaal om het smartengeld met 15% te verhogen omdat de benadeelde partij een jongvolwassene in de leeftijdscategorie van 15 jaar tot en met 29 jaar met littekenletsel betreft.
Dit betekent dat de rechtbank aan de benadeelde partij een immateriële schadevergoeding van € 6.325,00 zal toekennen.
De benadeelde partij wordt in het resterende deel van zijn immateriële vordering niet-ontvankelijk verklaard; dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 1 september 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en in de kosten die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen.
Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 57 dagen.
De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Hoofdelijkheid.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd.
Nu de verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart hetgeen aan de verdachte onder
feit 1 primair en feit 1 subsidiairten laste is gelegd niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
ten aanzien van feit 1 (meer subsidiair):
medeplegen van poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf en maatregel:
ten aanzien van feit 1 meer subsidiair, feit 2:
een gevangenisstrafvoor de duur van
7 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
heft ophet tegen verdachte verleende
bevel tot voorlopige hechtenismet ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.
ten aanzien van feit 1 meer subsidiair, feit 2:
-een
maatregel van schadevergoedingvan
€ 6.463,00,te vervangen door
57 dagen gijzeling;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] , van een bedrag van € 6.463,00 bestaande uit € 138,00 voor materiële schade en € 6.325,00 voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van volledige vergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 57 dagen gijzeling;
bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald;
bepaalt dat de toepassing van deze vervangende gijzeling de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 1 september 2025;
beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] van een bedrag van € 6.463, bestaande uit € 138,- voor materiële schade en € 6.325,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van volledige vergoeding;
bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 1 september 2025;
veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;
veroordeelt de verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is;
bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr A. van der Hilst, voorzitter,
mr. J.H.L.M. Snijders en mr. M.J.C. van der Vegte, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,
en is uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de Politie Eenheid Oost Brabant Districtsrecherche Eindhoven Onderzoeksnummer | OB2R025084 Onderzoeksnaam Breezer