ECLI:NL:RBOBR:2026:5026

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
SHE 25/3376
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1 JwArt. 2.9 JwArt. 8:41a AwbArt. 8:72 AwbArt. 11 Verordening Jeugdhulp gemeente Land van Cuijk 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Oost-Brabant vernietigt intrekking pleegzorg en verstrekt jeugdhulp aan jongvolwassene

Eiseres, een jongvolwassene die sinds december 2023 bij informele pleegouders woont vanwege problemen in haar thuissituatie, kreeg op grond van de Jeugdwet pleegzorg toegekend. Het college trok deze pleegzorg in april 2025 met terugwerkende kracht in, omdat de moeder van eiseres haar toestemming had ingetrokken en het college meende dat eiseres niet langer aan de voorwaarden voldeed.

De rechtbank oordeelt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres vanaf 29 mei 2024 niet meer voldeed aan de voorwaarden voor pleegzorg. Wel was de intrekking over de periode van 25 maart tot 29 mei 2024 gegrond vanwege het ontbreken van toestemming van de moeder. De rechtbank stelt vast dat eiseres onder de definitie van jeugdige valt en dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de noodzaak van pleegzorg na haar achttiende verjaardag.

Gezien de langdurige problematische thuissituatie en het feit dat eiseres al sinds december 2023 bij de informele pleegouders woont, acht de rechtbank pleegzorg noodzakelijk. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, behalve voor de genoemde periode, en verstrekt aan eiseres pleegzorg tot 29 mei 2027. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de intrekking van pleegzorg en verstrekt eiseres pleegzorg tot haar 21e verjaardag, met uitzondering van de periode 25 maart tot 29 mei 2024.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3376

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] ,

hierna te noemen: eiseres,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk,

hierna te noemen: het college
(gemachtigden: mr. M.G.T. van Haren en L. Roks).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de jeugdhulp die op grond van de Jeugdwet (Jw) was toegekend aan eiseres. Eiseres is het niet eens met die intrekking.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het college de jeugdhulp ten onrechte heeft ingetrokken. Het college heeft de jeugdhulp ingetrokken, omdat eiseres volgens het college niet langer voldoet aan de voorwaarden hiervoor. De rechtbank is echter van oordeel dat het college dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres krijgt dus gelijk. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet in de bijzondere omstandigheden van de situatie van eiseres aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank verstrekt daarom aan eiseres jeugdhulp in de vorm van pleegzorg tot 29 mei 2027.
1.2.
Deze uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder 2 gaat de rechtbank in op het procesverloop van deze rechtszaak. De rechtbank gaat onder 3 in op de feiten voorafgaand aan deze rechtszaak. Onder 4 volgt de inhoudelijke beoordeling van de rechtbank. Ten slotte volgt onder 5 de conclusie van de rechtbank.

Procesverloop

2. Het college heeft met een besluit van 15 april 2025 de aan eiseres toegekende jeugdhulp in de vorm ‘pleegzorg voltijd’ met ingang van 15 februari 2024 en ‘orthopedagogische behandeling specialistisch’ met ingang van 1 maart 2024 ingetrokken. Dit besluit van 15 april 2025 wordt hierna het ‘primaire besluit’ genoemd.
2.1.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Het college heeft met het besluit van 16 oktober 2025 dit bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college heeft met dit besluit de intrekking gehandhaafd. Het besluit van 16 oktober 2025 wordt hierna het ‘bestreden besluit’ genoemd.
2.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de (informele) pleegouders van eiseres ( [naam] en [naam] ) en de gemachtigden van het college.

Feiten voorafgaand aan deze rechtszaak

3. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2006. Eiseres is in december 2023 bij de familie van een vriendin gaan inwonen. De ouders van deze vriendin worden hiervoor in 2.4 en hierna de ‘informele pleegouders’ genoemd. Eiseres is hier gaan wonen vanwege problemen in de thuissituatie. Veilig Thuis (hierna: VT) was toen ook betrokken. VT heeft geadviseerd netwerk pleegzorg van Oosterpoort in te zetten. Eiseres heeft zich met dit advies op 2 januari 2024 gemeld bij het college voor jeugdhulp. Het Centrum Jeugd en Gezin (hierna: CJG) heeft vervolgens onderzoek gedaan. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in een onderzoeksverslag. Eiseres en haar ouders hebben dit onderzoeksverslag op 23 en 26 februari 2024 ondertekend. Eiseres heeft hiermee een aanvraag voor jeugdhulp gedaan. Het CJG heeft bij Oosterpoort een aanmelding gedaan voor netwerk pleegzorg. Uit het onderzoeksverslag volgen de volgende doelen voor jeugdhulp:
- eiseres heeft een vorm van (netwerk)pleegzorg waar zij te allen tijde op terug kan vallen;
- het gezin waar eiseres verblijft, weet hoe zij de pleegzorg van eiseres vorm kunnen geven;
- het gezin waar eiseres verblijft, krijgt de nodige (pedagogische) begeleiding bij situaties waar zij geen raad mee weten.
3.1.
Het college heeft vervolgens met een besluit van 29 februari 2024 aan eiseres op grond van de Jw jeugdhulp verstrekt. Het college heeft ‘pleegzorg voltijd’ en ‘orthopedagogische behandeling specialistisch’ verstrekt. De omvang van de pleegzorg voltijd is 31 etmalen per maand. De pleegzorg is verstrekt in natura en voor de periode van 15 februari 2024 tot en met 30 september 2024. De omvang van de orthopedagogische behandeling specialistisch is 3.000 minuten. Deze jeugdhulp is verstrekt in natura en voor de periode van 1 maart 2024 tot en met 31 augustus 2024. Het besluit van 29 februari 2024 wordt hierna ‘het toekenningsbesluit’ genoemd.
3.2.
De moeder van eiseres heeft op 25 maart 2024 haar toestemming voor de pleegzorg ingetrokken. Op dat moment woonde eiseres al bij de informele pleegouders. Maar, de procedure voor het officieel en formeel starten van de pleegzorg was toen nog niet afgerond. Eiseres is daarna tot nu onafgebroken bij de informele pleegouders blijven wonen.
3.3.
Het college heeft na 25 maart 2024 op verschillende manieren contact gehad met eiseres. De informele pleegouders hebben op 6 juni 2024 een klacht ingediend over het handelen door het CJG en het college.
3.4.
Eiseres heeft op 23 januari 2025 bezwaar gemaakt tegen het niet uitvoeren van het toekenningsbesluit. Het college heeft dit bezwaar op 15 april 2025 ongegrond verklaard.
3.5.
Het college heeft met het primaire besluit de in 3.1 genoemde jeugdhulp ingetrokken. Het college heeft dit gedaan, omdat de moeder van eiseres haar toestemming voor de pleegzorgconstructie had ingetrokken. Deze toestemming was toen nog noodzakelijk voor het inzetten van vrijwillige pleegzorg. Eiseres was toen immers nog minderjarig. Het toekenningsbesluit is volgens het college onuitvoerbaar geworden door het intrekken van de toestemming. Doordat de toegekende pleegzorg niet meer uitgevoerd kon worden, kwam ook het doel voor orthopedische behandeling specialistisch te vervallen. Het doel hiervan was namelijk om te onderzoeken of pleegzorg ingezet kon worden. Dit onderzoek was nog niet gestart op het moment dat de moeder van eiseres haar toestemming introk. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet langer voldeed aan de voorwaarden voor de toegekende jeugdhulp. Het college verwijst in het primaire besluit onder andere naar artikel 11, tweede lid, van de Verordening Jeugdhulp gemeente Land van Cuijk 2023. De Verordening Jeugdhulp gemeente Land van Cuijk 2023 wordt hierna ‘de Verordening’ genoemd.
3.6.
Het college heeft met het bestreden besluit de in 3.5 genoemde intrekking van de jeugdhulp in stand gelaten. Het college herhaalt in het bestreden besluit de in het primaire besluit genoemde motivering. Het college stelt in aanvulling hierop dat na de intrekking van de toestemming door de moeder, er meerdere gesprekken zijn geweest met eiseres en de informele pleegouders. Het college heeft met hen tijdens deze gesprekken meerdere alternatieven besproken. Eiseres heeft hierop aangegeven dat ze graag bij de informele pleegouders wil blijven wonen. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de aangeboden alternatieven. Het college heeft daarom hieraan ook geen gevolg gegeven. Het college wijst er daarnaast op dat VT had aangegeven dat zij inschatten dat het veilig genoeg was voor eiseres om weer thuis te gaan wonen als hier professionele begeleiding in komt.
3.7.
Het college heeft ook in het bestreden besluit vermeld dat de in 3.1 genoemde jeugdhulp al feitelijk was gestopt. Dit terwijl er ten onrechte nog geen formeel intrekkingsbesluit was genomen. Het college heeft dit alsnog hersteld met het nemen van het primaire besluit. Eiseres kon echter al uit de gesprekken met het CJG afleiden dat de pleegzorgconstructie niet door zou gaan. Eiseres heeft daarna pas anderhalf jaar later juridische acties ondernomen. Het had op de weg van eiseres gelegen om eerder actie te ondernemen als zij in de veronderstelling verkeerde dat de pleegzorg alsnog uitgevoerd kon worden. Het college wijst erop dat de toegekende jeugdhulp feitelijk nooit is uitgevoerd. Eiseres heeft daarom geen gebruik kunnen maken van de toegekende jeugdhulp. Er zijn daarom ook geen rechten/verwachtingen ontstaan die door de intrekking worden aangetast. De intrekking heeft volgens het college dan ook geen ingrijpende feitelijke gevolgen voor eiseres. Behalve dan het beëindigen van een niet-uitgevoerd toekenningsbesluit.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank gaat hierna eerst in op de ambtshalve te beoordelen aspecten. Daarna beoordeelt de rechtbank de beroepsgronden van eiseres. ‘Ambtshalve’ betekent dat de rechtbank deze aspecten volgens het recht moet beoordelen ook al zijn deze tussen eiseres en het college niet in geschil. ‘Beroepsgronden’ zijn de juridische stellingen die eiseres aanvoert tegen de intrekking.
Heeft eiseres procesbelang?
4.1.
De rechtbank moet eerst ambtshalve de vraag beantwoorden of eiseres procesbelang heeft. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Zij legt dit hierna uit.
4.1.1.
Procesbelang betekent dat eiseres iets moet kunnen bereiken met deze rechtszaak. Ook kan eiseres procesbelang hebben als een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van belang kan zijn voor een toekomstige situatie.
4.1.2.
De rechtbank heeft tijdens de zitting vastgesteld dat eiseres vooral met deze rechtszaak wil bereiken dat zij nu alsnog pleegzorg krijgt. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met deze rechtszaak dit doel kan bereiken. Weliswaar is zij inmiddels 20 jaar, maar volgens de Jeugdwet kan het college ook pleegzorg verstrekken aan jongvolwassenen tot 21 jaar. Dit volgt uit de definitie van ‘jeugdige’ in artikel 1.1 van de Jw. [1] Voor het antwoord op de vraag of eiseres onder deze definitie valt, is bepalend of de pleegzorg al was aangevangen vóór haar achttiende verjaardag, 29 mei 2024. In de Jeugdwet is geen definitie opgenomen van ‘aangevangen’. De wetgever heeft wel nagedacht over de betekenis van dit begrip. Dit volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1.1 van de Jw. Volgens de wetgever kan voor iemand van achttien jaar of ouder niet voor het eerst een jeugdhulpverleningstraject worden ingezet. Iemand van achttien jaar kan alleen voor het eerst starten met pleegzorg als er voor de achttiende verjaardag al een indicatiebesluit ligt waaruit volgt dat pleegzorg noodzakelijk is. [2] De rechtbank stelt vast dat van deze laatste situatie sprake is bij eiseres. Het college heeft immers voor haar achttiende verjaardag met het toekenningsbesluit bepaald dat pleegzorg noodzakelijk is. Er lag dus al voor de achttiende verjaardag een indicatiebesluit waaruit volgt dat pleegzorg noodzakelijk was. Eiseres viel dus onder de definitie van jeugdige van artikel 1.1 van de Jw totdat het toekenningsbesluit was ingetrokken.
4.1.3.
De intrekking van het toekenningsbesluit leidt ertoe dat eiseres niet langer onder de definitie van jeugdige valt. Het gevolg van de intrekking is immers dat het indicatiebesluit/toekenningsbesluit met terugwerkende kracht niet langer bestaat. Het gevolg daar weer van is dat eiseres niet langer onder de definitie van jeugdige als bedoeld in artikel 1.1 van de Jw valt. Eiseres kan in de toekomst geen aanspraak meer maken op de door haar gewenste pleegzorg als het intrekkingsbesluit blijft bestaan. Eiseres zou wel weer aanspraak kunnen maken op deze pleegzorg als het intrekkingsbesluit wordt herroepen. [3] In dat geval ‘herleeft’ het toekenningsbesluit weer. Eiseres valt dan weer onder de definitie van jeugdige van artikel 1.1 van de Jw. Eiseres wil en kan met deze procedure bereiken dat het intrekkingsbesluit wordt ingetrokken. Kortom, dit betekent dat de inhoudelijke beoordeling van deze intrekking van belang is voor de toekomstige aanspraak op pleegzorg van eiseres. Dit betekent dat zij alleen al hierom procesbelang heeft.
Bestaat er een wettelijke grondslag voor de intrekking?
4.2.
De rechtbank moet vervolgens ambtshalve de vraag beantwoorden of er een wettelijke grondslag bestaat voor de intrekking van de jeugdhulp. Dit betekent dat ergens in de wet moet zijn bepaald dat het college in principe jeugdhulp in natura kan intrekken. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Zij legt dit oordeel hierna uit.
4.2.1.
De rechtbank heeft tijdens de zitting het volgende vastgesteld. Het college heeft de verstrekte jeugdhulp ingetrokken, omdat eiseres niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de verstrekte jeugdhulp. Artikel 11, tweede lid, aanhef en onder d, van de Verordening [4] biedt volgens het college de mogelijkheid om in zo’n geval de jeugdhulp in te trekken. Deze bepaling is volgens het college gebaseerd op artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jw. [5]
4.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze bepalingen in onderlinge samenhang een toereikende wettelijke grondslag bieden voor de intrekking van jeugdhulp. Dit betekent dat het college in zijn algemeenheid jeugdhulp kan intrekken als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder d, van de Verordening. De wet biedt het college hiervoor de mogelijkheid.
Was het college bevoegd de jeugdhulp van eiseres in te trekken?
4.3.
Eiseres betoogt het volgende. Volgens eiseres was het college niet bevoegd de verstrekte jeugdhulp in te trekken. Zij voldeed en voldoet wel aan de voorwaarden hiervoor. Zij kon en kan nog steeds niet terug naar haar thuissituatie. De thuissituatie bij de moeder is voor haar niet veilig. Bovendien wordt zij in haar ontwikkeling bedreigd als zij terug moet naar haar thuissituatie. Het advies van VT is onjuist. Hierin staat immers dat zij inschatten dat het veilig genoeg voor eiseres is om weer thuis te gaan wonen. Dit klopt volgens eiseres niet. Het college, het CJG en VT hebben ten onrechte niet met haar hierover gesproken. Bovendien heeft het college ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de noodzaak voor de pleegzorg. Dit had volgens eiseres wel gemoeten. Het college stelt dat eiseres eerder had moeten vragen de toekenning van de pleegzorg alsnog uit te voeren. Het college miskent volgens eiseres hiermee haar situatie. Dit kan gelet op haar achtergrond en leeftijd niet van haar gevergd worden. Het college is bekend met deze achtergrond. Bovendien heeft zowel eiseres als haar informele pleegouders bij het college aan de bel getrokken. Eiseres krijgt al meer dan twee jaar niet de hulp die zij nodig heeft, namelijk ondersteuning/begeleiding van een pleegzorgaanbieder. Dit, terwijl zij en de informele pleegouders zich meermaals tot het college hebben gewend hiervoor. Eiseres hoopt met de pleegzorg te bereiken dat zij (beter) wordt voorbereid op zelfstandigheid en haar toekomst.
4.3.1.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Een besluit tot intrekking is een voor eiseres belastend besluit. Als gevolg hiervan moet het college aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor de intrekking is voldaan. Dit betekent in deze zaak dat het college aannemelijk moet maken dat eiseres vanaf 15 februari 2024 [6] en 1 maart 2024 [7] niet langer aan de voorwaarden van de pleegzorg voldeed. Dit wordt de ‘bewijslast’ genoemd.
Periode tot en met 24 maart 2024
4.3.2.
Het college heeft tijdens de zitting erkend dat eiseres voor 25 maart 2024 nog aan de voorwaarden voor pleegzorg voldeed. Pas op 25 maart 2024 heeft de moeder van eiseres haar toestemming ingetrokken. Het college heeft in zoverre ook erkend dat het niet bevoegd was in te trekken over de periode tot 25 maart 2024. Dit betekent de periode van 15 februari 2024 tot 25 maart 2024 wat betreft pleegzorg en de periode van 1 maart 2024 tot 25 maart 2024 wat betreft orthopedagogische behandeling specialistisch.
Periode van 25 maart 2024 tot 29 mei 2024
4.3.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college bevoegd is de jeugdhulp in te trekken over de periode van 25 maart 2024 tot 29 mei 2024. Er was in deze periode niet voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning van pleegzorg. De moeder gaf immers in deze periode geen toestemming voor de pleegzorg terwijl deze toestemming wel nodig was
Periode vanaf 29 mei 2024
4.3.4.
Het college heeft zich tijdens de zitting op het volgende standpunt gesteld. Weliswaar was de toestemming van de moeder vanaf 29 mei 2024 [8] niet langer nodig voor de pleegzorg, maar de pleegzorg was toen niet meer noodzakelijk. In dit kader verwijst het college naar het advies van VT. Het college heeft tijdens de zitting aangegeven de noodzakelijkheid van pleegzorg niet verder te hebben onderzocht.
4.3.5.
De rechtbank is van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres vanaf 29 mei 2024 niet langer aan de voorwaarden voor pleegzorg voldeed. Nog los van de omstandigheid dat er geen schriftelijk advies van VT [9] in het procesdossier aanwezig is, is het aan het college om onderzoek te doen en zich ervan te vergewissen of het advies van VT zorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de hoogste rechter op het gebied van de Jeugdwet: de Centrale Raad van Beroep (hierna te noemen: ‘de CRvB’). [10] Het is de rechtbank niet gebleken dat het college dit onderzoek heeft gedaan. Het college heeft ook erkend dat hij niet zelf onderzoek heeft gedaan naar de vraag of de pleegzorg nog noodzakelijk was na de achttiende verjaardag van eiseres. Eiseres heeft in dit kader ook verklaard dat het college en VT haar over dit onderwerp nooit hebben gesproken. Zij verwijst in dit kader naar een (in)formeel advies van VT dat als zij terug zou gaan naar de thuissituatie bij moeder zij altijd een vluchttas klaar moest hebben. Voor zover het college zich ook op het standpunt heeft gesteld dat eiseres na 29 mei 2024 heeft aangegeven geen behoefte meer te hebben aan pleegzorg, geldt dat dit niet uit het procesdossier volgt. Uit het logboek volgt niet dat aan eiseres expliciet is gevraagd of zij nog pleegzorg wenst. Ook volgt hieruit niet dat eiseres heeft gezegd dat zij deze pleegzorg niet meer wenst. Integendeel, eiseres heeft met haar bezwaar op 23 januari 2025 te kennen gegeven dat zij nog pleegzorg wenst. Alles bij elkaar leidt dit tot de conclusie dat het college niet heeft voldaan aan de in 4.3.1 genoemde bewijslast.
Tussenconclusie
4.4.
Wat door de rechtbank is overwogen in 4.3.2 tot en met 4.3.5 leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Dit betekent dat eiseres terecht betoogt dat het college niet bevoegd was de verstrekte jeugdzorg in te trekken, met uitzondering van de periode van 25 maart 2024 tot 29 mei 2024. Er was in die periode immers geen toestemming meer voor de pleegzorg van de moeder van eiseres terwijl deze wel nodig was. In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: ‘Awb’) is bepaald dat als het beroep gegrond is, de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. [11] De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De intrekking van de verstrekte jeugdzorg houdt grotendeels geen stand, omdat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bevoegd was de pleegzorg in te trekken. Daarom zal de rechtbank ook het primaire besluit herroepen, met uitzondering van de periode van 25 maart 2024 tot 29 mei 2024, en bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. [12] De rechtbank moet volgens de Awb het geschil tussen eiseres en het college zoveel als mogelijk definitief beslechten. [13] Het geschil tussen eiseres en het college is nog niet definitief beslecht met het herroepen van de intrekking. Eiseres wenst immers alsnog pleegzorg, terwijl het college ter zitting heeft gepersisteerd bij zijn standpunt. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of zij het geschil definitief kan beslechten.
Kan de rechtbank pleegzorg aan eiseres verstrekken?
4.5.
De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend gezien de omstandigheden van deze zaak. Zij legt dit oordeel hierna uit.
4.5.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres nog steeds aanspraak kan maken op pleegzorg, nu zij onder de definitie van ‘jeugdige’ valt. De rechtbank verwijst in dit kader naar wat in 4.1.2 is overwogen.
4.5.2.
De rechtbank stelt verder vast dat alleen door het intrekken van de toestemming van de moeder van eiseres het pleegzorgtraject niet van de grond is gekomen. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de thuissituatie bij de moeder van eiseres op dat moment of op enig moment daarna al zodanig verbeterd was dat eiseres terug naar haar moeder kon keren. Daar komt het volgende nog bij. Eiseres verblijft al sinds december 2023 in het gezin van de informele pleegouders. Dit als gevolg van de thuissituatie bij de moeder van eiseres. Uit het procesdossier en de verklaringen van eiseres en haar informele pleegouders tijdens de zitting volgt dat eiseres gedurende jaren veel en zeer negatieve ervaringen heeft meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder. Eiseres heeft daarnaast uitgebreid en gedetailleerd verklaard waarom zij nog steeds niet terug kan naar de thuissituatie bij de moeder. Voor de rechtbank staat hiermee vast dat terugkeer naar de thuissituatie geen optie is. De informele pleegouders vervullen feitelijk al sinds december 2023 de rol als pleegouders. Zij en eiseres hebben tijdens de zitting overtuigend gemotiveerd dat zij behoefte hebben aan ondersteuning hierbij van een professionele organisatie gespecialiseerd in het bieden van pleegzorg. Al deze omstandigheden afwegend, acht de rechtbank de noodzaak voor pleegzorg op dit moment voldoende aangetoond.
4.5.3.
Uit het procesdossier volgt niet dat eiseres op enig moment een nieuwe aanvraag voor pleegzorg dan wel een verlenging van de toegekende pleegzorg heeft ingediend. Daar staat tegenover dat het college na het intrekken van de toestemming van de moeder tot 15 april 2025 geen besluit heeft bekendgemaakt over het recht van eiseres op de door haar gewenste pleegzorg. Hierdoor was het tot die datum eigenlijk onduidelijk wat de rechtspositie van eiseres was. Eiseres heeft geprobeerd duidelijkheid te verkrijgen met het bezwaar van 23 januari 2025. Maar, dit bezwaar is op 15 april 2025 niet-ontvankelijk verklaard en pas op die datum is het toekenningsbesluit ingetrokken. Vanaf dat moment was het voor eiseres pas duidelijk wat het standpunt van het college was ten aanzien van haar recht op pleegzorg. Zij heeft toen ook bezwaar gemaakt, wat uiteindelijk tot deze rechtszaak heeft geleid. Bovendien volgt uit het procesdossier en de verklaringen ter zitting dat eiseres en/of haar informele pleegouders meermaals signalen aan het college hebben gegeven dat eiseres behoefte heeft aan pleegzorg. De rechtbank wijst in dit kader naar het eerdergenoemde bezwaar van 23 januari 2025. Ook hebben de informele pleegouders tijdens de zitting erop gewezen dat zij ook via klachtenprocedures tot aan de ombudsman toe hebben geprobeerd alsnog pleegzorg voor eiseres te krijgen. Daar komt bij dat eiseres ook tijdens deze procedure meermaals het signaal heeft gegeven behoefte te hebben aan pleegzorg. Dit volgt immers uit het bezwaarschrift van 12 mei 2025 en het beroepschrift van 25 november 2025. Gezien deze omstandigheden acht de rechtbank het niet onoverkomelijk dat eiseres geen nieuwe formele aanvraag dan wel verzoek om verlenging van de eerder toegekende jeugdzorg heeft ingediend.
4.5.4.
Gezien alle in 4.5.1 tot met en met 4.5.3 genoemde aspecten in combinatie met het feit dat eiseres inmiddels 20 jaar is en zij op 29 mei 2027 21 jaar wordt, ziet de rechtbank aanleiding om met deze uitspraak zelf in de zaak te voorzien. Het idee hierachter is dat eiseres (en haar informele pleegouders) zo spoedig mogelijk alsnog jeugdhulp krijgen. De rechtbank zal daarom aan eiseres jeugdhulp verstrekken die gelijk is aan de jeugdhulp in het toekenningsbesluit van 29 februari 2024. De rechtbank verstrekt deze jeugdzorg tot de datum waarop eiseres 21 jaar wordt. Voor zover eiseres omstreeks die datum nog steeds behoefte heeft aan pleegzorg kan zij om verlenging verzoeken. Het is in dat geval aan het college om dan te beoordelen of de pleegzorg moet worden verstrekt tot 23 jaar. [14]
4.6.
De verstrekking komt in plaats van de intrekking. De rechtbank hoopt hiermee het geschil tussen eiseres en het college definitief te beslechten.
Conclusie
5. Uit wat hiervoor is overwogen volgt de volgende conclusie. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen, met uitzondering van de periode van 25 maart 2024 tot 29 mei 2024. Verder zal de rechtbank aan eiseres tot 29 mei 2027 jeugdhulp verstrekken die gelijk is aan de jeugdhulp die het college met het besluit van 29 februari 2024 aan haar heeft verstrekt. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Dit alles betekent dat eiseres gelijk krijgt en zij krijgt wat zij met deze rechtszaak wenst te bereiken: een indicatie voor pleegzorg.
5.1.
Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres in beroep kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Wel heeft eiseres in bezwaar kosten gemaakt voor verleende rechtsbijstand en heeft zij verzocht om vergoeding van deze kosten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van deze kosten tot een bedrag van € 1.332,- (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1). Ook zal de rechtbank bepalen dat het college het betaalde griffierecht aan eiseres vergoedt.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 oktober 2025;
- herroept het besluit van 15 april 2025, met uitzondering van de periode van 25 maart 2024 tot 29 mei 2024;
- verstrekt aan eiseres tot 29 mei 2027 de individuele voorzieningen ‘pleegzorg voltijd’ van 31 etmalen per maand en ‘orthopedagogische behandeling specialistisch’ van 3.000 minuten;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt het college in de kosten van eiseres tot een bedrag van € 1.332,-;
- bepaalt dat het college aan eiseres het in beroep betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, voorzitter, en mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de CRvB waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de CRvB vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hierin staat namelijk het volgende: “
3.‘Herroepen van een besluit’ betekent dat het besluit wordt ingetrokken en dus geen effect of gevolg meer heeft.
4.Hierin staat het volgende: “
5.Hierin staat het volgende: “
6.Wat betreft de pleegzorg.
7.Wat betreft de orthopedagogische behandeling specialistisch.
8.Dit is de datum waarop eiseres achttien is geworden.
9.Inhoudende dat het veilig genoeg voor eiseres was om weer thuis te gaan wonen
10.Zie de uitspraak van de CRvB van 18 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2040, r.o 4.5 tot en met 4.8.1.
11.Dit volgt uit artikel 8:72, eerste lid, van de Awb.
12.Dit volgt uit artikel 8:72, , derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
13.Dit volgt uit artikel 8:41a van de Awb.
14.De rechtbank verwijst in dit kader naar de definitie van jeugdige in artikel 1.1, onder 4o, van de Jw in combinatie met