ECLI:NL:RBOBR:2026:5048

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
71-265388-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen opiumfeiten en overtreding Geneesmiddelenwet met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 8 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van meerdere opiumfeiten en een overtreding van de Geneesmiddelenwet. De tenlastelegging betrof onder meer de verkoop en aanwezigheid van protonitazeen, MDMA, amfetamine, hasjiesj, hennep en ketamine, alsmede het bezit van materialen bestemd voor de productie van joints.

Tijdens de terechtzitting is een procesafspraak gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, waarbij verdachte instemde met een strafvoorstel bestaande uit een gevangenisstraf van 278 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte vrijwillig en op basis van voldoende informatie met deze afspraken heeft ingestemd.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de primaire en subsidiaire tenlastelegging met betrekking tot protonitazeen (feit 1). Voor de overige feiten (2 tot en met 6) werd verdachte schuldig bevonden aan medeplegen van diverse opiumdelicten en een overtreding van de Geneesmiddelenwet. De opgelegde straf is in redelijke verhouding tot de ernst van de feiten en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het belang van een efficiënte procesafwikkeling.

De straf kan onmiddellijk worden uitgevoerd en het Openbaar Ministerie achtte zonder procesafspraken een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minimaal 18 maanden passend. De rechtbank achtte het voorstel passend en rechtvaardig, waarmee een langdurige procedure in eerste aanleg werd voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 278 dagen gevangenisstraf waarvan 270 voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur voor medeplegen van opiumfeiten en overtreding Geneesmiddelenwet.

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 71.265388.24
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1986] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 juni 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
zij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks 12 maart 2024, althans op of omstreeks maart 2024,
te Den Hoorn (gemeente Midden-Delfland) en/of Breda en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
waren, te weten 1007 (in elk geval een hoeveelheid) tabletten/pillen bevattende de stof protonitazeen,
heeft verkocht en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft uitgedeeld (aan (een) ander(en)), wetende dat (een of meer van) die hiervoor genoemde waar/waren (gelet op de daarin verwerkte stof protonitazeen) voor het leven en/of de gezondheid schadelijk is, terwijl verdachte (telkens) dat schadelijke karakter heeft verzwegen;
T.a.v. feit 1 subsidiair:
het aan verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
haar/hun schuld te wijten is dat,
op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks 12 maart 2024, althans op of omstreeks maart 2024,
te Den Hoorn (gemeente Midden-Delfland) en/of Breda en/of elders in Nederland,
waren schadelijk voor het leven of de gezondheid,
te weten 1007 (in elk geval een hoeveelheid) tabletten/pillen bevattende de stof protonitazeen,
zijn verkocht en/of afgeleverd en/of uitgedeeld,
zonder dat de koper of verkrijger met dat schadelijke karakter bekend was;
(zaaksdossier 1)
T.a.v. feit 2:
zij op of omstreeks 21 augustus 2024, althans op of omstreeks augustus 2024,
te Breda en/of elders in Nederland en/of België,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of
heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, aanwezig gehad,
ongeveer 3028 gram (in elk geval een hoeveelheid) tabletten/pillen bevattende MDMA,
zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(zaaksdossier 2)
T.a.v. feit 3:
zij op of omstreeks 19 september 2024, althans op of omstreeks augustus 2024,
in een woning en/of bijbehorende schuur aan [adres 2] te Breda,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk,
aanwezig gehad,
een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA,
zijnde amfetamine, MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(zaaksdossier 4)
T.a.v. feit 4:
zij op of omstreeks 19 september 2024, althans op of omstreeks augustus 2024, in de woning en/of bijbehorende schuur aan [adres 2] te Breda,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in de uitoefening van een beroep of bedrijf,
(telkens) opzettelijk
heeft bewerkt, verwerkt en/of aanwezig gehad,
een of meer grote hoeveelhe(i)den van een materiaal bevattende hasjiesj en/of hennep (joints) in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)den van een materiaal bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zijnde hasjiesj, hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
(zaaksdossier 4)
T.a.v. feit 5:
zij op of omstreeks 19 september 2024,
in de woning en/of bijbehorende schuur aan [adres 2] te Breda,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk zonder registratie
een werkzame stof in de zin van de Geneesmiddelenwet,
te weten een of meer grote hoeveelhe(i)d ketamine,
in voorraad heeft gehad;
(zaaksdossier 4)
T.a.v. feit 6:
zij op of omstreeks 19 september 2024,
in de woning en/of bijbehorende schuur aan [adres 2] te Breda,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk,
een of meer ruimten en/of diverse materialen zoals verpakkingsmateriaal, barcode stickers, apparatuur ten behoeve van het vervaardigen van met hasjiesj/hennep samengestelde sigaretten (joints) te maken,
voorhanden gehad,
waarvan zij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
(zaaksdossier 4)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen met betrekking tot de overeenkomst.

Totstandkoming.
Op 26 september 2025 hebben de officier van justitie en de verdediging een overeenkomst gesloten, inhoudende procesafspraken en een afdoeningsvoorstel (hierna: de overeenkomst). De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst. De officier van justitie en de verdediging hebben gezamenlijk een voorstel voor afdoening van de zaak aan de rechtbank voorgelegd.
Inhoud afspraken.
De procesafspraken en het afdoeningsvoorstel strekken ertoe de behandeling van de strafzaak zo efficiënt mogelijk te maken, met inachtneming van de waarborgen van
artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), waarbij de officier van justitie zal volstaan met een relatief gematigde strafeis, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 278 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en een taakstraf voor de duur van 240 uren. [1]
Hiertoe is overeengekomen dat:
  • het Openbaar Ministerie een veroordeling zal vorderen voor de feiten 2 t/m 6;
  • het Openbaar Ministerie tot vrijspraak van feit 1 primair en subsidiair zal requireren;
  • het Openbaar Ministerie deze zaak zal aanbrengen voor de enkelvoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant;
  • de verdediging afziet van het indienen van onderzoekswensen;
  • de verdediging geen bewijsverweren, strafmaatverweren of andere verweren voert;
  • de verdachte geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
  • de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
  • het Openbaar Ministerie geen ontnemingsvordering aanhangig zal maken;
  • beide partijen afzien van hoger beroep indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.
Oordeel rechtbank.
De rechtbank is bij haar beoordeling van het afdoeningsvoorstel uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.
De rechtbank constateert dat de gemaakte afspraken er blijk van geven dat partijen ervan doordrongen zijn dat de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging. Ook wordt tot uitdrukking gebracht dat partijen onderkennen dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken en het afdoeningsvoorstel.
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting van 8 juli 2026 zijn de hiervoor weergegeven procesafspraken met verdachte besproken in aanwezigheid van haar raadsvrouw. Daarbij heeft de rechtbank getoetst of verdachte vrijwillig aan de gemaakte afspraken heeft meegewerkt, of deze medewerking op basis van voldoende en duidelijke informatie heeft plaatsgevonden, of zij begreep wat deze afspraken inhielden en welke gevolgen deze voor haar en haar zaak zouden hebben. Verdachte heeft verklaard dat zij bekend is met de inhoud van de procesafspraken, dat zij heeft begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden, wat de gevolgen daarvan zijn en dat deze afspraken op basis van afdoende en duidelijke informatie tot stand zijn gekomen. Zij heeft vrijwillig ingestemd met de afspraken en was bij het proces om tot afspraken te komen en ter terechtzitting voorzien van rechtskundige bijstand. Voorts heeft de verdediging ter terechtzitting aangegeven dat de omstandigheid dat de zaak is behandeld door de meervoudige strafkamer in plaats van door de enkelvoudige strafkamer, zoals in de overeenkomst opgenomen, voor de verdediging geen belemmering vormt voor het alsnog voorleggen van de overige procesafspraken aan de rechtbank. .
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte vrijwillig en op basis van voor haar voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken met het Openbaar Ministerie. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van Pro het EVRM stelt. In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij bij de beoordeling van de strafzaak tegen de verdachte acht kan slaan op de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.
De rechtbank zal in de na te melden strafmotivering toelichten of zij van oordeel is dat het afdoeningsvoorstel in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting.

De bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring en eventuele bewijsoverwegingen opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
t.a.v. feit 2:
op 21 augustus 2024, te Breda,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en
heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, aanwezig gehad,
ongeveer 3028 gram tabletten/pillen bevattende MDMA,
zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
(zaaksdossier 2)
t.a.v. feit 3:
op 19 september 2024,
in een woning en bijbehorende schuur aan [adres 2] te Breda,
tezamen en in vereniging met anderen,
telkens opzettelijk,
aanwezig gehad,
hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en MDMA,
zijnde amfetamine en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
(zaaksdossier 4)
t.a.v. feit 4:
omstreeks 19 september 2024,
in de woning en bijbehorende schuur aan [adres 2] te Breda,
tezamen en in vereniging met anderen,
in de uitoefening van een beroep of bedrijf,
telkens opzettelijk
heeft bewerkt, verwerkt en aanwezig gehad,
grote hoeveelheden van een materiaal bevattende hasjiesj en hennep (joints) in elk geval telkens een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zijnde hasjiesj, hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
(zaaksdossier 4)
T.a.v. feit 5:
op 19 september 2024,
in de woning en bijbehorende schuur aan [adres 2] te Breda,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk zonder registratie
een werkzame stof in de zin van de Geneesmiddelenwet,
te weten een hoeveelheid ketamine,
in voorraad heeft gehad;
(zaaksdossier 4)
T.a.v. feit 6:
op 19 september 2024,
in de woning en bijbehorende schuur aan [adres 2] te Breda,
tezamen en in vereniging met anderen,
telkens opzettelijk,
ruimten en diverse materialen zoals verpakkingsmateriaal, barcode stickers, apparatuur ten behoeve van het vervaardigen van met hasjiesj/hennep samengestelde sigaretten (joints) te maken,
voorhanden gehad,
waarvan zij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
(zaaksdossier 4)

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, zoals tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie is overeengekomen, ten aanzien van de feiten 2 tot en met 6 gevorderd de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 278 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van het voorarrest en daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht om aan te sluiten bij de overeenkomst.
Het oordeel van de rechtbank.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het medeplegen van de uitvoer en handel in MDMA, het medeplegen van het aanwezig hebben van grote hoeveelheden amfetamine en MDMA en het bedrijfsmatig bewerken, verwerken en aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hasjiesj en hennep. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine en aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op de productie van met hasjiesj en hennep samengestelde sigaretten.
De rechtbank heeft acht geslagen op de afspraken in de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende door verdachte aanvaarde strafeis van de officier van justitie. De rechtbank heeft de uitkomst hiervan beschouwd in het licht van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Hierbij zijn ook het wettelijke strafmaximum, de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte betrokken.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de afspraken in de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende door de verdachte aanvaarde strafeis van de officier van justitie. Gelet op wat hiervoor werd overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de straf die door de officier van justitie is gevorderd en met welke eis verdachte heeft ingestemd, niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals deze blijkt uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank is van oordeel dat deze straf in afdoende mate recht doet aan deze zaak, en dat aldus het belang van verdachte en dat van de maatschappij geëerbiedigd worden. Te meer, omdat het in de overeenkomst opgenomen afdoeningsvoorstel een efficiënte en voortvarende behandeling en een effectieve afdoening van de zaak dient. Omdat de rechtbank in overeenstemming met het afdoeningsvoorstel oordeelt, wordt een mogelijk lang proces in eerste aanleg voorkomen en vloeit daaruit in beginsel ook voort dat het belang bij een behandeling van de zaak in hoger beroep ontbreekt. De op te leggen straf kan onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd.
Alles afwegende komt de rechtbank tot een strafoplegging die in overeenstemming is met het afdoeningsvoorstel en zoals ter terechtzitting door de officier van justitie is gevorderd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 Wetboek van Strafrecht,
38 Geneesmiddelenwet,
1, 2, 6 Wet op de economische delicten,
2, 3, 10, 11, 11a Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
spreektverdachte vrij van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaartniet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A en B en C van de Opiumwet gegeven verbod
T.a.v. feit 3:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
T.a.v. feit 4:
medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod,
terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel
T.a.v. feit 5:
medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet
T.a.v. feit 6:
medeplegen van ruimten en materialen voorhanden hebben, waarvan zij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen

-
Een gevangenisstrafvoor de duur van
278 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht waarvan 270 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
-
Een taakstrafvoor de duur van
240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T. Kraniotis, voorzitter,
mr. E.H. Groen en mr. J.C. Gribling, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 8 juli 2026.

Voetnoten

1.Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat zonder procesafspraken een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minimaal 18 maanden in beginsel passend en geboden zou zijn.