ECLI:NL:RBOBR:2026:5049

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
01/085255-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring diefstal met geweld en ontvoering met deels voorwaardelijke werkstraf

Op 17 augustus 2024 heeft verdachte samen met anderen een gewelddadige diefstal gepleegd waarbij het slachtoffer werd ontvoerd, mishandeld en van zijn eigendommen beroofd. De rechtbank verklaarde verdachte schuldig aan diefstal met geweld en medeplegen van vrijheidsberoving.

Tijdens de terechtzitting op 6 juli 2026 werd het bewijs besproken, waaronder verklaringen van het slachtoffer en verdachte, en proces-verbalen van verhoren en bevindingen. Verdachte bekende de feiten en de rechtbank achtte het bewijs wettig en overtuigend.

De rechtbank legde een werkstraf van 130 uren op, waarvan 100 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de jeugdreclassering en medewerking aan hulpverlening. De schadevergoeding aan het slachtoffer werd gedeeltelijk toegewezen, met een totaalbedrag van €8.776,63, vermeerderd met wettelijke rente.

De rechtbank wees een deel van de materiële schadevordering af wegens onvoldoende onderbouwing en bepaalde dat deze vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden ingediend. Verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld samen met mededaders. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 130 uren, waarvan 100 uren voorwaardelijk, en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor schadevergoeding van €8.776,63 aan het slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.085255.25
Datum uitspraak: 20 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [2010],
wonende te [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 juni 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Eindhoven en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg, Celebeslaan te Eindhoven, en/of andere openbare wegen aldaar,
een telefoon en/of een horloge en/of sieraden en/of pasjes en/of een zonnebril en/of geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer],
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door die [slachtoffer] in zijn eigen auto te duwen en/of met die [slachtoffer] in zijn auto rond te rijden en/of (daarbij) die [slachtoffer] een zak over zijn hoofd te trekken en/of die [slachtoffer] te slaan en/of schoppen en/of met een mes in de richting van de [slachtoffer] stekende bewegingen te maken en/of die [slachtoffer] dreigend een mes voor te houden en/of dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij moest betalen;
2
hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Eindhoven en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,
door die [slachtoffer] in zijn eigen auto te duwen en/of met die [slachtoffer] in zijn auto rond te rijden en/of (daarbij) die [slachtoffer] een zak over zijn hoofd te trekken.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 en feit 2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank [1]
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten namelijk bekend. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot de feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen voor feit 1 en feit 2:
1. Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer], opgemaakt op 21 augustus 2024, p. 31-45;
2. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 6 juli 2026;
3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris, opgemaakt op 21 maart 2025;
4. Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 28 december 2024 (p. 144-149).
De rechtbank concludeert op basis van de gebezigde bewijsmiddelen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging (feit 1) en het medeplegen van vrijheidsberoving (feit 2).

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1
op 17 augustus 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, op de openbare weg, een telefoon en een horloge en sieraden en pasjes en een zonnebril en geld, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,
door die [slachtoffer] in zijn eigen auto te duwen en met die [slachtoffer] in zijn auto rond te rijden en daarbij die [slachtoffer] een zak over zijn hoofd te trekken en die [slachtoffer] te slaan en te schoppen en met een mes in de richting van die [slachtoffer] stekende bewegingen te maken en die [slachtoffer] dreigend een mes voor te houden en dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij moest betalen;
2
op 17 augustus 2024 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk
[slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,
door die [slachtoffer] in zijn eigen auto te duwen en met die [slachtoffer] in zijn auto rond te rijden en daarbij die [slachtoffer] een zak over zijn hoofd te trekken.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie vordert oplegging van een werkstraf voor de duur van 150 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 100 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft oplegging van een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 100 uren met een proeftijd van 1 jaar bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het ontvoeren en beroven van slachtoffer [slachtoffer]. Zij hebben het slachtoffer doen laten geloven dat hij een date had, maar toen het slachtoffer bij de afgesproken plek aankwam, werd hij mishandeld en ontvoerd in zijn eigen auto. Hij is gedurende een aantal uren van zijn vrijheid beroofd geweest en kreeg een zwarte zak over zijn hoofd zodat hij niets meer kon zien. Zijn spullen zijn van hem afgepakt en er is geprobeerd grote bedragen van zijn bankrekening te halen. Voor en gedurende de autorit is het slachtoffer mishandeld. Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich niet bekommerd om andermans eigendom of de gevoelens van angst van het slachtoffer toen hij deze overval en ontvoering urenlang moest doorstaan. Een overval, zeker wanneer daarbij geweld wordt gebruikt, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Het slachtoffer is nog altijd dagelijks bang en de herinnering hindert hem in zijn dagelijks bestaan. Overvallen leiden bovendien tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Verdachte heeft met die gevoelens geen rekening gehouden toen hij besloot op een gewelddadige manier snel aan geld te willen komen.
De persoon van verdachte
De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte al een tijd onder toezicht heeft gestaan tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis en dat hij goed heeft meegewerkt aan de schorsingsvoorwaarden. Het gaat nu beter met verdachte. Verder is er al geruime tijd verstreken sinds de feiten en was verdachte erg jong tijdens het plegen van de feiten.
Straf
Gelet op enerzijds de ernst van de feiten en anderzijds de zeer jonge leeftijd van verdachte en het tijdsverloop sinds de feiten, is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf een passende strafmodaliteit is. De rechtbank legt aan verdachte een werkstraf op voor de duur van 130 uren, met aftrek van het voorarrest, waarvan 100 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd te verkorten naar 1 jaar, mede gelet op de standpunten van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering hierover ter zitting. Aan het voorwaardelijk strafdeel verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd. Deze voorwaarden zijn een meldplicht bij de jeugdreclassering, meewerken aan een positieve dagbesteding, meewerken aan de jeugdcoach en meewerken aan behandeling. Door deze voorwaarden op te leggen, hoopt de rechtbank dat verdachte op het rechte pad blijft en weerbaarder wordt.
De rechtbank zal hiermee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

, wettelijk vertegenwoordigd door mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van € 13.080,63, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 5.080,63 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de materiële kosten het volgende opgemerkt. De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de taxikosten en het eigen risico van de zorgverzekering. Zij verzoekt de benadeelde partij in de overige materiële kostenposten niet ontvankelijk te verklaren, wegens onvoldoende onderbouwing. De bedragen van het horloge, het contante geld en de sieraden in de verklaring van de benadeelde partij bij de politie komen niet overeen met de bedragen in de vordering. Daarnaast is van de goederen de dagwaarde niet berekend. De raadsvrouw verwijst hierbij naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793). Er zijn geen vaststaande feiten naar voren gebracht op basis waarvan de dagwaarde geschat kan worden.
Ten aanzien van de immateriële schade voert de raadsvrouw primair aan dat deze ook onvoldoende is onderbouwd en dat de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair dient een lager bedrag dan gevorderd toegewezen te worden, nu een medische onderbouwing van de schade ontbreekt.
De raadsvrouw verzoekt de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, maar gelijk te verdelen onder de veroordeelden in deze zaak.
Beoordeling
Materiële schade
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering:
  • het contante geld ter hoogte van € 630,00. De benadeelde partij heeft in zijn verhoor op 21 augustus 2024 al aangegeven dat de hoogte van het bedrag dat de daders uit zijn portemonnee hadden gepakt ongeveer € 630,00 was;
  • het eigen risico van de zorgverzekering ter hoogte van € 786,63. Deze post is voldoende onderbouwd en niet betwist;
  • de sieraden ter hoogte van € 2.160,00. Hoewel gebaseerd op een schatting, is de berekening van dit bedrag helder onderbouwd en heeft de benadeelde partij in zijn verhoor op 21 augustus 2024 al genoemd dat zijn gestolen sieraden ongeveer € 1.900,00 waard waren. Het gevorderde bedrag ligt daar niet ver vanaf. Door de verdediging is niet betwist dat het ging om een zegelring, een ketting en oorhangers en evenmin is het opgegeven gewicht en de gehanteerde goudprijs betwist. De rechtbank acht deze post voldoende onderbouwd;
  • de taxikosten ter hoogte van € 200,00. Het gevorderde bedrag betreft, blijkens de overgelegde factuur, de daadwerkelijke schade die de benadeelde partij heeft geleden. Dat de benadeelde partij mogelijk een lagere ritprijs had kunnen bedingen doet daar niet aan af. Ook deze post is voldoende onderbouwd.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de posten ‘horloge’, ‘zonnebril’, ‘Samsung telefoon’ en ‘kleding’ van de vordering. Van het horloge, de zonnebril en de Samsung telefoon is de nieuwprijs gevorderd, terwijl niet is gesteld of gebleken wanneer de benadeelde partij deze goederen heeft aangeschaft noch is hiervan bewijs overgelegd, op basis waarvan de dagwaarde van de goederen geschat kan worden. Ten aanzien van de kleding zijn evenmin bewijsstukken overgelegd waaruit opgemaakt kan worden om welke kledingstukken het gaat en hoelang de benadeelde partij deze kleding al had. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade toe tot een bedrag van € 3.776,63.
Immateriële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen. De vordering is voldoende onderbouwd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending ten aanzien van de ontvoering en diefstal met geweld met zich meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek). Op basis van de Rotterdamse schaal oordeelt de rechtbank dat sprake is van feiten die vallen onder hoofdstuk 19.1 (bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal en/of afpersing) en 19.2 (vrijheidsberoving), sub (a) (meest ernstig), vanwege het mishandelen van de benadeelde partij, het bedreigen met een mes, het bedekken van zijn hoofd en de vrijheidsberoving. De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 5.000,00 en zal dit bedrag toewijzen. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard en kan hij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In totaal wijst de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 8.776,63, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
Kostenveroordeling
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Hoofdelijk
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 47, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificatie en strafbaarheid
het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
feit 1
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
strafoplegging
legt op de volgende straf:
een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 130 uren subsidiair 65 dagen jeugddetentie met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht, waarvan 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht zal geschieden op 2 uur per dag;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
1. zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
2. meewerkt aan dagbesteding in de vorm van onderwijs, werk, stage of een alternatieve dagbesteding, welke door de jeugdreclassering als passend wordt ervaren;
3. meewerkt aan hulpverlening van Stichting Jeugdcoach of een soortgelijke organisatie, welke door de jeugdreclassering als passend wordt bevonden;
4. meewerkt aan diagnostiek, behandeling of therapie vanuit de GGzE of een soortgelijke organisatie, welke door de jeugdreclassering als passend wordt bevonden;
geeft aan Stichting Jeugdbescherming Brabant te Helmond, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
vordering benadeelde partij [slachtoffer]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer], van een bedrag van 8.776,63 euro, bestaande uit 3.776,63 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
maatregel van schadevergoeding
legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer], van een bedrag van 8.776,63 euro. Voormeld bedrag bestaat uit 3.776,63 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bevel voorlopige hechtenis
heft op het tegen verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter,
mr. H.M. Hettinga en mr. I.M. Rinzema, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier,
en is uitgesproken op 20 juli 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd OB2R024124.