ECLI:NL:RBOBR:2026:5156

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
25/1527
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:4 AwbArt. 7:15 AwbArt. 3 Erfgoedverordening gemeente Eindhoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanwijzing voormalige architectenwoning als gemeentelijk monument ondanks bezwaar eigenaren

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven heeft een wooncomplex, een voormalige architectenwoning met praktijkruimte, aangewezen als gemeentelijk monument. De eigenaren waren het niet eens met deze aanwijzing en voerden meerdere beroepsgronden aan, waaronder onvoldoende onderbouwing van de monumentale waarde, schending van het verbod op vooringenomenheid en onvoldoende rekening houden met hun financiële belangen.

De rechtbank oordeelt dat het college zich aan de opdracht van de rechtbank heeft gehouden door een onafhankelijk bureau een nieuwe redengevende beschrijving te laten opstellen, waarbij nieuw veldonderzoek is verricht. Er is geen sprake van vooringenomenheid, ook niet doordat dezelfde jurist betrokken was bij het eerdere vernietigde besluit. De aanwijzing is gebaseerd op een deugdelijke, navolgbare en concludente redengevende beschrijving die door een deskundige adviescommissie is beoordeeld.

De rechtbank stelt dat het college beoordelingsruimte heeft bij het bepalen van monumentale waarden en dat het niet aan de bestuursrechter is om het besluit inhoudelijk te heroverwegen, maar slechts te toetsen op redelijkheid. De niet-oorspronkelijke elementen van het pand zijn erkend als minder monumentaal, maar dit leidt niet tot uitsluiting van het gehele pand van de aanwijzing.

Ten aanzien van de financiële belangen van de eigenaren oordeelt de rechtbank dat deze onvoldoende concreet en onderbouwd zijn gemaakt. Het college hoefde geen contra-expertisekosten te vergoeden omdat het besluit niet onrechtmatig was. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de aanwijzing als gemeentelijk monument in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep van de eigenaren tegen de aanwijzing van hun pand als gemeentelijk monument wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1527 OWBOUW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

1. [eisers]
,
beide uit [vestigingsplaats] , hierna samen te noemen: eisers,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven

(gemachtigden: C.M.A. Sanders en mr. M.J.M.J. Heutink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanwijzing van een pand als gemeentelijk monument. Eisers zijn het niet eens met deze aanwijzing. Volgens hen rechtvaardigen de monumentale waarden van het pand geen aanwijzing. Ook heeft het college volgens hen onvoldoende rekening gehouden met hun financiële belangen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het pand monumentale waarden vertegenwoordigt die een aanwijzing rechtvaardigen. Het college mocht verder de belangen van eisers minder zwaar laten wegen dan de belangen die zijn gemoeid met de aanwijzing. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Met het besluit van 9 januari 2024 heeft het college het wooncomplex aan de [adres] en de [adres] (het pand) aangewezen als gemeentelijk monument.
2.1.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze aanwijzing. Met zijn beslissing op dit bezwaar van 17 april 2024 is het college bij de aanwijzing gebleven.
2.2.
Eisers zijn in beroep gegaan tegen deze ongegrondverklaring. Op 31 maart 2025 heeft deze rechtbank dit beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen. [1]
2.3.
Met het bestreden besluit van 2 juni 2025 heeft het college de aanwijzing opnieuw gehandhaafd.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers (waarbij de VvE werd vertegenwoordigd door [naam] ), [naam] (deskundige van eisers) en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Deze zaak gaat over de aanwijzing van een voormalige architectenwoning, tevens praktijkruimte, als gemeentelijk monument. De woning is in 1957-1958 ontworpen en gebouwd door de architect C.G. van Geenen en in 1972 opgehoogd met de door het bureau van Van Geenen ontworpen praktijkvleugel.
3.1.
Omdat het college in het aanwijzingsbesluit niet goed had gemotiveerd hoe de onderbouwing van de cultuurhistorische relevantie – de zogeheten redengevende beschrijving – tot stand was gekomen en waar deze op was gebaseerd, heeft deze rechtbank het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen.
3.2.
Het college heeft een herziene redengevende beschrijving aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Eisers zijn het opnieuw niet eens met de aanwijzing. Zij hebben daar verschillende beroepsgronden voor aangevoerd. Deze worden hierna besproken.
Heeft het college zich aan de opdracht van de rechtbank gehouden?
4. Eisers hebben verschillende gronden aangevoerd die betrekking hebben op de wijze waarop het bestreden besluit tot stand is gekomen. Volgens eiser heeft het college zich niet gehouden aan de opdracht van de rechtbank. Deze houdt in dat er binnen acht weken een nieuw besluit moest worden genomen waaraan een deugdelijk onderzoek ten grondslag lag en waarin een nieuwe afweging moest worden gemaakt waarvan de uitkomst niet op voorhand vast lag. Het college heeft volgens eisers echter:
  • meer dan twee weken langer de tijd genomen;
  • opdracht gegeven aan een extern bureau om de redengevende beschrijving te ‘actualiseren’, in plaats van deze opnieuw op te stellen;
  • geen nieuwe afweging gemaakt, wat blijkt uit het feit dat in de opdrachtverlening en uit de houding van het college al bleek dat het voornemens was om opnieuw op een aanwijzing uit te komen;
  • geen besluit genomen waarvan de uitkomst niet al op voorhand vast lag, mede in het licht van het feit dat de betrokken bezwaarjurist dezelfde jurist was die betrokken was bij de vernietigde beslissing op bezwaar.
4.1.
Het college zegt de nieuwe besluitvorming wel degelijk met een open blik aan te zijn gegaan. Het college had inderdaad de overtuiging dat het bestreden besluit opnieuw tot een aanwijzing zou leiden. Het heeft desondanks een onafhankelijk bureau – het Monumenten Advies Bureau (MAB) – opdracht gegeven om een nieuwe redengevende beschrijving op te stellen. Daarbij is de bestaande redengevende beschrijving weliswaar gebruikt, maar MAB heeft nieuw veldonderzoek uitgevoerd en heeft betekenisvolle aanpassingen aangebracht in de beschrijving. De adviescommissie omgevingskwaliteit heeft de redengevende beschrijving beoordeeld en accuraat en navolgbaar bevonden.
4.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat wanneer een rechtbank een besluit van een bestuursorgaan vernietigt en opdracht geeft tot het nemen van een nieuw besluit, het bestuursorgaan de opdracht van de rechtbank als uitgangspunt moet hanteren. Dat is hooguit anders als er nieuwe feiten of omstandigheden opkomen die een ander licht op de besluitvorming werpen.
4.4.
De opdracht die de rechtbank in haar uitspraak van 31 maart 2025 heeft gegeven, had de strekking om het college een nieuw besluit te laten nemen dat werd onderbouwd door een deugdelijke, navolgbare en concludente redengevende beschrijving. Deze redengevende beschrijving moet uiteraard met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand zijn gekomen. Dat betekent onder meer dat het college, indien hij het opstellen van de redengevende beschrijving uitbesteedt aan een externe deskundige, niet in de opdracht mag opnemen dat de deskundige hoe dan ook op een bepaalde uitkomst moet uitkomen. De deskundige dient de redengevende beschrijving naar eigen inzicht op te kunnen stellen en dient dus ook de ruimte te hebben om tot een andere uitkomst te komen. Zou dat anders zijn, dan zou het college handelen in strijd met het verbod op vooringenomenheid van artikel 2:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich aan de opdracht van de rechtbank heeft gehouden en daarbij niet vooringenomen heeft gehandeld. Het enkele feit dat het college vanuit zijn eigen deskundigheid de verwachting heeft uitgesproken dat de nieuw op te stellen redengevende beschrijving opnieuw tot een aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument zou leiden, betekent niet dat het college naar het bestreden besluit toe heeft geredeneerd en niet open heeft gestaan voor een andere uitkomst. Zo’n vooringenomenheid volgt ook niet uit de door het college bij de opdrachtverstrekking gebruikte bewoordingen. MAB heeft op basis van de verstrekte gegevens en eigen veldonderzoek een redengevende beschrijving opgesteld. Deze komt op onderdelen weliswaar woordelijk overeen met de eerdere redengevende beschrijving, maar ook dit betekent op zichzelf niet dat MAB naar een bepaalde uitkomst heeft toe geredeneerd. Het staat MAB vrij om kloppende passages uit de eerdere redengevende beschrijving over te nemen op de wijze waarop het MAB goeddunkt.
4.6.
Dat de bij het bestreden besluit betrokken jurist ook betrokken was bij het vernietigde besluit van 17 april 2024, doet aan het voorgaande niets af. Het staat een bestuursorgaan vrij om ervoor te kiezen om na de vernietiging van een besluit dezelfde ambtenaren te belasten met de voorbereiding van een nieuw besluit.
Aanwijzing als monument
5. Eiser is het niet eens met de aanwijzing. Volgens eiser heeft het college niet goed onderbouwd waarom het pand een aanwijzing verdient. Er zijn verschillende elementen van het pand – met name enkele kozijnen – die niet oorspronkelijk zijn en daarom weinig monumentale waarden vertegenwoordigen. Dat deze wijzigingen in de loop der decennia door het college zijn toegestaan, is ook een teken dat de monumentale waarde van het pand gering is. Als het pand al een aanwijzing verdient, dan had het college de aanwijzing moeten beperken tot die elementen die een aanwijzing waard zijn. De bedoelde kozijnen hadden daarin bijvoorbeeld buiten beschouwing moeten worden gelaten.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het zich heeft mogen baseren op de redengevende beschrijving die MAB heeft opgesteld en die is beoordeeld door de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. Volgens het college heeft eiser deze stukken inhoudelijk onvoldoende weersproken.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.3.
De rechtbank stelt het volgende toetsingskader voorop.
5.4.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Erfgoedverordening gemeente Eindhoven, kunnen burgemeester en wethouders besluiten een zaak aan te wijzen als gemeentelijk monument wanneer deze zaak van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn architectuur-, bouw- en kunsthistorische, (historisch-) stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden.
5.5.
In de systematiek van de verordening wordt een monument, in lijn met wat gebruikelijk is bij dit soort verordeningen, als geheel als beschermd gemeentelijk monument aangewezen. Uit een bij het aanwijzingsbesluit behorende redengevende beschrijving blijkt vervolgens welke onderdelen van de zaak om welke reden monumentale waarden vertegenwoordigen. Als bepaalde elementen van het pand in de redengevende beschrijving niet zijn genoemd, dan betekent dit niet dat ze buiten de aanwijzing van het monument vallen. Het pand is immers als geheel als monument aangewezen. Het betekent hooguit dat wanneer het college een wijziging van deze elementen moet beoordelen in het kader van een aanvraag van een vergunning daartoe, er minder aanleiding bestaat om de vergunning te weigeren. Dit is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [2]
5.6.
Verder geldt dat het vaste rechtspraak is van de Afdeling dat het college beoordelingsruimte heeft bij het bepalen van de monumentale waarde van een zaak. Na het vaststellen van de monumentale waarde van de zaak, heeft het college beleidsruimte bij het beantwoorden van de vraag of het pand moet worden aangewezen als gemeentelijk monument. De bestuursrechter toetst niet of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen, maar of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. [3]
5.7.
Tot slot is het vaste rechtspraak dat, hoewel het college niet aan een deskundigenadvies is gebonden, het aan dit advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Het volgen van dat advies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij een belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie of als anderszins blijkt dat het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit advies niet, of niet zonder meer, aan de aanwijzing als gemeentelijk monument ten grondslag had mogen leggen. [4]
5.8.
Het college heeft zich voor wat betreft de waardering van de monumentale waarden van het pand gebaseerd op de redengevende beschrijving die is opgesteld door MAB. Tussen partijen is niet in geschil dat MAB en de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit ter zake deskundig zijn. Verder geldt dat MAB, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, het door hem uitgevoerde onderzoek onafhankelijk heeft uitgevoerd. Tussen partijen is niet in geschil dat de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit onafhankelijk opereert. Het college mocht zich daarom in beginsel op deze adviezen baseren. In wat eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de deugdelijkheid van deze advisering te twijfelen. Voor wat betreft de niet oorspronkelijke elementen geldt dat de redengevende beschrijving de beperkte monumentale waarde van deze elementen onderkent en dit gegeven heeft meegewogen in de bredere beoordeling van de monumentale waarde van het pand. Dat er in de loop der tijd wijzigingen in het pand zijn aangebracht, betekent op zichzelf niet dat het pand geen monumentale waarden heeft of dat – zoals eiser op zitting heeft aangevoerd – het college zijn recht om het pand aan te wijzen heeft verwerkt.
5.9.
Het college heeft in de aanwezigheid van de in de redengevende beschrijving genoemde monumentale waarden vervolgens ook aanleiding mogen zien om over te gaan tot de aanwijzing. Het college kon, gelet op de systematiek die de Erfgoedverordening hanteert bij de aanwijzing van een zaak als monument, daarbij geen onderdelen van het monument buiten de aanwijzing houden.
Belang van eisers
6. Eisers voeren aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Volgens eisers worden de met verduurzaming en modernisering van het complex gemoeide kosten door de aanwijzing verviervoudigd. Dat zou betekenen dat deze aanpassingen aan het complex door de VvE niet langer te bekostigen zijn. Het college heeft zich onvoldoende verdiept in de financiële situatie van de VvE. Ook stellen eisers dat de appartementen minder goed verkoopbaar zouden worden.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het besluit geen onevenredige gevolgen heeft voor de VvE. Het ziet op basis van zijn eigen inschattingen geen aanleiding om te rekenen op de door eisers gestelde, maar niet onderbouwde, lasten.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom.
6.3.
Van een bestuursorgaan mag worden verwacht dat het de financiële gevolgen die een aanwijzingsbesluit heeft voor de eigenaar van het aangewezen monument afweegt tegen het belang dat is gemoeid met de aanwijzing. Het ligt echter wel op de weg van die eigenaar om de door hem verwachte negatieve financiële gevolgen concreet te stellen en deugdelijk te onderbouwen. Van het bestuursorgaan wordt in principe niet verwacht dat het dit onderzoek uit zichzelf al doet. [5] De eigenaar heeft immers het beste zicht op zijn financiële situatie en de staat en bewerkelijkheid van het onderhoud van het pand.
6.4.
Eisers hebben de door hen gestelde kostenstijging niet met concrete gegevens onderbouwd, maar baseren hun vrees op ervaringen die andere monumenteigenaren hebben gehad. Die ervaringen zijn echter niet toegespitst op het pand van eisers en zijn daarom niet bruikbaar voor deze procedure. Eisers hebben dus onvoldoende onderbouwd waarom hun belangen met het besluit onevenredig zouden worden geschaad.
6.5.
De rechtbank merkt op dat de aanwijzing niet betekent dat het pand niet meer verduurzaamd kan worden of dat daar per definitie kostbare eisen aan worden gesteld. Verder geldt dat als de VvE concrete plannen heeft en voor de realisatie van deze plannen een aanvraag indient voor een omgevingsvergunning, de financiële belangen van de VvE bij de beoordeling van die aanvraag door het college ook in volle omvang zullen moeten worden meegewogen. [6]
Expertisekosten
7. Eisers voeren aan dat het op de weg van het college had gelegen om, in het kader van
equality of arms, eisers een financiële bijdrage te geven om zich te voorzien van contra-expertise. Dat is zeker zo nu de aanvankelijke beslissing op bezwaar door de rechtbank is vernietigd.
7.1.
Volgens het college bestond er voor haar geen grondslag om de kosten van contra-expertise voor eisers op voorhand te vergoeden.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In het bestuursprocesrecht is het uitgangspunt dat een partij zelf de kosten van het inschakelen van een deskundige draagt. Deze kosten worden in bezwaar op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, uitsluitend door het bestuursorgaan vergoed voor zover het besluit waartegen bezwaar is gemaakt wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Aangezien deze situatie bij het bestreden besluit niet aan de orde was, hoefde het college geen deskundigenkosten aan eisers te betalen.
7.3.
Ook voor deze beroepsprocedure geldt dat er voor het college geen verplichting was om deskundigenkosten op voorhand te vergoeden of voor te schieten. De Awb gaat ervan uit dat een belanghebbende deze kosten zelf dient te maken en deze eventueel – bij een geslaagd beroep – vergoed krijgt. Het is aan eisers om een afweging te maken of zij dit financiële risico willen nemen.
7.4.
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat zij ook geen aanleiding ziet om zelf een deskundige te benoemen in deze zaak. Daarvoor hebben eisers onvoldoende twijfel gezaaid over de deugdelijkheid van de deskundigenadviezen waarop het college zich heeft gebaseerd. Ook ten aanzien van de financiële gevolgen van het aanwijzingsbesluit zal de rechtbank geen deskundige benoemen. Daarvoor hebben eisers onvoldoende aanknopingspunten gegeven voor hun vrees voor de door hen gestelde financiële gevolgen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument in stand blijft. Eisers krijgen het griffierecht niet terug en zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van
mr.H.J. van der Meiden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
de griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Deze uitspraak heeft het ECLI-nummer ECLI:NL:RBOBR:2025:1776.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3323, overweging 4.1.
3.Zie voor dit toetsingskader bijvoorbeeld de uitspraak van 12 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:61, overweging 6.
4.Dit toetsingskader is ook terug te lezen in de in voetnoot 3 vermelde uitspraak.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:317, overweging 6.1.
6.Zie de in de vorige voetnoot genoemde uitspraak, ook in overweging 6.1.