ECLI:NL:RBOBR:2026:5157

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
26/661
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 23.2.3 bestemmingsplan Buitengebied 2019Art. 38.1.3 bestemmingsplan Buitengebied Cuijk, geconsolideerd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgevingsvergunning bouw schuur wegens strijd met omgevingsplan en onvoldoende dienstbaarheid college

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een schuur op zijn perceel, die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk is afgewezen vanwege strijd met het omgevingsplan. De schuur zou leiden tot een te groot oppervlakte aan bijgebouwen, wat niet binnen de toegestane maximale oppervlakte past.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft geoordeeld dat de bouw van de schuur in strijd is met het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2019, herziening 2016’ en dat de aanvraag niet als buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden vergund. Het college heeft daarbij een redelijke afweging gemaakt waarbij het belang van het behoud van de ruimtelijke kwaliteit zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiser.

Eiser stelde dat het college zich dienstbaarder had moeten opstellen en had moeten meedenken over alternatieven, bijvoorbeeld via de natuurcompensatiemogelijkheid. De rechtbank stelt echter dat het college alleen op de ingediende aanvraag mag beslissen en dat de omvangrijke aanpassingen die nodig zouden zijn om de natuurcompensatie toe te passen niet zijn weersproken door eiser.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, de afwijzing van de aanvraag blijft in stand, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter O.Y. Ifzaren op 21 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de omgevingsvergunning voor de bouw van de schuur.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/661 OWBOUW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk

(gemachtigde: mr. R.H.A.G. Vervoort).

Samenvatting

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een schuur. Deze aanvraag is door het college afgewezen omdat er door de bouw een te groot oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel van eiser zou ontstaan. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Volgens hem had het college zich meedenkender en dienstbaarder op moeten stellen en was de aanvraag best toewijsbaar binnen de regels van het omgevingsplan. Zo nodig had de bouw van de schuur als buitenplanse omgevingsplanactiviteit moeten worden vergund.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat de bouw van de schuur in strijd zou zijn met het omgevingsplan. Het college heeft zich vervolgens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de totstandkoming van de schuur afbreuk zou doen aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties ter plaatse. De schuur kon daarom niet als buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden vergund. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit, namelijk het bouwen van een schuur. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 augustus 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 februari 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Eiser wenst op zijn perceel aanwezige bebouwing te slopen en in plaats daarvan een schuur te bouwen. De voorgenomen oppervlakte van de schuur bedraagt 152 m2. De te slopen bouwwerken hebben een oppervlakte van 164 m2 en 48 m2.
3.1.
Op de projectlocatie is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2019, herziening 2016’ van toepassing. Dit bestemmingsplan maakt op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk. De projectlocatie heeft op grond van dit bestemmingsplan de bestemming ‘Wonen’. Op grond van artikel 23.2.3 van dit bestemmingsplan is het bouwen van bijbehorende bouwwerken – zoals de aangevraagde schuur – uitsluitend mogelijk zolang de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken ter plaatse niet meer bedraagt dan 100 m2.
3.2.
Op de projectlocatie is ook het bestemmingsplan ‘Buitengebied Cuijk, geconsolideerd’ van toepassing. Artikel 38.1.3 van dit bestemmingsplan bepaalt:
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van de bestemmingsregels ten aanzien van het bouwen van (bedrijfs)woningen en bijbehorende bouwwerken, waarbij geldt dat:
a. Bij sloop van overtollige bedrijfsbebouwing, ofwel 15% van de oppervlakte van de overtollige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een maximum van 900 m3 en/of 15% van de oppervlakte van de overtollige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 250 m².
b. Bij in te richten of te beplanten gronden als natuur mag 5% van de oppervlakte worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een maximum van 900 m3 en/of 5% van de oppervlakte mag worden toegevoegd aan de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 250 m².
Strijd met omgevingsplan?
4. Eiser voert aan dat het college de aanvraag had moeten toewijzen met toepassing van artikel 38.1.3 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Cuijk, geconsolideerd’. Volgens hem blijft de schuur binnen de maximaal toegestane 250 m2. Er is dus geen sprake van strijd met het omgevingsplan.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de voorgenomen sloop geen betrekking heeft op bedrijfsgebouwen omdat het perceel een woonbestemming heeft. Daarom is artikel 38.1.3 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Cuijk, geconsolideerd’ niet van toepassing. Ook als dat anders was, dan kwam de aanvraag cijfermatig niet uit. Eiser neemt zich voor om 212 m2 te slopen. Dat betekent dat 15% daarvan, 32 m2, mag worden toegevoegd aan de bestaande maximale oppervlakte van 100 m2. De totale maximale oppervlakte wordt daarmee 132 m2. Op het perceel is echter al een garage aanwezig van 72 m2. Dat betekent dat na realisatie van de door eiser beoogde schuur de totale oppervlakte aan bijbehorende bijgebouwen 224 m2 zou bedragen. Dat gaat de maximale oppervlakte te boven.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat de maximale bebouwingsoppervlakte voor bijbehorende bouwwerken ook na de voorgenomen sloop van de bestaande bebouwing – zo deze sloop al voldoet aan de criteria van de compensatieregeling – wordt overschreden. De aanvraag is dus in strijd met het omgevingsplan.
Buitenplanse afwijking mogelijk?
5. Volgens eiser had het college moeten bezien of het mogelijk was om de aanvraag te vergunnen als buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarbij lag het op de weg van het college om het belang dat eiser heeft om zijn bijkluswerkzaamheden voort te zetten, zwaarder te laten wegen dan de ruimtelijke belangen die zijn gemoeid met het handhaven van de planregels rondom de maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken. De ruimtelijke uitstraling van de schuur is immers beperkt.
5.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het de omvang en de locatie van de schuur te overheersend vindt ten opzichte van het hoofdgebouw, de woning. De woning heeft namelijk een oppervlakte van 157 m2, zodat de schuur bijna even groot is. Met de bouw van de schuur gaat het karakter van het perceel meer richting een bedrijfsmatig gebruik, terwijl het college juist vast wil houden aan de beoogde woonbestemming. Dat is zeker het geval nu de naastgelegen percelen door toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling een ruimtelijke kwaliteitssprong hebben gemaakt. Daar zou bij realisatie van de aangevraagde schuur afbreuk aan worden gedaan. Bovendien zou het hoofdgebouw door de realisatie van de schuur ingekapseld worden door twee bijbehorende bouwwerken, wat afbreuk zou doen aan de landschappelijke kwaliteit van het perceel van eiser. De schuur is stedenbouwkundig daarom niet aanvaardbaar en voldoet niet aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Wanneer een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zoals in deze zaak aan de orde, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat staat in artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het college komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft met de gegeven motivering tot het oordeel kunnen komen dat de aanvraag niet voldoet aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft het belang van het behoud en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving ook zwaarder mogen laten wegen dan het persoonlijk belang van eiser.
Heeft het college voldoende met eiser meegedacht?
6. Eiser voert aan dat het college onvoldoende dienstbaar is geweest in het begeleiden van de aanvraag. Het college had eiser niet alleen moeten vertellen dat de aanvraag niet kan worden ingewilligd, maar had ook moeten bekijken hoe de schuur wél realiseerbaar is. Bijvoorbeeld door voorstellen te doen om de aanvraag aan te passen zodat wordt voldaan aan de natuurcompensatiemogelijkheid die het omgevingsplan biedt.
6.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het de aanvraag moet beoordelen zoals deze is ingediend. Dat heeft het gedaan en dat heeft geleid tot een afwijzing van de aanvraag. Het college is bereid om met eiser in gesprek te gaan over de mogelijkheden om bouwwerken op zijn perceel te realiseren, maar dat gaat buiten het bestek van de beoordeling van deze aanvraag om. Een succesvol beroep op de natuurcompensatiemogelijkheid zou in dit geval namelijk vergen dat 2.480 m2 aan natuurontwikkeling zou worden gerealiseerd.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college dient te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Het college kan de aanvraag in principe niet in gewijzigde vorm vergunnen, tenzij het gaat om wijzigingen van ondergeschikte betekenis. Eiser heeft niet inhoudelijk weersproken dat de natuurcompensatiemogelijkheid omvangrijke aanpassingen van de aanvraag zouden vergen. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er geen mogelijkheid was om de aanvraag in aangepaste vorm te vergunnen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt niet de vergunning die hij wil. Hij krijgt het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
de griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.