ECLI:NL:RBOBR:2026:5158

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
26/1704
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:40a APV EindhovenArt. 174 GemeentewetArt. 6:16 AwbArt. 8:81 AwbArt. 2:27 APV Eindhoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting horecapanden wegens ernstige verstoring openbare orde

De burgemeester van Eindhoven besloot op 2 juni 2026 tot sluiting van twee horecapanden voor zes weken vanwege een ernstige verstoring van de openbare orde, waaronder een steekincident. Verzoeker, eigenaar van beide panden, maakte bezwaar en vroeg om opschorting van het besluit via een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het steekincident een ernstige verstoring van de openbare orde vormt en dat de burgemeester bevoegd is het café te sluiten. De burgemeester heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom ook het naastgelegen eethuis, dat geen functionele samenhang vertoont met het café, gesloten mocht worden. Daarom is de sluiting van het eethuis onbevoegd.

Daarnaast is de sluiting van het café voor zes weken wel noodzakelijk, maar onvoldoende evenwichtig gemotiveerd, omdat de burgemeester niet heeft betrokken dat de intrekking van de alcohol- en kansspelvergunningen grote gevolgen heeft. De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen, het besluit geschorst en de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het besluit tot sluiting van twee horecapanden wordt geschorst; sluiting van één pand is onbevoegd en de sluiting van het andere pand onvoldoende gemotiveerd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1704

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar),
en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, de burgemeester

(gemachtigden: M.L.M. Lammerschop en A. Dijks).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester tot sluiting van twee horecapanden aan de [adres] en [adres] in [vestigingsplaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen, of het bezwaar tegen het bestreden besluit een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 2 juni 2026, verzonden op 4 juni 2026, heeft de burgemeester besloten twee panden van verzoeker, te weten [naam] en [naam] , aan de [adres] en [adres] in [vestigingsplaats] te sluiten voor de duur van
zes weken. Ook heeft de burgemeester de alcoholwetvergunning en de aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten van beide zaken ingetrokken.
2.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen zodat het besluit van de burgemeester wordt opgeschort totdat er is beslist op zijn bezwaar.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.

Totstandkoming van het besluit

3. [naam] en [naam] zijn horecabedrijven gevestigd aan de [adres] en [adres] in [vestigingsplaats] . Verzoeker is de eigenaar en exploitant van beide ondernemingen.
3.1.
Op 15 mei 2026 werd naar aanleiding van een bij de politie binnengekomen melding van een steekpartij, een onderzoek ingesteld op het adres [adres] en [adres] in [vestigingsplaats] . In de naar aanleiding van het onderzoek door de politie opgemaakte bestuurlijke rapportage is het volgende opgenomen:
“(…)
Op 15 mei 2026 omstreeks 20.26 uur komt er via 112 een melding binnen van een vechtpartij. Twee melders bellen met 112. De melders vertellen dat er een vechtpartij plaatsvind bij [naam] gelegen aan de [adres] . Zij meldde ook dat een persoon in zijn hoofd is gestoken. Diverse eenheden zijn ter plaatse gegaan. Collega’s troffen 15 à 20 mensen aan op het trottoir vóór [naam] en [naam] .
(…)
Diverse eenheden zijn vervolgens zowel [naam] als het [naam] ingelopen. Op de voordeur van [naam] werden bloedsporen gezien. In het [naam] werden in een ruimte na de bar diverse bloedsporen aangetroffen. Op een tafel waarop je digitaal spellen kunt spelen en ook op de houten vloer en een stoel.
In het café werd ook eigenaar [naam] aangetroffen. Hij gaf aan dat hij niets gezien had. Door collega’s werd gezien dat er camera’s hingen in het café. Eigenaar [naam] , gaf aan dat de camera’s sinds 2 dagen niet werkte door een internetstoring. Collega’s zagen echter in de app op de telefoon van eigenaar [naam] dat er tot 15 mei opnames werden weergegeven.
Diverse collega’s hebben verder onderzoek gedaan bij het café en [naam] . Zo kwamen wij in de gezamenlijke buitenruimte van beide gelegenheden. Collega’s zagen hier dat er was gepoogd met water bloedsporen te verwijderen. Collega’s zagen dat er een verbinding was tussen [naam] en [naam] .
Buiten op straat voor het [naam] en [naam] was veel tumult door omstanders toen de eenheden van de politie ter plaatse kwamen.
Uit de wijk krijg ik rapporteur diverse signalen van onveiligheidsgevoelens door de aanwezigheid van vooral het [naam] , maar inmiddels ook [naam] . De laatste jaren zijn er meldingen geweest van een flinke vechtpartij in 2022 waarbij ook een schot gelost zou zijn door de destijds aanwezigen, zwaar vuurwerk afsteken met oud en nieuw, tot deal activiteiten en het gebruiken van lachgas door bezoekers van het café.
(…)
Verklaringen verdachten en getuigen
Getuige meldt dat er personen tegen elkaar aan het schreeuwen zijn
Getuige meldt dat er een man in het hoofd gestoken is
Het slachtoffer verklaarde door een jongen te zijn gestoken in het [naam] , vervolgens naar de voorzijde van het café. Buiten bij het [naam] kreeg hij een kopstoot van een oudere man van ongeveer 50 a 60 jaar met wit/grijs haar waarna hij vervolgens via het [naam] weer op de buitenlocatie aan de achterzijde terecht kwam van beide gelegenheden. Hier is het slachtoffer weggelopen via de steeg aan de achterzijde. Aldaar kom je op de [adres] te [woonplaats] . Hier is het slachtoffer opgevangen door bewoners aldaar
(…)
Verdachte verklaard dat we de camerabeelden goed moeten bekijken want hij heeft zelf niet gestoken.
(…)
Conclusies en aanbevelingen
[naam] , gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] , wordt gedurende het jaar in verband gebracht met overdrachten van vermoedelijk verdovende middelen, grote contante geldbedragen en criminele ontmoetingen. Op basis van de bevindingen van de verbalisanten die verspreid over het jaar zijn vastgelegd én in combinatie met het proces-verbaal van Team Criminele Inlichtingen, is het aannemelijk dat de locatie [naam] een faciliterende rol heeft in de georganiseerde criminaliteit.
(…)”.
3.2.
In een aanvullende bestuurlijke rapportage is over de verklaringen van de verdachte het volgende opgenomen:
“(…)
Eerste verklaring verdachte:
Verdachte verklaard dat hij in het café zat en dat er twee mannen binnen kwamen die hem aanvielen. Verdachte verklaard dat hij een mes in het café kon pakken en daarmee zwaaide. Verdachte verklaard dat de mannen hem vasthielden totdat een restaurant medewerker hen uit elkaar haalde. Verdachte verklaard te hebben gehandeld uit zelfverdediging

Tweede verklaring verdachte:

“Gisteren zat ik bij [naam] in [vestigingsplaats] . Er liepen twee (2) mannen naar binnen die mij aanvielen en ik kon op dat moment in het café naar een mes grijpen en toen zwaaide ik een keer met het mes. Ze bleven doorgaan tot er een restaurantmedewerker kwam die het lukte om ons uit elkaar te halen. Ze hielden mij nog steeds vast en sloegen mij. Ik heb puur uit zelfverdediging gehandeld. Binnen zitten ook camera’s, Het kan niet zo zijn dat het niet is opgenomen, dat moet wel”.
V: waar heb je dat mes uiteindelijk gelaten?
A: “Ik heb het mes gewoon losgelaten. Ik heb niet gestoken. Ik heb wel een afwerende beweging gemaakt dat wel. Ik weet niet wie of dat iemand het mes heeft meegenomen”.
V: Waar lag dat mes precies in het café?
A: “ik zou het niet meer weten. Ik kon ernaar grijpen”.
(…)”.
3.3.
Op 21 mei 2026 heeft de burgemeester aan verzoeker medegedeeld dat hij voornemens is om de panden aan de [adres] en [adres] voor de duur van zes weken te sluiten en de alcoholwetvergunning en de aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten van beide zaken in te trekken.
3.4.
Op 27 mei 2026 heeft verzoeker zijn zienswijze op dit voornemen gegeven.
3.5.
Wat er verder is gebeurd staat onder het kopje ‘procesverloop’.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Uitgangspunt van de wet is dat het instellen van bezwaar de werking van een besluit niet opschort. [1] Dit betekent dat het bestreden besluit van kracht blijft, ook als daartegen bezwaar is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. Als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [2] De verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat hij de uitspraak op zijn bezwaar niet kan afwachten en die een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen.
4.1
Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium op het eventuele beroep beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.
Is sprake van onverwijlde spoed?
5. Het bestreden besluit houdt in dat de panden van verzoeker op korte termijn zullen worden gesloten en heeft dus tot gevolg dat verzoeker zijn daarin gevestigde horecazaken niet meer kan exploiteren. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed.
Over de rechtmatigheid van de sluiting
6. Aan de hand van de door verzoeker aangevoerde gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van de sluiting.
6.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
Het wettelijk kader
7. Op grond van artikel 2:40a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening Eindhoven (APV) kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, bevelen dat een of meer openbare inrichtingen [3] tijdelijk worden gesloten. De APV is een verordening als bedoeld in artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet. Ter invulling van de sluitingsbevoegdheid uit artikel 2:40a van de APV heeft de gemeente Eindhoven het Horecastappenplan 2016 (HSP) opgesteld. Hoofdstuk 14 van het HSP ziet op een (dreigend(e)) ernstig incident of ernstige verstoring van de openbare orde. Als sprake is van een (dreigend(e)) ernstig incident of ernstige verstoring van de openbare orde kan een horecabedrijf zonder voorafgaande stap tijdelijk worden gesloten en/of kan worden overwogen of de drank- en horecavergunning of exploitatievergunning kan, dan wel moet worden ingetrokken. De duur van de op die manier op te leggen sluiting is maximaal twaalf maanden.
Het bestreden besluit
8. Volgens de burgemeester heeft zich in [naam] een steekincident voorgedaan waarbij een man ernstig gewond is geraakt. Dit is volgens de burgemeester een ernstige verstoring van de openbare orde op grond waarvan hij bevoegd is de panden van verzoeker tijdelijk te sluiten. De burgemeester heeft daarbij meegenomen dat verzoeker een niet meewerkende houding zou hebben gehad. Volgens de burgemeester heeft verzoeker gezegd dat de camera’s in [naam] niet zouden werken, maar komt dit niet overeen met de bevindingen van de politie. Ook zou een medewerker van verzoeker gepoogd hebben om bloedsporen uit het café te verwijderen. Verder heeft de burgemeester meegewogen dat er al vaker meldingen zijn binnengekomen over ongeregeldheden bij [naam] . Volgens de burgemeester is sluiting van de panden noodzakelijk voor het herstellen van de openbare orde en het garanderen van rust voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Omdat de panden van [naam] en [naam] een functionele eenheid vormen, vindt de burgemeester het noodzakelijk om beide panden te sluiten en niet alleen het pand van [naam] . Volgens de burgemeester is sluiting voor de duur van zes weken ook evenredig. Met de sluiting van zes weken blijft de burgemeester ver onder de maximaal mogelijke sluitingsduur van twaalf maanden die kan worden opgelegd bij een ernstige verstoring van de openbare orde. Omdat de panden worden gesloten voor de duur van zes weken, is de burgemeester van mening dat ook de alcoholwetvergunning en de aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten moeten worden ingetrokken.
Was de burgemeester bevoegd de panden te sluiten?
9. Op grond van het hierboven genoemde wettelijke kader is de burgemeester bevoegd een pand te sluiten als daar een ernstig incident of een ernstige verstoring van de openbare orde heeft plaatsgevonden. Een steekpartij waarbij iemand gewond is geraakt is, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, aan te merken als een ernstige verstoring van de openbare orde.
9.1
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende komen vast te staan dat het steekincident zich heeft voorgedaan in [naam] . In de bestuurlijke rapportage staat dat het slachtoffer heeft verklaard dat hij in het café is gestoken. Hij zou vervolgens naar buiten zijn gelopen en daar, voor de deur van [naam] , een kopstoot hebben gekregen. Vervolgens zou hij via [naam] weer naar de achterzijde van de panden zijn gelopen en vervolgens door de steeg, die uitkomt op de [adres] , zijn weggelopen. Uit de aanvullende bestuurlijke rapportage blijkt dat ook de verdachte heeft verklaard dat het incident plaatsvond in [naam] . Volgens de verdachte heeft hij niet gestoken, maar wel in het café met een mes gezwaaid, omdat hij zich bedreigd voelde door andere cafébezoekers. Ook merkt de politie in de bestuurlijke rapportage op dat ‘sporen duidelijk maken dat de steekpartij in het café heeft plaatsgevonden’. De burgemeester mag uitgaan van de op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage en daaruit blijkt dat de steekpartij in het café heeft plaatsgevonden.
9.2.
De verklaring van verzoeker zelf dat de steekpartij niet in het café, maar in de openbare steeg achter het café plaatsvond, volgt de voorzieningenrechter niet. Deze verklaring komt niet overeen met wat in de bestuurlijke rapportage is opgenomen en blijkt ook, anders dan verzoeker vindt, niet uit het proces-verbaal van bevindingen dat door verzoeker is overgelegd. Ook de door verzoeker overgelegde verklaringen van buren en cafébezoekers maken dit niet anders. Die verklaringen zijn niet aan te merken als objectieve verklaringen.
9.3
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester bevoegd is [naam] te sluiten voor de duur van zes weken. Dit geldt echter niet voor [naam] . Volgens de burgemeester heeft hij ook het eethuis kunnen sluiten omdat sprake is van een functionele samenhang tussen de panden van [naam] en [naam] . De voorzieningenrechter volgt de burgemeester hierin niet. Vanaf de straatzijde, de voorzijde van de panden, is niet te zien dat de panden met elkaar verbonden zijn. Ook intern zijn het twee aparte panden, met ieder een eigen ingang, keuken en toiletgroep en er is geen doorgang naar elkaar. De panden hebben alleen een gezamenlijke serre/buitenruimte. Het is niet in geschil dat die buitenruimte niet betrokken is bij de exploitatie van één van beide zaken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat alleen die gezamenlijke buitenruimte onvoldoende is om te spreken van een functionele samenhang tussen de panden. Het steekincident heeft plaatsgevonden in het café en ook de eerdere gebeurtenissen en ordeverstoringen waarover in de bestuurlijke rapportage wordt gesproken, zien met name op het café en minder op het eethuis. Bij de steekpartij is niet gebleken van betrokkenheid van het eethuis. In de buitenruimte en in het café zijn bloedsporen van het slachtoffer aangetroffen, evenals aan de buitenzijde van de deur van het eethuis, maar niet in het eethuis. Omdat uit de bestuurlijke rapportage verder niet blijkt dat er iets in aantroffen in het eethuis wat te linken is aan de steekpartij en omdat onvoldoende sprake is van een functionele samenhang tussen de panden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester niet bevoegd was om naast [naam] ook [naam] te sluiten voor de duur van zes weken. In zoverre komt het verzoek om voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking.
9.4.
Omdat de burgemeester niet bevoegd was om [naam] te sluiten en het verzoek om voorlopige voorziening in zoverre zal worden toegewezen, zal de voorzieningenrechter hieronder alleen nog beoordelen of de sluiting van [naam] voor de duur van zes weken ook evenredig is.
De evenredigheid; is sluiting van [naam] noodzakelijk?
10.Nu is vastgesteld dat de burgemeester bevoegd is [naam] te sluiten, moet vervolgens bekeken worden of die sluiting ook noodzakelijk is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat het geval. Een steekpartij met een gewonde tot gevolg is een ernstige verstoring van de openbare orde. Daar komt bij dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat dit niet de eerste openbare ordeverstoring is die gelinkt kan worden aan het café. De politie gaat in de bestuurlijke rapportage uitgebreid in op wat er in het verleden al meer is voorgevallen en wat de gevolgen daarvan zijn voor het gevoel van veiligheid voor omwonenden. Zo blijkt uit de bestuurlijke rapportage onder meer dat bij de politie meerdere meldingen over het café zijn binnengekomen over geluidsoverlast en overlast in verband met drugsgebruik, drugshandel en andere criminele activiteiten. Dit is voor de politie ook aanleiding geweest om (vaste) bezoekers van het café in kaart te brengen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt alleen hieruit al dat zich al vaker overlastsituaties hebben voorgedaan vanuit het café en dat het café al een tijdje onder een vergrootglas van de politie ligt.
10.1.
Het doel van de sluiting is het herstellen van de openbare orde en het creëren van rust in de omgeving. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester voor het behalen van die doelen sluiting van het café noodzakelijk mogen vinden.
De evenredigheid; is de sluiting evenwichtig?
11
.Nu hiervoor is vastgesteld dat de burgemeester bevoegd was het café te sluiten en dat de burgemeester sluiting van het café ook noodzakelijk heeft mogen vinden, ligt de vraag voor of sluiting voor de duur van zes weken evenwichtig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. De burgemeester overweegt terecht dat een steekpartij een ernstige verstoring is van de openbare orde en op grond van het HSP kan de burgemeester in zo’n geval sluiten voor maximaal twaalf maanden. Hier blijft de burgemeester met een sluiting van zes weken ruim onder. Ook heeft de burgemeester mogen vinden dat verzoeker een verwijt valt te maken. Hij is verantwoordelijk voor wat er in zijn café gebeurt. Bij de politie zijn in het verleden al eerder meldingen van overlast van het café binnengekomen en het is aan verzoeker om overlast in of door zijn onderneming te voorkomen.
11.1.
Sluiting van het café voor de duur van zes weken heeft echter ook tot gevolg dat de alcoholwetvergunning en de aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten voor de onderneming wordt ingetrokken. Niet in geschil is dat de gevolgen hiervan groot zijn voor verzoeker. Na ommekomst van de termijn van sluiting zal het café weer open mogen, maar de vergunningen herleven dan niet automatisch en zullen opnieuw moeten worden aangevraagd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester deze nadelige gevolgen onvoldoende betrokken in zijn afweging of sluiting voor de duur van zes weken evenredig is. De burgemeester motiveert in het bestreden besluit wel waarom hij de sluiting evenredig vindt, maar pas in het volgende kopje van het besluit vermeldt hij dat de alcoholwetvergunning en de aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten worden ingetrokken. Dit neemt de burgemeester niet kenbaar mee in zijn afweging of de sluiting evenredig is, terwijl juist dit flinke gevolgen zal hebben voor verzoeker. Ook tijdens de zitting heeft de burgemeester desgevraagd niet uitgelegd hoe hij het intrekken van de vergunningen heeft meegenomen in zijn afweging of sluiting voor de duur van zes weken evenwichtig is. De voorzieningenrechter begrijpt dat de vergunningen van rechtswege worden ingetrokken bij een sluiting van langer dan één maand, maar de burgemeester had dit in zijn afweging mee moeten nemen. Op dit punt is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op het voorgaande is de burgemeester van oordeel dat de burgemeester niet bevoegd is om [naam] voor de duur van zes weken te sluiten. Wel is de burgemeester bevoegd [naam] te sluiten en heeft de burgemeester die sluiting ook noodzakelijk mogen vinden. De burgmeester heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat sluiting van [naam] voor de duur van zes weken ook evenwichtig is. Gelet op dit motiveringsgebrek en kijkende naar de belangen die op het spel staan, schorst de voorzieningenrechter het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar. Dit betekent dat zowel [naam] als [naam] gedurende die periode open mogen blijven.
12.2.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de burgemeester het griffierecht aan verzoeker moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in
totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
  • schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.H. Nelissen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. J.A. Habraken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 6:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
2.Dat is geregeld in artikel 8:81 van Pro de Awb.
3.Als bedoeld in artikel 2:27 van Pro de