ECLI:NL:RBOBR:2026:5191

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
26/1893
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 5.1 lid 1 sub a OmgevingswetArt. 5.1 lid 2 sub a OmgevingswetHoofdstuk 8 afdeling 1 Besluit kwaliteit leefomgevingHoofdstuk 8 afdeling 3 Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning tijdelijke schoollocatie

De zaak betreft een verzoek tot een voorlopige voorziening om de bouw en ingebruikname van een tijdelijke noodlocatie voor een school te schorsen totdat op het bezwaar tegen de omgevingsvergunning is beslist. De vergunning is verleend voor een modulair schoolgebouw met een instandhoudingstermijn tot 1 september 2029.

Verzoeker, die naast de locatie woont, vreest geluidsoverlast, verkeershinder en verlies van groen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek een voorlopig karakter heeft en dat alleen bij een ernstig gebrek in het besluit aanleiding bestaat tot schorsing. Het college heeft gemotiveerd dat de locatie noodzakelijk is voor de continuïteit van de school en dat alternatieven niet aannemelijk minder bezwaren opleveren.

Het akoestisch onderzoek toont aan dat de geluidbelasting, inclusief stemgeluid, binnen aanvaardbare normen blijft, ook in een worstcasescenario. De parkeerdruk is onderzocht en voldoende geacht, met maatregelen voor verkeersveiligheid. Het tijdelijke karakter van de locatie en het herstel van groen na afloop zijn gewaarborgd. De belangen van verzoeker wegen niet zwaarder dan het maatschappelijk belang van de onderwijsvoorziening.

De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen en dat het bestreden besluit voorlopig in stand blijft.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de tijdelijke schoollocatie wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1893

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college
(gemachtigden: mr. A.M. Huiswoud, B. Kielen en J.M. Gordijn).

Samenvatting

1. Met het besluit van 18 mei 2026 heeft het college aan de gemeente als vergunninghouder een omgevingsvergunning (technische bouwactiviteit, omgevingsplanactiviteit bouwen en een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) voor het plaatsen en het in gebruik nemen van een tijdelijk modulair schoolgebouw aan de [adres] in [woonplaats] verleend. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente [woonplaats] , sectie [nummer] , perceelnummer [nummer] en [nummer] . De omgevingsvergunning heeft een instandhoudingstermijn tot 1 september 2029.
2. Verzoeker woont naast de tijdelijke locatie van de school. Hij heeft tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorzienig te treffen. Verzoeker vreest onder meer voor geluidsoverlast.
2.1.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift. De gebruiker van het tijdelijk schoolgebouw, Stichting [naam] e.o. (de stichting), heeft ook een reactie ingediend. Tussen partijen is niet in geschil dat het eerder aanwezige groen is verwijderd en de noodlokalen reeds geplaatst zijn. Het terrein moet verder nog wel worden ingericht.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van het college en de heer [naam] namens de stichting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Het wettelijk kader dat relevant is voor de beoordeling van dit geschil is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
3.1.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter moet de voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit worden afgewezen. De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist. De voorzieningenrechter acht in beginsel spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aanwezig, nu er nog gebouwd wordt op het terrein.
Wat beoordeelt de voorzieningenrechter?
5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het bestreden besluit zo gebrekkig is dat dit in de heroverweging in bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter geeft in deze uitspraak daarom eerst een voorlopig oordeel over de kans van slagen van het bezwaar en daarmee over de vraag of de omgevingsvergunning rechtmatig is verleend of niet. Daarna zal de voorzieningenrechter beoordelen of het belang van verzoekers om de omgevingsvergunning te schorsen al dan niet zwaarder moeten wegen dan het belang van het college en vergunninghouder om de omgevingsvergunning in stand te laten. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is voor het belang van verzoekers.
Toetsingskader
6. Het college heeft een drietal omgevingsvergunningen verleend. Deze zijn te onderscheiden in een technisch en een ruimtelijk deel. Voor elk onderdeel geldt een ander toetsingskader.
Technisch
  • artikel 5.1 lid 2 sub a Omgevingswet.
  • hoofdstuk 8, afdeling 3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Ruimtelijk
  • artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet.
  • hoofdstuk 8, afdeling 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl),
  • het omgevingsplan van de gemeente Eindhoven
  • Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Eindhoven (APV).
Het plan is in strijd met het geldende 'Omgevingsplan gemeente Eindhoven', waarvan de volgende bestemmingsplannen onderdeel uitmaken:
 Het bestemmingsplan 'Gestel buiten de Ring 2020' en waar de volgende bestemmingen van toepassing zijn:
o Groen (artikel 8);
o Waarde-Cultuurhistorie-1 (artikel 21):
o Waarde-Cultuurhistorie-2 (artikel 22);
  • De paraplu-bestemmingsplannen 'Parkeren, kamerbewoning en woningsplitsing 2021', 'Waterberging' en 'Archeologie 2023'.
  • Het plan is in strijd met de gebruiksvoorschriften zoals gesteld in artikel 8, lid 8.1 van het bestemmingsplan 'Gestel buiten de Ring 2020'.
Alternatieve locaties
7. Verzoeker stelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het schoolgebouw op deze locatie moet komen en waarom de belangen van omwonenden daarvoor moeten wijken. Daarnaast had moeten worden toegelicht waarom is gekozen voor deze groene locatie direct naast woningen en niet voor een minder belastende alternatieve locatie, zoals een reeds verhard terrein, een ander grasveld of een plek op grotere afstand van woningen.
7.1.
Het college stelt dat de tijdelijke huisvesting voorziet in een dringende maatschappelijke behoefte en de gekozen locatie ruimtelijk geschikt is. De wet verplicht ook niet om alle mogelijke alternatieve locaties te onderzoeken of de best denkbare locatie te kiezen; bepalend is of de aangevraagde locatie ruimtelijk aanvaardbaar is.
Volgens het college is de gekozen locatie noodzakelijk om de continuïteit en het voortbestaan van basisschool [naam] te waarborgen. Omdat de nieuwbouw zich in een ander leerlingengebied bevindt en de school kampt met teruglopende leerlingaantallen, is het van belang dat de school al tijdens de bouwperiode in het toekomstige verzorgingsgebied is gevestigd. Na overleg met de betrokken partijen is de locatie geselecteerd op basis van verschillende criteria, waaronder de nabijheid van de toekomstige school, bereikbaarheid, verkeersveiligheid, ruimtelijke inpasbaarheid, eigendom van de gemeente en de beperkte gevolgen voor de omgeving. Op grond hiervan concludeert het college dat de gekozen locatie het meest geschikt is voor de tijdelijke huisvesting.
7.2.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn standpunt. Zoals het college in het verweerschrift heeft gesteld, geldt, op grond van vaste rechtspraak, dat, als een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingt, als op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [1] De voorzieningenrechter kan het college, mede gelet op de nadere toelichting in het verweerschrift en ter zitting, volgen in het standpunt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat een andere locatie voorziet in een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bewaren. Verzoeker heeft namelijk geen andere locaties aangedragen.
Geluid
8. Verzoeker voert aan dat de gemeente erkent dat de geluidbelasting, inclusief stemgeluid, de standaardwaarde overschrijdt, maar dit desondanks aanvaardbaar acht vanwege het tijdelijke karakter van de situatie, de verwachte gefaseerde groei van het aantal leerlingen en het feit dat de school alleen overdag geopend is. Volgens verzoeker moet de beoordeling echter uitgaan van de maximale situatie die de vergunning mogelijk maakt en niet van de verwachting dat dit maximum mogelijk niet wordt bereikt. Daarbij wordt aangevoerd dat een tijdelijke periode tot 1 september 2029 voor omwonenden nog steeds een aanzienlijke duur heeft. Daarnaast wijst verzoeker op de geluidsoverlast die ontstaat door haal- en brengverkeer, zoals optrekkende en remmende auto's, dichtslaande portieren, scooters, pratende ouders en spelende of roepende kinderen.
9. Het college stelt dat voldoende is onderbouwd dat sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat de tijdelijke school, ook in een worstcasescenario met 128 leerlingen, voldoet aan de geldende geluidnormen. Het stemgeluid van spelende kinderen is aanvullend onderzocht en betrokken bij de beoordeling. Volgens het college gaat het om een tijdelijke en beperkte geluidbelasting die voornamelijk overdag en gedurende korte momenten optreedt. De gevolgen voor omliggende woningen blijven volgens het onderzoek beperkt en zijn aanvaardbaar gelet op de tijdelijke aard van de ontwikkeling en het maatschappelijk belang van de onderwijsvoorziening. Volgens het college maakt de door verzoeker verwachte hinder niet dat het onderzoek onjuist is of dat de vergunning vanwege geluid niet verleend had mogen worden.
9.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het college terecht heeft gesteld dat het stemgeluid op grond van artikel 22.70 van de Bruidsschat van de kinderen op het (speel)terrein mag worden uitgesloten van toetsing aan geluidsnormen, maar dit laat onverlet dat bij de verlening van een omgevingsvergunning het stemgeluid wel moet worden meegenomen in de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het is aan het college om daarbij te beoordelen of het bouwplan tot een zodanige verslechtering van de geluidssituatie leidt dat sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden. Volgens het college is van een zodanige verslechtering geen sprake omdat het gaat om een tijdelijke en beperkte geluidsbelasting gaat. In het eerste jaar gaat om het om circa 18 leerlingen, welke hoeveelheid gestaag zal oplopen.
9.2.
Uit het rapport van Witteveen + Bos blijkt dat in alle gevallen geldt dat het binnenniveau van het geluid in de omliggende woningen, uitgaande van een geluidwering van de woningen van 20 dB(A), een gangbare binnenwaarde van 37dB(A) bedraagt. In de door het college berekend worst-case situatie (128 leerlingen) overschrijdt het geluid (inclusief het stemgeluid) de geluidsnorm met 2db, gedurende een beperkte periode van de dag. Het college heeft er rekening mee gehouden dat het schoolplein ’s avonds en in de weekenden niet wordt gebruikt en dat het aantal leerlingen beperkt is, en de vraag is of binnen drie jaar 128 leerlingen zich zullen aanmelden. Het geluidsniveau is in deze perioden dus veel lager dan wanneer de gehele school bezet is. De voorzieningenrechter ziet niet in dat deze overschrijding een onevenredige verslechtering van eisers woon- en leefklimaat oplevert en vindt dat het college goed heeft uitgelegd waarom sprake zal zijn van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat niet is aangevoerd dat met het verlenen van de omgevingsvergunning geen harde normen voor geluidsoverlast worden geschonden. In het kader van de milieuwetgeving wordt het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een inrichting voor primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs buiten beschouwing gelaten. [2]
Parkeren
10. Verzoeker voert aan dat het standpunt dat de parkeerbehoefte in de openbare ruimte kan worden opgevangen onvoldoende concreet is gemotiveerd. Volgens verzoeker is ten onrechte geen rekening gehouden met de extra parkeerdruk en verkeersbewegingen tijdens haal- en brengmomenten, waarbij ouders stoppen, wachten, keren of dubbel parkeren. Daarnaast wijst verzoeker op de toename van fietsende kinderen, voetgangers en ander verkeer, wat volgens hem tot extra hinder in de woonomgeving leidt.
10.1.
Het college stelt dat de locatie vanuit verkeerskundig en parkeerkundig oogpunt geschikt is. De parkeer- en fietsparkeerbehoefte is volgens het college onderzocht aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen en een parkeerdrukmeting. Voor de kiss-and-ride worden vijf bestaande parkeerplaatsen gebruikt en voor personeel en bezoekers wordt voorzien in de aanvullende parkeerbehoefte. Op eigen terrein worden voldoende fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. De verkeersgevolgen van de tijdelijke school zijn onderzocht, waarbij is uitgegaan van een maximale bezetting van circa 152 personen en een worstcasescenario van ongeveer 150 extra verkeersbewegingen per dag. Volgens het college kan de bestaande infrastructuur van de Donizettilaan deze toename opvangen, mede omdat een deel van de leerlingen en medewerkers lopend of met de fiets zal komen.
11. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de uitgevoerde parkeerdrukmeting blijkt dat de parkeerdruk op het maatgevende moment onder de 80% ligt. Gelet op de wijkfunctie van de school acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat een overgroot deel van zowel de leerlingen, als het personeel met de fiets of lopend naar de school komt. De vijf benodigde parkeerplaatsen voor basisonderwijs, kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang, kunnen worden opgevangen in de openbare ruimte. Deze parkeerplaatsen bevinden zich rondom de school en zijn voor een ieder toegankelijk. Verder blijkt uit de berekening dat voor de kiss en ride vijf parkeerplaatsen nodig zijn en dat ook deze worden opgevangen in de openbare ruimte. Verder heeft het college toegelicht dat, om de verkeersveiligheid tijdens haal- en brengmomenten te waarborgen, afspraken worden gemaakt met ouders over het brengen en halen van kinderen. Daarnaast wordt een schoolzone met een adviessnelheid van 15 km/u ingericht en eventueel een zebrapad. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er voldoende parkeerruimte is om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte.
Groen
12. Verzoeker voert aan dat de komst van het tijdelijke schoolgebouw, de verhardingen, paden en het gebruik van het terrein als schoolplein het huidige groene en rustige karakter van de locatie ingrijpend verandert. Volgens verzoeker gaat het niet slechts om het verlies van een deel van het groen, maar om het verdwijnen van een groene buffer direct voor de woning. Daarvoor in de plaats komt een intensief gebruikte schoolomgeving met bebouwing, verharding, spelende kinderen en extra beweging. Verzoeker voert verder aan dat de toezegging dat het terrein na afloop wordt hersteld onvoldoende concreet is. Volgens verzoeker is niet duidelijk vastgelegd wat de oorspronkelijke situatie en groenwaarde zijn, hoe het herstel wordt gegarandeerd en op welke wijze wordt gecontroleerd dat het terrein daadwerkelijk in vergelijkbare staat wordt teruggebracht. Daarnaast ontbreekt volgens verzoeker duidelijkheid over de bescherming van bestaande bomen, wortels en groenstructuren tijdens de bouw- en gebruiksfase.
12.1.
Het college erkent dat de inrichting van het terrein tijdelijk verandert, maar stelt dat dit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. De ontwikkeling is tijdelijk en het terrein wordt na afloop volgens de vergunningvoorwaarden hersteld. Volgens het college geeft het bestaande uitzicht op een groen terrein geen recht op het behoud van de huidige situatie. Hoewel de beleidsregel uitgaat van compensatie van verloren groen binnen één jaar, is vanwege het tijdelijke karakter van de ontwikkeling gekozen voor herstel na afloop van de gebruiksperiode. Daarbij wijst het college erop dat de gemeentelijke groenadviseur positief heeft geadviseerd over de gekozen aanpak.
12.2.
De voorzieningenrechter kan het college volgen. Uit de besluitvorming blijkt dat het college rekening heeft gehouden met het gemeentelijke beleid voor groenbehoud, groencompensatie en klimaatadaptatie. Er worden geen bomen gekapt. De voorzieningenrechter begrijpt uit deze beoordeling dat de ontwikkeling voldoet aan de gemeentelijke uitgangspunten voor groen en water. Ook is het herstel van groen gewaarborgd door het stellen van voorschriften aan de verleende vergunning, waarbij verzoeker eventueel via handhaving herstel kan vorderen. Ook blijkt uit de stukken bij de omgevingsvergunning wat de huidige inrichting is. De voorzieningenrechter kan het college volgen in haar standpunt dat het niet doelmatig is om tijdelijk te voorzien in omvangrijke groencompensatie, die later weer verwijderd moet worden. Zeker nu ter zitting is medegedeeld dat de wijk wellicht op de nominatie staat voor een groene impuls. De voorzieningenrechter acht het voldoende gewaarborgd dat het terrein wordt hersteld en dat de tijdelijke aantasting van het groen de vergunning niet onrechtmatig maakt.
Technische uitwerking
13. Verzoeker voert aan dat uit het besluit blijkt dat verschillende technische onderdelen, zoals waterberging, wadi, riolering, brandveiligheid en de inrichting van het terrein, nog nader moeten worden uitgewerkt. Volgens verzoeker moet vooraf duidelijk zijn welke voorzieningen worden aangelegd, hoe het terrein wordt ingericht en welke gevolgen dit heeft voor de directe omgeving. Zolang deze onderdelen niet concreet zijn uitgewerkt, kan volgens verzoeker onvoldoende worden beoordeeld of de gevolgen voor omwonenden aanvaardbaar zijn.
13.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat bepaalde uitvoeringsaspecten nog nader moeten worden uitgewerkt. De beoordeling die voorligt ziet echter op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het project en de invloed op het woon- en leefklimaat van verzoeker, niet de technische aspecten van het project. De technische uitwerkingen worden geborgd via de geldende regelgeving en de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.
Onevenredig
14. Verzoeker voert aan dat de belangen van omwonenden onvoldoende zijn meegewogen. Volgens verzoeker gaat het niet om beperkte hinder, maar om de gevolgen van een tijdelijke school direct naast woningen, waaronder geluidsoverlast, extra verkeersbewegingen, verlies van groen, aantasting van privacy en vermindering van woongenot. Daarbij wijst verzoeker erop dat de slaapkamer aan de zijde van het projectgebied ligt en de afstand tot de school zeer beperkt is, waardoor de gevolgen direct merkbaar zullen zijn. Daarnaast stelt verzoeker dat de komst van de school mogelijk gevolgen heeft voor de waarde en verkoopbaarheid van de woning, omdat het uitzicht op een rustige groene omgeving verandert in een situatie met een schoolgebouw, schoolplein, verharding en dagelijkse drukte. Volgens verzoeker maakt het tijdelijke karakter van de situatie deze gevolgen niet automatisch aanvaardbaar, mede omdat de periode tot 1 september 2029 voor omwonenden aanzienlijk lang is. Het college had volgens verzoeker daarom concrete voorwaarden moeten stellen en de belangen van direct omwonenden zorgvuldiger moeten afwegen.
Verder voert verzoeker aan dat hij als zelfstandig ondernemer regelmatig vanuit huis werkt. De woning is daardoor niet alleen een woonplek, maar ook een werkplek, waardoor geluidsoverlast en verstoring van de rust extra gevolgen hebben voor zijn dagelijks functioneren
14.1.
Volgens het college wegen de belangen van verzoeker minder zwaar dan het maatschappelijk belang van tijdige realisatie van de tijdelijke onderwijshuisvesting. Uitstel van de vergunning zou gevolgen hebben voor de huisvesting van leerlingen en de continuïteit van het onderwijs. Gelet op de tijdelijke aard van de ontwikkeling, de beperkte duur van de gevolgen en de getroffen maatregelen heeft het college het algemeen belang zwaarder mogen laten wegen dan de tijdelijke hinder voor verzoeker. Het college stelt dat de door verzoeker gestelde waardedaling niet met objectieve gegevens is onderbouwd. Een eventuele waardevermindering betekent volgens het college niet dat de vergunning niet verleend had mogen worden. Dit belang is meegewogen, maar heeft geen doorslaggevend gewicht gekregen.
14.2.
De voorzieningenrechter kan het college ook volgen dat het tijdelijke schoolgebouw, dat zich op enige afstand van woningen bevindt en in beginsel alleen overdag in gebruik is, niet leidt tot een zodanig onevenredige aantasting dat de omgevingsvergunning om die reden had moeten worden geweigerd.

Conclusie en gevolgen

De voorzieningenrechter ziet om het voorgaande geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2058.
2.Artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder onder h, van het Activiteitenbesluit.