ECLI:NL:RBOBR:2026:5201

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
01-110308-25 [ontneming]
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim 30.000 euro

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 22 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak waarin de veroordeelde werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van ruim €31.000 gevorderd, dat later werd bijgesteld naar €30.387,20. De verdediging betwistte de omvang van het voordeel en stelde primair afwijzing en subsidiair matiging van het bedrag voor.

De rechtbank baseerde haar oordeel op een gedetailleerde analyse van chatgesprekken, waarin de afname van diverse drugs door 23 afnemers werd vastgesteld. Door extrapolatie van de gemiddelde afname van elf geïdentificeerde afnemers werd de totale afzet berekend. Hierbij werden correcties toegepast, zoals het samenvoegen van de drug blue met GHB en aanpassingen in de inkoopprijsberekening op basis van actuele prijslijsten en de vorm van amfetamine.

Na herberekening stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €30.222,92. De rechtbank legde aan de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 302 dagen. De uitspraak weerspiegelt een zorgvuldige afweging van bewijs en juridische normen omtrent ontneming in strafzaken.

Uitkomst: De rechtbank legt een betalingsverplichting van €30.222,92 op ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.110308.25 [ontneming]
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie van 10 juni 2026 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 31.324,60 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting van 8 juli 2026 gewijzigd. De vordering strekt thans tot het opleggen van de verplichting aan de Staat van een bedrag van € 30.387,20.

De beoordeling.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde vast te stellen op € 30.387,20 en voor dit bedrag een betalingsverplichting op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de omvang en hetgeen veroordeelde heeft verdiend aan de feiten van de onderliggende strafzaak onvoldoende aannemelijk zijn geworden. Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering gezien het voorgaande dient te worden afgewezen. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het bedrag gematigd dient te worden.
Het oordeel van de rechtbank.
De vordering is tijdig ingediend.
De veroordeelde is bij vonnis van 22 juli 2026 van deze rechtbank veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:
-
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; en
-
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

1.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht, PL2100-2023111168-92, pag. 203.
5.2.2. Afnames
Uit de chatgesprekken bleek dat [verdachte] handelde in diverse soorten drugs en
medicatie, waarbij er veel variatie zat in soort en de hoeveelheid van de afname.
Daarnaast bleek dat de gesprekken een zeer volledig en gedetailleerd beeld gaven van
hetgeen er werd besteld en geleverd. In overeenstemming met het Openbaar Ministerie
werd er derhalve voor gekozen om de gesprekken, waarvan de identiteit van de afnemer
bekend is, volledig uit te werken.
Voorts werd er in overeenstemming met het Openbaar Ministerie voor gekozen om de
gemiddelde afname van bovengenoemde bekende afnemers, te vermenigvuldigen met het
totaal aantal afnemers.
(…)
Samengevoegd namen deze elf afnemers de volgende eenheden af over de gehele onderzoeksperiode:
44.100 milliliter GHB
8.250 milliliter blue
334,5 gram amfetamine
(…)
259 gram cocaïne
80 tabletten XTC
(…)
Wanneer alle bovenstaande hoeveelheden door het getal elf gedeeld worden, nam een afnemer gemiddeld de volgende hoeveelheden af:
4009 milliliter GHB (dit wordt in hoofdstuk 5.2.4. vermenigvuldigd met 23)
750 milliliter blue (dit wordt in hoofdstuk 5.2.4. vermenigvuldigd met 23)
30,40 gram amfetamine (dit wordt in hoofdstuk 5.2.4. vermenigvuldigd met 23)
(…)
23,54 gram cocaïne (dit wordt in hoofdstuk 5.2.4. vermenigvuldigd met 23)
7,27 tabletten XTC (dit wordt in hoofdstuk 5.2.4. vermenigvuldigd met 23)
(…)
5.2.4. Totale afzet over onderzoeksperiodeDe onderzoeksperiode loopt van 26 november 2022 tot en met 13 april 2024. Er wordt
uitgegaan van een totaal aantal van 23 afnemers die, over de onderzoeksperiode, een
gemiddelde afname hadden zoals weergegeven in de laatste alinea van hoofdstuk 5.2.3.
Afnames. De totale afzet over de gehele onderzoeksperiode betreft 23 maal deze
gemiddelde afname, waarbij de totale hoeveelheden naar beneden worden afgerond. Dit
komt uit op een totale afzet van:
4009 * 23 = 92.200 milliliter GHB
750 * 23 = 17.250 milliliter blue
30,4 * 23 = 699 gram amfetamine
(…)
23,54 * 23 = 541 gram cocaïne
7,27 * 23 = 167 tabletten XTC
(…)
Voor de vereenvoudiging van de berekening vinden er in het voordeel van de verdachte
de volgende aanpassingen plaats:
1. De drug blue wordt in deze berekening gezien als GHB. Blue is in de regel duurder
dan GHB. Er wordt dus gerekend met een totale hoeveelheid van 109.450 milliliter GHB.
(…)

5.2.6.1b Cocaïne: kosten bij 0.58 gram per eenheid (kostenpost 1)

Het is mij, verbalisant [verbalisant] , vanwege diverse onderzoeken naar de handel in harddrugs, ambtshalve bekend dat het zeer gebruikelijk is dat een cachet dat verkocht wordt als een gram, niet daadwerkelijk een gram cocaïne bevat. Het is mij tevens, vanwege eerdere onderzoeken bekend, dat de daadwerkelijke inhoud fors lager kan zijn.
Op 13 april 2024 werd [betrokkene 1] aangehouden nadat hij cocaïne had gekocht van [verdachte] . Bij zijn aanhouding werd een cachet met cocaïne aangetroffen. Het cachet had de opdruk space pack . In de woning van Over het cachet cocaïne verklaarde [betrokkene 1] dat hij zojuist een een gram of iets minder had gekocht voor 50 euro, en dat hij gevraagd had om een gram te kopen. Na onderzoek bleek het cachet cocaïne van [betrokkene 1] netto 0,59 gram cocaïne te bevatten.
[verdachte] werd een partij ongebruikte, ongevulde en ongeopende cachetten met identieke opdruk aangetroffen. In de woning van [verdachte] werden tot slot twee gevulde cachets met de opdruk space pack aangetroffen. Na onderzoek bleken de cachets tezamen netto 1,13 gram cocaïne te bevatten, zijnde een gemiddeld netto gewicht van 0,57 gram.
De gemiddelde inhoud van de drie cachets komt uit op 0,59 + 0,57 + 0,57 = 1,73 / 3 = 0,58 gram cocaïne per cachet. (…)
5.3
Recapitulatie wederrechtelijk verkregen voordeelHet wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt op basis van het vorenstaande:
Opbrengst: EUR 50514
-/- Kosten: EUR 18179
Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel): EUR 32335
Op grond van het vorenstaande wordt gesteld, dat verdachte [verdachte] een
wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen van EUR 32335.
(...)
7. Samenvatting/ConclusieUit de verkregen telefoongegevens van [verdachte] kwam een lijst met 23 chats voort
waarin er drugs werden afgenomen van [verdachte] . Deze chats vonden plaats tussen [verdachte]
[verdachte] en unieke telefoonnummers. Van deze 23 chats, kon de identiteit van elf van
deze personen worden vastgesteld door middel van inhoud van chats en politiegegevens.
Van deze elf afnemers werd de gemiddelde afname per afnemer berekend. Deze gemiddelde
afname werd vervolgens vermenigvuldig met 23, zodat er een totale afname berekend
werd.
Van deze totale afname werd, op basis van beschikbare onderzoeksgegevens en gegevens
uit de telefoon van [verdachte] , een totale omzet berekend van 50.514,29 euro. Van
deze totale afname werden tevens de inkoopkosten berekend. Deze inkoopkosten werden
opgeteld bij de totale kosten van de in beslag genomen drugs, en leverden een totale
kostenpost op van 18.179,50 euro. Wanneer de kosten van de opbrengst worden
afgetrokken, blijkt dat de verdachte binnen de onderzoeksperiode een totaal
wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van 32.335 euro.
Nadere overwegingen.
Prijslijst.
De rechtbank stelt vast dat het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) voor de berekening van de inkoopprijzen uitgaat van de prijslijst Drugs &
(Pre-)Precursoren 2022, terwijl het grootste deel van de onderzoeksperiode ligt in 2023. De rechtbank heeft de inkoopprijzen dan ook berekend aan de hand van deze prijslijst Drugs & (Pre-)Precursoren 2023. Het hanteren van de inkoopprijzen van de drugslijst Drugs & (Pre-)Precursoren 2023 valt in totaliteit gunstiger uit voor veroordeelde.
Afgenomen hoeveelheden.
De rechtbank acht niet aannemelijk dat twee van de elf afnemers, zijnde [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , de hoeveelheden bij veroordeelde hebben afgenomen als waarvan het rapport uitgaat, gelet op chatgesprekken tussen veroordeelde en deze afnemers. De rechtbank gaat dan ook uit van een lagere hoeveelheid. Voor [betrokkene 2] stelt de rechtbank de afgenomen hoeveelheid vast op 100 milliliter GHB en 2 gram amfetamine. Voor [betrokkene 3] stelt de rechtbank de afgenomen hoeveelheid vast op 500 milliliter GHB. Het voorgaande heeft invloed op de geëxtrapoleerde berekening van de totale afname ten aanzien van GHB en amfetamine.
Inkoopprijs.
Het rapport gaat bij de berekening van de inkoopkosten van amfetamine uit van amfetamine in droge poedervorm. Uit de chatgesprekken in het dossier komt echter naar voren dat afnemer [betrokkene 4] aan veroordeelde vraagt om de amfetamine te drogen. De rechtbank leidt hieruit af dat veroordeelde amfetamine in pastavorm inkocht en gaat om die reden bij de berekening van de inkoopprijs uit van amfetaminepasta in plaats van amfetamine in droge poedervorm.
Herberekening.
Het vorenstaande leidt tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De opbrengst bedraagt: cocaïne € 25.243,06, amfetamine € 3.475,00, XTC € 668,00 en GHB € 19.399,75, in totaal € 48.785,81. De kosten bedragen: cocaïne € 8.851,73, amfetamine € 2.085,00, XTC € 307,28, GHB € 4.205,56 en in beslag genomen drugs € 3.113,32, in totaal € 18.562,89. Het verschil bedraagt € 30.222,92.
Conclusie.
Concluderend stelt de rechtbank, met bovenstaande (her)berekeningen, het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 30.222,92.

Toepasselijke wetsartikelen.De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
  • stelthet bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 30.222,92 (dertigduizend tweehonderd tweeëntwintig euro en tweeënnegentig cent);
  • legtaan [verdachte] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter hoogte van € 30.222,92 (dertigduizend tweehonderd tweeëntwintig euro en tweeënnegentig cent) ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel;
  • bepaaltde duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 302 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.C. Gribling, voorzitter,
mr. T. Kraniotis en mr. E.H. Groen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 22 juli 2026.