ECLI:NL:RBOBR:2026:5203

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
01.110308.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens meervoudige opiumfeiten met grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor het meermalen opzettelijk telen, bereiden, verkopen en aanwezig hebben van verschillende harddrugs, waaronder GHB, cocaïne, MDMA en amfetamine, gepleegd in de periode van september 2023 tot april 2024.

De bewijslast bestond uit meerdere proces-verbalen van bevindingen, verklaringen van verbalisanten en de bekennende verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting. De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen en verwierp verweren die de strafbaarheid zouden kunnen uitsluiten.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van harddrugs, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn psychische en verslavingsproblematiek en zijn motivatie tot gedragsverandering. Tevens werd een overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie maanden meegewogen.

De opgelegde straf bestaat uit een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werden diverse inbeslaggenomen goederen verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer, terwijl een personenauto werd teruggegeven aan de beslagene.

De uitspraak weerspiegelt een balans tussen normhandhaving en individuele omstandigheden, met een nadruk op gedragsbeïnvloeding en recidivepreventie.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.110308.25
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1987] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 juni 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 23 september 2023 tot en met 13 april 2024 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, althans in Nederland
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of
afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende xtc-pillen/MDMA en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende blue
zijnde GHB en/of cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of blue,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 13 april 2024 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ongeveer 150 milliliter, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende GHB en/of

- ongeveer 12,36 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 34 eenheden/pillen of 15,84 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA
zijnde GHB en/of cocaïne en/of MDMA
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.

De bewijsmiddelen:
T.a.v. feit 1:
  • Het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL2100-2023111168-2, opgemaakt en afgesloten op 23 september 2023. Dit proces-verbaal houdt onder meer zakelijk weergegeven de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , pag. 16;
  • Het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL2100-2023111168-19, opgemaakt en afgesloten op 13 april 2024. Dit proces-verbaal houdt onder meer zakelijk weergegeven de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , pag. 46;
  • De verklaring van verdachte, ter terechtzitting van 8 juli 2026 afgelegd.
T.a.v. feit 2:
  • Een ander geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing d.d. 13 april 2024, pag. 318;
  • Een ander geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing d.d. 13 april 2024, pag. 312;
  • Een ander geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing d.d. 13 april 2024, pag. 262;
  • Een ander geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing d.d. 13 april 2024, pag. 230;
  • Een ander geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing d.d. 13 april 2024, pag. 305;
  • Het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL2100-2023111168-410, opgemaakt en afgesloten op 30 april 2024. Dit proces-verbaal houdt onder meer zakelijk weergegeven de verklaring van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , pag. 102;
  • Een ander geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing d.d. 13 april 2024, pag. 309;
  • Een ander geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing d.d. 13 april 2024, pag. 324;
  • Een ander geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing d.d. 13 april 2024, pag. 321;
  • Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, proces-verbaalnummer 240521-236-797, opgemaakt en afgesloten op 6 juni 2024. Dit proces-verbaal houdt onder meer zakelijk weergegeven de verklaring van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , pag. 133;
  • De verklaring van verdachte, ter terechtzitting van 8 juli 2026 afgelegd.
Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, is de rechtbank, evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn.
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Op grond van de inhoud van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, een en ander, zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
T.a.v. feit 1:
in de periode van 23 september 2023 tot en met 13 april 2024 in Nederland
meermalen,
telkens opzettelijk
heeft bereid en bewerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine
zijnde GHB en cocaïne en MDMA en amfetamine,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
T.a.v. feit 2:
op 13 april 2024 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- 150 milliliter, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB en
- 12,36 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en
- 34 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA

zijnde GHB en cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen en maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder psychische problematiek, verslavingsproblematiek en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. De verdediging heeft verzocht om geen gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, maar te volstaan met een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder dit zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere overtredingen van de Opiumwet. Hij heeft gedurende een periode van zeven maanden gehandeld in verschillende soorten harddrugs. De GHB die hij verkocht, vervaardigde hij zelf. Daarnaast had hij in zijn woning verschillende harddrugs aanwezig.
Het is algemeen bekend dat dergelijke verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van dat middel. De verspreiding van en handel in harddrugs worden zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast. Verdachte heeft zich gedurende de pleegperiode niets aangetrokken van de negatieve gevolgen van zijn handelen voor anderen en voor de maatschappij. Hij heeft zich laten leiden door zijn eigen financiële gewin en de behoefte om zijn eigen drugsgebruik te bekostigen.
De persoon van verdachte.
Verdachte heeft ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd en inzicht gegeven in de achtergrond van zijn handelen. Nadat hij in 2021 een ernstig motorongeluk heeft gehad waardoor hij een maand in coma heeft gelegen, is hij aan lagerwal geraakt. In die periode is hij ook drugs gaan gebruiken. Verdachte geeft aan inmiddels afgekickt te zijn van drugs. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte d.d. 1 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor gelijksoortige feiten is veroordeeld. De rechtbank stelt vast dat het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, nu verdachte na het plegen van de onderhavige feiten, doch vóór de behandeling van de onderhavige zaak bij arrest het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren.
Strafmodaliteit.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank ziet evenwel in de persoonlijke problematiek van verdachte en zijn motivatie om zijn leven op een positieve wijze voort te zetten aanleiding om een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het voorwaardelijk deel zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil hiermee enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte, opdat hij niet opnieuw een strafbaar feit begaat.
Redelijke termijn.
Iedere verdachte heeft het recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In de onderhavige zaak oordeelt de rechtbank dat deze termijn op 13 april 2024 bij de doorzoeking van de woning van verdachte is aangevangen. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar stelt de rechtbank vast dat deze termijn met ruim drie maanden is geschonden. De rechtbank heeft deze overschrijding verdisconteerd in de strafmodaliteit, in die zin, dat een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Conclusie.
Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Beslag.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen goederen verbeurd verklaard dienen te worden.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen auto niet aan verdachte toebehoort, maar aan zijn vader. Zodoende concludeert de verdediging dat er geen grondslag is dit inbeslaggenomen goed verbeurd te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat gezien het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat de betreffende auto vatbaar is voor verbeurdverklaring. Derhalve zal de rechtbank teruggave gelasten aan de beslagene, die als houder van het voertuig wordt aangemerkt. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat deze beslissing geen invloed heeft op het thans op de auto rustende conservatoire beslag.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de volgende inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden dan wel voorwerpen zijn die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de strafbare feiten zijn verkregen:
  • 1 STK weegschaal;
  • 6 STK Simkaart van zaktelefoon;
  • 32 STK Simkaart van zaktelefoon;
  • 950,00 EUR;
  • 540,00 EUR.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de volgende inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, nu dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang:
  • 58 STK pil;
  • 3 GR Xtc;
  • 7 GR Xtc.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 57, 63 Wetboek van Strafrecht
2, 10 Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaartniet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
T.a.v. feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen en maatregel.

- Een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
-
Verbeurdverklaringvan de inbeslaggenomen goederen, te weten:
o 1 STK Weegschaal;
o 6 STK Simkaart van zaktelefoon;
o 32 STK Simkaart van zaktelefoon;
o 950,00 EUR Geld Euro;
o 540,00 EUR Geld Euro.
-
Onttrekking aan het verkeervan de inbeslaggenomen goederen, te weten:
o 58 STK Pil;
o 3 GR Xtc;
o 7 GR Xtc.
-
Teruggaveinbeslaggenomen goed, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen:
o 1 STK Personenauto,
aan de beslagene.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.C. Gribling, voorzitter,
mr. T. Kraniotis en mr. E.H. Groen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 22 juli 2026.