ECLI:NL:RBOBR:2026:5380

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
01.222404.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67b SvArt. 167 lid 1 SvArt. 82 SrArt. 273f SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak mensenhandel en veroordeling zware mishandeling met zware straf en maatregelen

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 23 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van zware mishandeling en mensenhandel. De rechtbank verklaarde bewezen dat verdachte op 6 augustus 2025 te Helmond het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door hem te duwen, mee te sleuren en meerdere malen te slaan en te schoppen, wat resulteerde in een schedelbreuk, traumatische hersenbloeding en een breuk in het slaapbeen. De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde voorbedachte raad en van mensenhandel wegens onvoldoende bewijs voor uitbuiting.

De rechtbank oordeelde dat het letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt vanwege de aard van het letsel, de noodzaak van medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel. De rechtbank verwierp het verweer dat sprake was van misbruik van bevoegdheid door het openbaar ministerie en verklaarde de vervolging ontvankelijk.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, het recidivegevaar, de jonge leeftijd van verdachte en zijn motivatie tot gedragsverandering. Verdachte kreeg een gevangenisstraf van 450 dagen opgelegd, waarvan 139 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling en begeleiding. Daarnaast werd een contact- en gebiedsverbod voor 5 jaar opgelegd met vervangende hechtenis bij overtreding.

De rechtbank kende gedeeltelijke schadevergoeding toe aan het slachtoffer, bestaande uit materiële schade van €2.558,24 en immateriële schade van €10.000,00, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering voor overige schade werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Verdachte werd veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 450 dagen gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, met contact- en gebiedsverbod en vrijgesproken van mensenhandel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.222404.25
Datum uitspraak: 23 juli 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [2004] ,
wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2025, 5 maart 2026, 19 mei 2026 en 9 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
(primair)
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Helmond
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk en
al dan niet met voorbedachten rade
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
- voornoemde [slachtoffer] te duwen en/of mee te sleuren en/of
- meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te slaan/stompen en/of
- meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schoppen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]opzettelijk en al dan niet met voorbedachten radezwaar lichamelijk letsel toe te brengen- voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd en/of meegesleurd en/of- meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt en/of- meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijfniet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Helmond, al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld, door- voornoemde [slachtoffer] te duwen en/of mee te sleuren en/of- meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te slaan/stompen en/of- meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schoppen,terwijl het feitzwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
T.a.v. feit 2:
hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 6 augustus 2025, te Helmond, althans in Nederland, een persoon, te weten [slachtoffer] , geboren op [2008 1] ,
1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt (lid 1, sub 2),
en/of
(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie (lid 1, sub 1),
2) die [slachtoffer] heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: het plegen van strafbare feiten) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: het plegen van strafbare feiten) (lid 1 sub 4),
en/of
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] (lid 1 sub 6),
waarbij die dwang en/of dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of de misleiding en/of misbruik van voortvloeiend overwicht en/of van kwetsbare positie heeft/hebben bestaan uit:
- het aanwezig hebben en/of het tonen van een vuurwapen bij één of meerdere ontmoetingen met die [slachtoffer] , en/of
- het dwingen althans bewegen van die [slachtoffer] om verdovende middelen te dealen, en/of
- het dreigen met het gebruik van geweld jegens de moeder van die [slachtoffer] en/of
- het (zwaar) mishandelen van die [slachtoffer]

en/of waarbij voornoemde (onder 2) "enige handeling" heeft bestaan uit:

- het via Snapchat, althans een chatdienst en/of in persoon benaderen van [slachtoffer] voor een klus en hem de ontvangst van enig geldbedrag in het vooruitzicht te stellen voor het succesvol uitvoeren van die klus, en/of
- het aanleveren van verdovende middelen aan die [slachtoffer] en/of
- het geven van instructies aan die [slachtoffer] ten behoeve van het dealen van verdovende middelen (o.a. het doorgeven van adressen).
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.
Het verweer van de verdediging.
De raadslieden hebben verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De raadslieden hebben aangevoerd dat de officier van justitie artikel 67b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft misbruikt door de vordering om feit 2 toe te voegen aan het bevel tot voorlopige hechtenis enkel om de voortduring van de voorlopige hechtenis van verdachte te verzekeren. De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstige en onherstelbare schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor de strafrechtelijke procedure als geheel niet meer als eerlijk kan worden aangemerkt.
Het oordeel van de rechtbank.
Juridisch kader
Een inbreuk op een beginsel van een goede procesorde kan onder omstandigheden de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tot gevolg hebben.
In artikel 167 lid 1 Sv Pro is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is om te veronderstellen dat het openbaar ministerie artikel 67b Sv heeft gebruikt met het door de raadslieden gestelde doel. Dat het aanwenden van de in artikel 67b Sv neergelegde bevoegdheid tot gevolg heeft dat de voorlopige hechtenis langer voortduurt, maakt niet dat sprake is van misbruik van die bevoegdheid. Van schending van beginselen van behoorlijke procesorde is dan ook geen sprake. De rechtbank verwerpt het verweer.
De rechtbank concludeert dat de officier van justitie in de vervolging kan worden ontvangen.
Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Inleiding.
T.a.v. feit 1:
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft mishandeld op de wijze zoals in de tenlastelegging staat omschreven. Dit is primair ten laste gelegd als zware mishandeling, subsidiair als poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als (eenvoudige) mishandeling. Onder alle varianten is impliciet de voorbedachte raad ten laste gelegd.
T.a.v. feit 2:
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij [slachtoffer] crimineel heeft uitgebuit door hem te hebben gedwongen drugs voor verdachte te dealen.
Het standpunt van de officier van justitie.
T.a.v. feit 1:
De officier van justitie heeft overeenkomstig het schriftelijke requisitoir gevorderd het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren, in die zin dat sprake is van zware mishandeling met voorbedachte raad.
T.a.v. feit 2:
De officier van justitie heeft gevorderd het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
Het standpunt van de verdediging.
T.a.v. feit 1:
De raadslieden hebben overeenkomstig hun pleitnotities verzocht verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. De raadslieden hebben aangevoerd dat geen sprake is geweest van voorbedachte raad en dat het letsel niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De raadslieden hebben verder aangevoerd dat verdachte hooguit kan worden veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde met uitzondering van het bestanddeel ‘met voorbedachte raad’.
T.a.v. feit 2:
De raadslieden hebben verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde. De raadslieden hebben aangevoerd dat het dossier onvoldoende betrouwbaar bewijs bevat voor dwang of criminele uitbuiting.
Het oordeel van de rechtbank.
T.a.v. feit 1:
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld door hem te duwen, mee te sleuren naar de bosjes, door hem meermalen tegen zijn hoofd en lichaam te slaan/stompen en door meermalen tegen zijn hoofd en lichaam te schoppen.
Juridisch kader zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) – voor zover hier relevant – wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd.
Beoordeling
Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [slachtoffer] het volgende letsel heeft opgelopen: een schedelbreuk, een traumatische hersenbloeding en een breuk in het slaapbeen. Hij is in coma gebracht en is opgenomen op de Intensive Care van het Radboud ziekenhuis. [slachtoffer] heeft zes dagen in het ziekenhuis verbleven. Daarna was sprake van een lange herstelperiode, in ieder geval langer dan 6 weken. Of [slachtoffer] volledig zal herstellen is nog onbekend. Gelet op deze combinatie van gezichtspunten is de rechtbank van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] naar normaal spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Juridisch kader voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat – hoewel uit het dossier aanwijzingen naar voren komen dat sprake was van een langer lopend conflict tussen verdachte en [slachtoffer] – op grond van het dossier onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verklaring van [slachtoffer] dat verdachte [slachtoffer] heeft staan opwachten wordt onvoldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo blijkt dit niet uit de camerabeelden of getuigenverklaringen, anders dan uit de verklaring van moeder die het van [slachtoffer] heeft gehoord, en heeft verdachte het ontkend. Uit het dossier volgt ook niet dat verdachte wist dat [slachtoffer] niet thuis was of op het betreffende tijdstip thuis zou komen. Anderszins volgt uit het dossier ook niet dat sprake was van kalm beraad. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het impliciet ten laste gelegde onderdeel voorbedachte raad.
Conclusie
De rechtbank heeft op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
T.a.v. feit 2:
Juridisch kader criminele uitbuiting
De strafbaarstelling van mensenhandel is gericht op het tegengaan van de uitbuiting van mensen. In artikel 273f Sr is de strafbaarstelling van deze uitbuiting beschreven.
De vraag ligt voor of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer] in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2, 4 en 6 Sr.
(Oogmerk van) uitbuiting
De handelingen omschreven in sub 2 zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen.
Voor een bewezenverklaring van sub 4 en sub 6 is vereist dat er daadwerkelijk sprake is geweest van ‘uitbuiting’. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting', is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die deze activiteit voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald.
Beoordeling
De rechtbank acht op grond van het dossier komen vast te staan dat verdachte zich bezighield met de handel in drugs en dat [slachtoffer] daarin een rol had, onder meer door drugs naar klanten te brengen.
De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of verdachte [slachtoffer] heeft geworven met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer] (sub 2).
Het dossier bevat chatberichten afkomstig van verdachte die erop wijzen dat hij anderen probeert te werven voor een rol in zijn drugshandel, bijvoorbeeld ‘zin om geld te maken’, ‘1200 per week’ en ‘gewoon verkopen in wagi’. Gelet op deze berichten in combinatie met de verklaring van [slachtoffer] dat het initiatief van verdachte kwam, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat sprake is van werven. Die handeling is slechts strafbaar als sprake is van het oogmerk van uitbuiting.
[slachtoffer] heeft over zijn betrokkenheid bij de handel in drugs wisselende verklaringen afgelegd. Zo heeft [slachtoffer] in eerste instantie verklaard dat ene Ibo hem had gevraagd om voor hem drugs te dealen. Later heeft [slachtoffer] verklaard dat Ibo een compleet verzonnen persoon is. [slachtoffer] heeft toen verklaard dat hij samen met verdachte in drugs, crack, handelde. Hij zag dit als een bijbaantje, het was snel geld. Op een gegeven moment zou [slachtoffer] hebben aangegeven dat hij wilde stoppen. Verdachte zou dat goed hebben gevonden, maar [slachtoffer] moest dan wel een Rolex ter waarde van € 10.000,00 van iemand rippen. Later heeft [slachtoffer] verklaard dat hij niks weet van het stelen van horloges. [slachtoffer] heeft vervolgens verklaard dat verdachte € 10.000,00 wilde in verband met de inbeslagname van de door de politie aangetroffen drugs in de berging van zijn moeder. [slachtoffer] heeft verder wisselende verklaringen afgelegd over de betalingen die hij wel of niet ontving voor zijn werkzaamheden. Verder volgt uit het dossier dat [slachtoffer] , voor zijn verhoor bij de politie, een grote hoeveelheid berichten heeft gewist uit zijn telefoon en schrijft hij in een chatbericht aan ene ‘ [gebruikersnaam 1] ’ dat er veel op staat wat de politie niet mag weten en aan ene ‘ [gebruikersnaam 2] ’ dat hij alles heeft ontkend.
De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer] onvoldoende betrouwbaar om als uitgangspunt te nemen. De rechtbank acht daarmee en bij gebreke van ander bewijs onvoldoende komen vast te staan dat verdachte het oogmerk had tot uitbuiting, hetgeen vereist is voor een bewezenverklaring. Dat [slachtoffer] minderjarig was ten tijde van het ten laste gelegde doet daar niet aan af.
Gelet hierop dient verdachte te worden vrijgesproken van artikel 273f, eerste lid, sub 2.
De voorgaande overwegingen maken ook dat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van artikel 273f, eerste lid, sub 4 en sub 6. Voor een bewezenverklaring daarvan is immers vereist dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake was van uitbuiting. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De rechtbank kan op grond van het voorhanden dossier en de hiervoor weergegeven omstandigheden niet vaststellen dat sprake was van uitbuiting. Zo is bijvoorbeeld onvoldoende komen vast te staan dat en welke beperkingen er voor [slachtoffer] waren en evenmin dat [slachtoffer] niet voor zijn werkzaamheden is betaald. Dat [slachtoffer] aan het einde van de tenlastegelegde periode zwaar is mishandeld door verdachte doet aan het voorgaande niet aan af, nu dat er niet toe heeft geleid dat [slachtoffer] door is gegaan met drugs dealen.
De rechtbank zal verdachte gelet op het voorgaande integraal vrijspreken voor het onder feit 2 tenlastegelegde.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
op 6 augustus 2025 te Helmond aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
- voornoemde [slachtoffer] te duwen en mee te sleuren en
- meermalen tegen het hoofd en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te slaan/stompen en
- meermalen tegen het hoofd en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schoppen.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren op te leggen waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, ambulante begeleiding, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en dagbesteding.
De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, in de vorm van een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de galerij van de flat waar het slachtoffer woont, voor de duur van 5 jaren, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis geldt van 1 week, tot een maximum van 6 maanden. De officier van justitie heeft gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadslieden hebben verzocht ten aanzien van feit 1 subsidiair een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van 1 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De raadslieden hebben verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft het slachtoffer zwaar mishandeld door hem van zijn fiets te slaan, de bosjes in te sleuren en meerdere malen tegen zijn hoofd en lichaam te slaan en te schoppen. Er is sprake van fors geweld tegen een weerloos niet terugvechtend slachtoffer, waarbij door verdachte ook nog is gefilmd. Verdachte heeft het slachtoffer vervolgens gewond achtergelaten en zich totaal niet om hem bekommerd. Verdachte was daarna meer bezig met geld dan met de toestand van het slachtoffer, hetgeen volgt uit een na de mishandeling aan het slachtoffer gestuurd bericht over ‘10k’. Een en ander had zijn oorsprong in een drugsconflict. Het slachtoffer heeft als gevolg van het handelen van verdachte zwaar letsel opgelopen en uit de slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer nog steeds kampt met de gevolgen. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld en dat hij in de proeftijd liep van een eerdere veroordeling ter zake van een andersoortig delict.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening met de relatief jonge leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat hij gemotiveerd is om zijn leven een andere wending te geven.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging ook rekening met het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 25 juni 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:
Betrokkene is vaker in aanraking gekomen met justitie en veroordeeld voor zowel vermogens- als geweldsdelicten. Risicoverhogende factoren zijn zijn houding, negatieve sociale netwerk en psychosociaal functioneren. Beschermende factoren waren het werk dat hij kort voor zijn aanhouding had verworven en zijn vriendin en haar familie.
Betrokkene werd in zijn jeugd uit huis geplaatst en verbleef in diverse jeugdbeschermings-instellingen, zowel open als gesloten. Uit de dossiers komt naar voren dat betrokkene zich niet gemakkelijk liet begeleiden en negatief gedrag bleef laten zien. Een opvallend contrast met de manier waarop hij zich nu in gesprek presenteert en hoe zijn werkgever en de moeder van zijn vriendin over hem spreken.
Betrokkene kan na ontslag uit detentie bij zijn vriendin en haar ouders gaan wonen. Zij stellen duidelijke eisen als het hebben van werk en geen druggebruik. Omdat betrokkene zulke verschillende gezichten heeft laten zien is het goed mogelijk dat deze verandering van omgeving en de aanwezigheid van structuur een positieve invloed heeft op hem en hij een delictvrij leven op kan bouwen. Er kan echter ook niet worden uitgesloten dat zaken anders lopen en betrokkene terug moet vallen op zijn oude netwerk met alle risico’s van dien. Het is daarom belangrijk dat bij oplegging van een toezicht een vangnet wordt gecreëerd waarmee betrokkene ondersteund kan worden in verschillende situaties.
Betrokkene lijkt over voldoende talenten te beschikken om zijn gedrag te veranderen, het is aan hem om de keuze hiervoor te maken. Momenteel maakt hij op zowel de moeder van zijn vriendin, de re-integratiecoach van de gemeente en de reclassering een gemotiveerde indruk.
Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld.
Bij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden.
• Meldplicht bij reclassering
• Ambulante behandeling
• Ambulante begeleiding
• Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
• Contactverbod
• Locatieverbod
• Dagbesteding
Nu de rechtbank verdachte vrijspreekt ten aanzien van feit 2 en ten aanzien van feit 1 primair niet komt tot bewezenverklaring van voorbedachte raad zal de rechtbank een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik te maken van een wapen, is een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.
Gelet op de concrete omstandigheden van het door verdachte gepleegde misdrijf zoals hiervoor omschreven en de strafverzwarende omstandigheden zal de rechtbank een hogere straf opleggen dan het oriëntatiepunt. Verder vindt de rechtbank het belangrijk dat verdachte niet zonder kader terugkeert in de maatschappij.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 450 dagen. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 311 dagen, zal daarop in mindering worden gebracht.
De rechtbank zal de gevangenisstraf voor een gedeelte, te weten 139 dagen, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, met uitzondering van het contact- en locatieverbod.
De rechtbank zal, om het recidivegevaar te verkleinen, het door de reclassering geadviseerde contact- en locatieverbod opleggen in het kader van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr voor de duur van 5 jaren. De rechtbank zal bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis zal 1 week bedragen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van zes maanden. De rechtbank zal bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
De rechtbank zal de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.
De vordering van de benadeelde partij.
Door [slachtoffer] is schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 167.117,93 vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bedrag bestaat uit materiële schade van € 7.202,24 voor daggeld ziekenhuisopname
(€ 228,00), reiskosten (€ 472,94), gederfde inkomsten van benadeelde (€ 1.857,30) en gederfde inkomsten van moeder (€ 4.644,00), en immateriële schade van € 160.000,00 waarvan € 150.000,00 ter zake van feit 1 en € 10.000,00 ter zake van feit 2. De vordering is ter zitting toegelicht door de raadsman van de benadeelde partij.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat er voldoende aanknopingspunten zijn om welwillend naar de neergelegde vordering tot schadevergoeding te kijken. De officier van justitie heeft zich, gelet op de professionele rechtsbijstand van de benadeelde partij, voor wat betreft de hoogte van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging.
De raadslieden hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de officier van justitie niet in de vervolging van verdachte kan worden ontvangen.
Het subsidiaire standpunt.
De raadslieden hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor daggeld ziekenhuisopname en reiskosten.
De raadslieden hebben verzocht de gevorderde vergoeding voor gederfde inkomsten van benadeelde en gederfde inkomsten van moeder af te wijzen wegens onvoldoende onderbouwing.
De raadslieden hebben verzocht de gevorderde vergoeding voor immateriële schade ter zake van feit 2 af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren en anders deze aanzienlijk te matigen.
De raadslieden hebben verzocht de gevorderde vergoeding voor immateriële schade ter zake van feit 1 niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering te complex is en nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De raadslieden hebben daartoe aangevoerd dat de vordering steunt op onbetrouwbare verklaringen, dat de vordering haaks staat op medische stukken, dat het schadeverzoek geen steun vindt in objectieve bewijsmiddelen en dat er geen causaal verband is tussen de schade en de mishandeling. Subsidiair hebben de raadslieden verzocht het toe te kennen bedrag aanzienlijk te matigen, waarbij een vergoeding van € 1.000,- passend wordt geacht.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de officier van justitie niet in de vervolging van verdachte kan worden ontvangen en verwijst hiervoor naar de overwegingen zoals hiervoor opgenomen onder de formele voorvragen.
Materiële schade
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de posten daggeld ziekenhuisopname (€ 228,00) en reiskosten
(€ 472,94). Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering ten aanzien van deze posten voldoende onderbouwd en niet door de verdediging betwist.
De rechtbank acht ook toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de post gederfde inkomsten benadeelde (€ 1.857,30). Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de medische stukken en het verslag van de school van de benadeelde in onderlinge samenhang bezien voldoende komen vast te staan dat de benadeelde vanaf 7 augustus 2025 tot december 2025 niet heeft kunnen werken als gevolg van het bewezen verklaarde. Zo volgt uit het verslag van de kinderneuroloog van 13 november 2025 dat de belastbaarheid in opbouw lijkt, maar vergeleken met een paar weken geleden ook sprake is van een algehele achteruitgang (motorisch, cognitief, taalspraak). Voetbal in teamverband is dan nog niet aan de orde. Uit het verslag van de neuroloog van 5 december 2025 volgt dat de benadeelde weer mag voetballen. In december 2025 is de benadeelde ook weer gaan werken. Uit het verslag van de schoolpsycholoog van 18 mei 2026 volgt dat er in de eerste maanden van het schooljaar geen vorm van onderwijs mogelijk is geweest. Vanaf oktober 2025 is het onderwijs beperkt opgestart, maar de schoolpsycholoog concludeert aan het einde van het schooljaar ook dat onderwijs op dat moment niet past bij de cognitieve mogelijkheden van de benadeelde. De post is verder voldoende onderbouwd met loonstroken.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de post gederfde inkomsten moeder (€ 4.644,00), omdat de rechtbank van oordeel is dat deze post in het licht van de betwisting onvoldoende is onderbouwd aangezien de bewijstukken thans ontbreken. Onder meer is de in het bericht van de administrateur van moeder genoemde dagopbrengst van € 125,00 niet onderbouwd met stukken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Immateriële schade
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade ter zake van feit 2, omdat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit 1 toegebrachte schade, een deel van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade. De rechtbank heeft voor wat betreft de hoogte van de vergoeding aangesloten bij de Rotterdamse schaal ten aanzien van hersenletsel. Naar het oordeel van de rechtbank op grond van de overgelegde medische stukken komt de situatie van de benadeelde overeen met sub d, minder ernstig hersenletsel. In deze gevallen is de benadeelde voldoende hersteld om deel te nemen aan het normale sociale verkeer en om arbeid te verrichten. Mogelijk zijn niet alle functies hersteld en is sprake van bijvoorbeeld concentratie- of geheugenproblemen of ontremd gedrag, waardoor het dagelijks leven wordt beïnvloed. De rechtbank heeft hierbij aangesloten, omdat de afhankelijkheid van zorg als bedoeld in sub b en c, zwaar en respectievelijk middelzwaar hersenletsel, onvoldoende is onderbouwd. Bij de categorie minder ernstig hersenletsel hoort een vergoeding tussen € 10.000,00 en € 29.000,00. Nu geen sprake is van een medische eindsituatie en er nog veel onduidelijkheden zijn, zal de rechtbank een bedrag toewijzen van € 10.000,00. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering voor zover deze het bedrag van € 10.000,00 te boven gaat. Naar het oordeel van de rechtbank levert dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Burgerlijke rechter
De benadeelde partij kan de onderdelen van de vordering die de rechtbank niet-ontvankelijk verklaart slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal het bedrag voor materiële schade vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025. De rechtbank heeft hierbij gelet op de verschillende data waarop de materiële schade blijkens de onderbouwing van de verschillende posten is ontstaan. De rechtbank zal het bedrag voor immateriële schade vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het bewezen verklaarde, te weten 6 augustus 2025.
Kostenveroordeling
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor is weergegeven.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 63, 302 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het ten laste gelegde onder 1 primair bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
zware mishandeling
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf en maatregelen.
T.a.v. feit 1 primair:
Een
gevangenisstrafvoor de duur van
450 dagenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht waarvan
139 dagen voorwaardelijken een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:

1.Meldplicht bij reclassering

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de Reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Veroordeelde meldt zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Polluxstraat 114 te Eindhoven of via telefoonnummer 088-8041504. De reclassering zal hierna contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.

2.Ambulante behandeling

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en indien geïndiceerd, behandelen door De Rooyse Wissel of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostisering en behandeling ter voorkoming van recidive.

3.Ambulante begeleiding

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat begeleiden bij Doorpakkers of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De begeleiding start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding. De begeleiding is gericht op het verkrijgen van stabiliteit en voorkomen van delictgedrag. Dit kan ook toeleiding naar begeleid wonen inhouden.

4.Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij een nader te specificeren instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start indien dit door de reclassering wordt geïndiceerd. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

5.Dagbesteding

Dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur, ook indien dit inhoudt begeleiding van een IPTA coach of een vergelijkbaar traject. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Opheffingvan het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
T.a.v. feit 1 primair:
Maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidinhoudende een
contactverboden een
gebiedsverbodvoor de duur van 5 jaren. Deze verboden houden in dat de veroordeelde gedurende 5 jaren:
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboortedatum [2008 2] );
- zich niet bevindt op de galerij van de flat waar [slachtoffer] woont op de [adres 2] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. De totale duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 maanden.
Beveelt dat deze maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
T.a.v. feit 1 primair:
Maatregel van schadevergoeding
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer], van een bedrag van
€ 12.558,24.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 87 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit € 2.558,24 materiële schade en € 10.000,00 immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 12.558,24, bestaande uit € 2.558,24 materiële schade en € 10.000,00 immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Bernsen, voorzitter,
mr. A.E. de Kryger en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H. Wildeman, griffier,
en is uitgesproken op 23 juli 2026.