ECLI:NL:RBOBR:2026:5395

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
82-251959-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 ArbeidsomstandighedenwetArt. 8 ArbeidsomstandighedenwetArt. 32 ArbeidsomstandighedenwetArt. 3.16 ArbeidsomstandighedenbesluitArt. 23 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtspersoon veroordeeld voor schending Arbowet en dood door schuld bij val van dak

Op 31 januari 2025 is een werknemer van de verdachte rechtspersoon overleden na een val van een plat dak van 7,2 meter hoogte tijdens werkzaamheden voor het plaatsen van zonnepanelen. De rechtbank stelt vast dat de rechtspersoon meerdere bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft overtreden. Zo was er geen adequate risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) voor de werkzaamheden op hoogte, werden werknemers niet doeltreffend geïnformeerd over de risico’s en maatregelen, en ontbrak het toezicht op naleving van veiligheidsvoorschriften.

De rechtbank concludeert dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld door haar zorgplicht als werkgever te schenden en dat dit nalaten heeft geleid tot het overlijden van de werknemer. De schuld aan de dood wordt aan de rechtspersoon toegerekend. De verdediging erkende tekortkomingen maar betwistte de aanmerkelijke schuld voor het overlijden, wat door de rechtbank werd verworpen.

De rechtbank weegt mee dat de verdachte geen strafrechtelijke antecedenten heeft, na het ongeval maatregelen heeft genomen en medewerking heeft verleend aan het onderzoek. Desondanks acht de rechtbank een onvoorwaardelijke geldboete van €50.000 passend gezien de ernst van de feiten en de gevolgen voor de nabestaanden.

De uitspraak is gebaseerd op artikelen uit de Wetboek van Strafrecht, Arbeidsomstandighedenwet, Wet op de economische delicten en het Arbeidsomstandighedenbesluit. De rechtbank verklaart de ten laste gelegde feiten bewezen en legt de geldboete op aan de rechtspersoon.

Uitkomst: De verdachte rechtspersoon is veroordeeld tot een geldboete van €50.000 wegens schending van de Arbowet en schuld aan de dood van een werknemer door val van een dak.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82-251959-25
Datum uitspraak: 23 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger] (indirect bestuurder).
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte rechtspersoon naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 april 2026.
Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
zij op of omstreeks 31 januari 2025, te Rijsbergen, in de gemeente Zundert, althans
in Nederland, als werkgever, al dan niet opzettelijk, handelingen heeft verricht
en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of op de daarop
rustende bepalingen, immers heeft zij, verdachte, in strijd met
- artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, bij het voeren van het
arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk
heeft vastgelegd welke risico’s het werken op een plat dak op een hoogte van 7,2
meter voor (een) werknemer(s) met zich mee brengt en/of
- artikel 8, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, er niet voor heeft gezorgd
dat de werknemers doeltreffend werden ingelicht over de te verrichten
werkzaamheden op een (7,2 meter) hoog (en plat) dak en de daaraan verbonden
risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te
voorkomen of te beperken, immers waren de werknemer(s) niet ingelicht over de
(veiligheids)maatregelen in de vorm van hekwerken of leuningen of vangnetten
zoals is vermeld in het Techniek Blauwe Boekje (DOC-007-10) en/of
- artikel 8, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet, niet of onvoldoende heeft
toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het
voorkomen en/of beperken van de in het artikel 8, eerste lid genoemde risico's van
het de te verrichten werkzaamheden op een plat dak op 7,2 meter hoogte en/of
- artikel 3.16 Arbeidsomstandighedenbesluit, bij het plaatsen van zonnepanelen op
een plat dak op 7,2 meter hoogte door werknemer [slachtoffer] , waarbij het gevaar
bestond om 2.5 meter of meer te vallen, het gevaar niet is voorkomen door het
aanbrengen van (een) veilige steiger(s) en/of (een) stelling(en) en/of een bordes of
een werkvloer en/of doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke
technische voorzieningen ten behoeve van de collectieve bescherming en/of
individuele bescherming,
terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar en/of
ernstige schade aan de gezondheid van de werknemer [slachtoffer] en/of andere
werknemers ontstond of te verwachten was;
Feit 2:
zij op of omstreeks 31 januari 2025, te Rijsbergen, in de gemeente Zundert, althans
in Nederland zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of
onzorgvuldig en/of nalatig heeft gehandeld, door een werknemer, genaamd [slachtoffer]
, werkzaamheden te laten verrichten ten behoeve van het plaatsen van
zonnepanelen op een plat dak ter hoogte van 7,2 meter, terwijl zij, verdachte,
- niet heeft gezorgd voor de veiligheid en gezondheid van haar werknemer(s)
inzake alle met de arbeid verbonden aspecten aan [adres] te Rijsbergen
en er geen beleid heeft gevoerd dat dat gericht was op zo goed mogelijke
arbeidsomstandigheden op die arbeidsplaats en/of geen doeltreffende collectieve
en/of individuele maatregelen genomen en/of geen doeltreffende en passende
persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld aan de werknemers,
immers was geen sprake van een maatregel in de vorm van hekwerken of
leuningen of vangnetten zoals omschreven in het Techniek Blauwe Boekje (DOC-
007-10)
- de risico’s en/of gevaren van die werkzaamheden op een hoogte van 7,2 meter
niet of onvoldoende heeft geïnventariseerd en/of beoordeeld en/of geëvalueerd
en/of geen, althans onvoldoende, maatregelen heeft getroffen om die risico’s en/of
die gevaren te voorkomen en/of te beperken en/of
- die werknemer en/of werknemers niet doeltreffend heeft ingelicht over die te
verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de
maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen en/of te beperken en/of
- niet heeft toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op

het voorkomen of beperken van de voornoemde risico's en/of

- geen collectieve en/of individuele doelmatige voorzieningen, in de vorm van
veilige steigers en/of een stelling(en) en/of een bordes of een werkvloer en/of
doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke technische voorzieningen,
heeft genomen ter beveiliging van de arbeid(somstandigheden) teneinde valgevaar
te voorkomen,
ten gevolge waarvan aan haar, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer]
van voornoemd dak is gevallen, waardoor [slachtoffer] voornoemd
zodanig letsel heeft bekomen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding
Op 29 januari 2025 is de heer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) samen met de heer [betrokkene 1] (de hoofdmonteur op het desbetreffende project) begonnen met de aanleg van zonnepanelen op het platte dak van een pand aan [adres] te Rijsbergen, toebehorende aan [bedrijf 1] Op 31 januari 2025 is het slachtoffer tijdens de uitvoering van deze werkzaamheden van het platte dak gevallen. De hoogte van het platte dak tot aan de grond bedraagt 7,2 meter. Het slachtoffer is ter plaatse overleden aan de gevolgen van ernstig schedel-hersenletsel.
De verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat zij heeft nagelaten om de risico’s en gevaren die zijn verbonden aan de uitvoering van werkzaamheden op een plat dak op hoogte te voorkomen of te beperken (feit 1). Ook wordt de verdachte verweten dat de dood van het slachtoffer aan haar schuld te wijten is (feit 2).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 ten laste gelegde vanwege het ontbreken van de daarvoor vereiste aanmerkelijke schuld. Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met daarbij de kanttekening dat de overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) zoals deze ten laste zijn gelegd enige nuancering behoeven. De verdediging heeft erkend dat de inventarisatie van risico’s en de documentatie daarvan nog beter had gekund, dat werknemers nog beter hadden kunnen worden geïnstrueerd en dat meer toezicht mogelijk was geweest. In zoverre is volgens de verdediging de algemene zorgplicht ook geschonden. Dit betekent volgens de verdediging echter niet dat in het geheel geen sprake was van een veiligheidsbeleid.
Het oordeel van de rechtbank
A.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn opgenomen in het procesdossier van de Nederlandse Arbeidsinspectie, nummer 2682-20258-005, met de onderzoeksnaam Annapurna, van 16 september 2025, met 225 doorgenummerde pagina’s.
Wanneer hierna is verwezen naar een proces-verbaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie is – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
1.
Een proces-verbaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie, documentcode AMB-001-01, van 18 februari 2025 (pagina 43), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Volgens de telefonische melding bij de Nederlandse Arbeidsinspectie had er op 31 januari 2025 aan [adres] te Rijsbergen, waar [bedrijf 1] was gevestigd, een arbeidsongeval plaatsgevonden. Bij dit arbeidsongeval was een elektromonteur, werkzaam voor [verdachte] . van een plat dak gevallen en overleden.
2.
Een proces-verbaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie, documentcode AMB-001-03, van 20 februari 2025 (pagina 50-52), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Op 31 januari 2025 kwam ik, verbalisant [verbalisant 1] , aan op de locatie van het ongeval. Ik zag de voorzijde van een gebouw en las daar op de gevel [bedrijf 1] .
Aan de achterzijde van het gebouw zag ik een persoon op de grond liggen met bloed bij zijn hoofd. Ik zag dat deze persoon geen valharnas droeg. Ik zag dat hij langs het gebouw op de grond lag. De afstand van de grond waar het slachtoffer lag tot aan de dakrand van het gebouw schatte ik op 7 à 8 meter. Ik hoorde [verbalisant 3] van de Forensische Opsporing van de politie zeggen dat zij geen valbescherming op of bij het slachtoffer aangetroffen hadden. Ik zag dat vanaf het dak van het gebouw vijf kabels omlaag hingen bij en boven het slachtoffer.
Ik zag vanaf de hoogwerker dat de profielen voor zonnepanelen tot naar schatting een meter vanaf de dakrand lagen. Ik zag ook gereedschapskoffers nabij de dakrand. Op het dak, ter hoogte van waar de kabels langs de gevel naar beneden liepen, waar het slachtoffer op de grond lag, zag ik meerdere schoenafdrukken op de lichtkleurige dakbedekking. Tevens zag ik twee handafdrukken op de dakrand. Ik zag geen leuningwerk rondom het dak of andere middelen die waren aangebracht om het gevaar om van hoogte te vallen tegen te gaan.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag, kijkend naar het dak, geen randbeveiliging langs de dakrand. Wij openden alle drie de bedrijfsbussen op het terrein met daarop de naam [verdachte] om te kijken of er materieel in lag dat, bij gebruik daarvan, het vallen van hoogte zou kunnen voorkomen. Ik zag in al deze bedrijfsbussen geen voorzieningen voor collectieve randbeveiliging noch individuele valbeveiliging. Op de aanhanger, die naast het gebouw stond opgesteld, zocht ik naar voorzieningen om vallen van hoogte te voorkomen maar zag deze niet.
Ik zag vanuit de schaarhoogwerker nergens, op het gehele dakvlak, voorzieningen om te voorkomen dat een persoon van het dak naar beneden zou vallen. Ik zag aan de linkerzijde op het platte dak een viertal pakketten. Op één van de pakketten las ik de naam [merk] . Ik zag naast dit pakket, dicht bij de dakrand, een tweetal gereedschapskoffers die open stonden. Ik zag vlak voor mij, een radio, een stroomkabelhaspel, een doos en een rode koffer tegen de dakrand aan liggen.
Ik zag op de stroomkabelhaspel een mobiele telefoon die aan de oplader lag. Ik constateerde, nadat ik het had opgemeten, dat de afstand van de dakbedekking tot aan de bovenkant van de dakrand, 25 centimeter bedroeg. Ik constateerde, nadat ik het had opgemeten, dat de afstand tussen de dakrand en het eerste profiel, een meter bedroeg. Ik zag zand op de dakrand liggen. Ik zag op de dakbedekking, zand tussen de dakrand en het eerste profiel liggen. Ik zag nergens op het dak een aanduiding van vier meter afstand tot aan de dakrand.
Wij hebben vervolgens een verklaring opgenomen van de collega van het dodelijke slachtoffer, [betrokkene 1] . Tijdens het verhoor overhandigde hij ons het legplan. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , las op de voorkant van het legplan dat de dakhoogte 7,2 meter bedroeg. Ik las in het legplan “ [bedrijf 1] [adres] Rijsbergen”. Ik zocht naar veiligheidsinstructies, maar las in het legplan niets over veiligheidsinstructies zoals het plaatsen van randbeveiliging.
3.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° Sv, te weten een schouwverslag van A.M. Vuurens, arts in opleiding tot forensisch arts, en D.J. Rijken, forensisch arts, van 31 januari 2025 (pagina 112), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
[slachtoffer] is op 31 januari 2025 te Rijsbergen in de gemeente Zundert overleden door ernstig schedel-hersenletsel, passend bij een val van het dak.
4.
Een proces-verbaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie, documentcode AMB-003-02, van 21 juli 2025 (pagina 61-65), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
[verdachte] . beschikte over een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) van ARBO Techniek opgesteld op vrijdag 21 juli 2023, een RI&E handboek, extra maatregelen geïnventariseerd voor het aanleggen van zonnepanelen en een blauw boekje techniek waar extra informatie staat over veilig werken op hoogte. In de RI&E staan voornamelijk de verplichtingen waar een bedrijf aan moet voldoen. Tevens staan er veel werkzaamheden in het kantoor beschreven.
Op pagina 19 van RI&E staat een hoofdstuk over project RI&E voor werk op locatie.
9.1.
Project RI&E voor werk op locatie
9.1.1.
Overige beantwoorde vragen
Vraag 1. Brengt u voor de werkzaamheden op locatie/bij de klant buiten uw bedrijf de risico’s in kaart met een RI&E?
Antwoord Ja.
Toelichting antwoord Voor werkzaamheden op projecten of project gerelateerd is de project RI&E opgesteld. V&G plan wordt opgesteld voor een grote bouw en dit wordt gedaan door de aannemer.
Vraag 1. Gebruikt u een goede methode om uw risico’s op locatie in kaart te brengen (zie toelichting)?
Antwoord Ja.
Toelichting antwoord De algemene RI&E met als aanvulling de project RI&E dekt alle risico’s.
Er wordt gesproken over een V&G plan en/of een aanvulling project RI&E die alle risico's dekt. Echter zijn geen van deze documenten ontvangen.
Het document wat wel is ontvangen is het document
[verdachte] algemeen zonnepanelen(DOC-007-09) van dinsdag 9 juni 2020. Daaruit komt naar voren bij de maatregelenlijst hoofdstuk 2 bij werken op platte daken:
Er wordt gewerkt op platte daken.
Risico: Valgevaar, ernstig letsel
Maatregelen: • (Rol)steigers plaatsen die personen bij een val zullen opvangen.
• Gebruik maken van harnasgordel en vanglijn met vaste bevestiging op het dak.
• Medewerkers instrueren aan de hand van de toolbox VEILIG WERKEN OP HOOGTE van [bedrijf 2] .
Deze toolboxen zijn niet ontvangen.
Het ander document dat is ontvangen is
Techniek Nederland blauwe boekje(DOC-007-10). Op pagina 136 onder 4.4 Veilig werken op hoogte worden risico's besproken van werken op hoogte.
Belangrijke punten in dit hoofdstuk zijn onder andere:
Dak-RI&E
Als monteur kom je voor aanleg of service- en onderhoudswerkzaamheden aan gebouwinstallaties op het dak van een gebouw. Uitgangspunt voor veilig werken op hoogte is de aanwezigheid van collectieve valbeveiliging en een veilige looproute naar de werkplek. Jouw werksituatie dient vooraf beoordeeld te worden, zodat de toe te passen veiligheidsmaatregelen op een verantwoorde manier kunnen worden gekozen. Deze beoordeling moet worden vastgelegd in een dak-RI&E.
Werkzaamheden op daken
Als je op meer dan 4 meter van de dakrand (of een gat, opening of sparing op hoogte) staat, sta je in een 'beschermde zone'. De zone moet wel een duidelijke markering hebben, bijvoorbeeld door pylonen en rood-wit afzetlint. Je mag in deze zone werken zonder aanvullende veiligheidsmaatregelen.
Platte daken
Als je tussen de 2 en 4 meter van de dakrand moet werken, is alleen sprake van een 'beschermde zone' als er een afzetting is geplaatst op 2 meter van de dakrand. Het gaat dan om een fysieke afzetting op 2 meter van en evenwijdig aan de dakrand, bijvoorbeeld in de vorm van paaltjes die met elkaar verbonden zijn door een ketting of kabel. In dit geval mag je de werkzaamheden uitvoeren zonder aanvullende veiligheidsmaatregelen.
Als je moet werken op minder dan 2 meter van de dakrand en de valhoogte is meer dan 2,5 meter, dan moeten er maatregelen zijn genomen om valgevaar tegen te gaan. Ook bij een valhoogte van minder dan 2,5 meter waarbij er kans is op ernstig letsel moeten er maatregelen worden genomen om het valgevaar tegen te gaan. Dat kan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen, vangnetten, of door het plaatsen van een veilige steiger, stelling, bordes, et cetera.
Soms mag gebruikgemaakt worden van doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte. Een dak-RI&E-beoordeling moet dan uitwijzen dat het aanbrengen van de dakrandbeveiliging een groter risico vormt dan de werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd. Denk bijvoorbeeld aan kortdurende inspectie-, installatie- of onderhoudswerkzaamheden die door een beperkt aantal personen (1 of 2 personen) worden uitgevoerd. Bij kortdurende werkzaamheden (= minder dan 3 uur) kan volstaan worden met
een individueel valbeveiligingssysteem. Als je persoonlijke valbeveiliging gebruikt, dan moet er wel een goed en veilig bevestigingspunt zijn voor de vanglijnen. Ook moet je goed zijn voorgelicht over het juiste gebruik van de harnasgordel en de vanglijnen.
In het handboek RI&E onder 'Registratie BPM' op pagina 12 en 13, onder registratie 11-Persoonlijke beschermingsmiddelen staat een tabel met werknemer welke PBM's zijn uitgereikt. In deze tabel staan echter alleen: aangemeten oordoppen, handschoenen, veiligheidsbril, helm en veiligheid schoenen. Er staat geen persoonlijke veiligheidsmaatregelen bij vallen van hoogte zoals een valharnas.
Uit onderzoek is gebleken dat:
  • er geen Dak-RI&E aanwezig is;
  • werkzaamheden uitgevoerd werden buiten de 'beschermende zone';
  • er niet tussen 2 en 4 meter gewerkt is met een fysieke afzetting op 2 meter en evenwijdige aan de dakrand;
  • er werkzaamheden op minder dan 2 meter van de dakrand uitgevoerd werden en de valhoogte meer dan 2,5 meter was er geen maatregelen zijn genomen om valgevaar tegen te gaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen, vangnetten, of door het plaatsen van een veilige steiger, stelling, bordes, et cetera;
  • er geen gebruik is gemaakt van doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte.
Resumé
[…] Uit het onderzoek blijkt ook dat zowel in de RI&E en het handboek RI&E niet volledig alle risico’s van het werken op hoogte geïnventariseerd zijn. Tevens wordt er gesproken in het handboek over het keuren van valbeveiliging, terwijl valbeveiliging niet in het bezit is van [verdachte]
5.
Een proces-verbaalvan de Nederlandse Arbeidsinspectie, documentcode AMB-003-03, van 21 juli 2025 (pagina 67-69), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Dat de heer [slachtoffer] werkzaam was als hulpmonteur. De hoofdmonteur krijgt de opdracht op
de locatie en geeft voorlichting en instructies wat er gebeurd moet worden op de locatie.
Alle medewerkers ontvangen het techniek Nederland Blauwe Boekje, echter is het niet
duidelijk of de medewerkers dit boekje lezen. In het boekje staan veiligheidsvoorzieningen maar de heer [verdachte] is zelf niet op de hoogte van de inhoud. Het toezicht bestond uit dat de heer [verdachte] langs de projecten probeert te rijden. Daarnaast zijn er projecten waar de heer [verdachte] foto's van ontvangt, maar niet langs gaat. Zijn collega [betrokkene 2] zou toezicht houden op de projecten van hem, de heer [verdachte] op zijn eigen projecten. Het toezicht bestaat uit er langs rijden en een praatje maken met de klant. Tevens wordt er
gecontroleerd of het 'goed gaat'. Het toezicht wordt niet geregistreerd en er wordt alleen toezicht gehouden als de agenda het toelaat. Uit de verklaring van de heer [betrokkene 1] blijkt dat er hier geen toezicht wordt gehouden. Op dit project was er niemand langs geweest om te komen kijken.
6.
Een proces-verbaal van verhoor van [vertegenwoordiger] , documentcode V-001-01, van 20 juni 2025 (pagina 29-35), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
V: Sinds wanneer was de heer [slachtoffer] in dienst bij [verdachte]
?
O: [slachtoffer] wordt verder [slachtoffer] genoemd.
A: Mij staat bij 2,5 jaar. Maar de exacte datum weet ik niet. Dan moet ik stukken raadplegen. Als het goed is hebben jullie die stukken.
V: Op de dag van het ongeval had [slachtoffer] een arbeidsovereenkomst bij [verdachte]
Klopt dat?
A: Ja, bij ons hebben ze 40 uur contracten. Ze werken 38 uur en 2 uur bouw je extravakantie uren op. Hij had een vast contract.
V: Welke werkzaamheden was [slachtoffer] aan het uitvoeren ten tijde van het ongeval?
A: Ze waren bezig met zonnepanelen leggen. Het was een nieuwbouw wasstraat. We hebben daar meer gedaan zoals de camera's. Inpandig was het werk af alleen de zonnepanelen moesten nog af.
V: Deze werkwijze beperkt het valgevaar niet afdoende. Bepaald is dat als werkzaamheden op vier meter of meer van een rand plaatsvinden, men zich kan beperken tot het aanbrengen van een signalering op vier meter van de rand. Indien men zich altijd minstens twee meter van de rand bevindt, mag worden volstaan met een fysieke afzetting, bijvoorbeeld een enkele leuning op 1 m hoogte. Op een afstand kleiner dan twee meter van de rand (zoals in de praktijk het geval is bij het plaatsen van de zonnepanelen), mag alleen gewerkt worden als er voldoende voorzieningen zijn getroffen om het valgevaar tegen te gaan. Wat is daarop je reactie?
A: Dat het in dit geval niet is gebeurd. Ik ben er wel van op de hoogte.
V: Deze informatie geeft ook DOC-007-10, het techniek Nederland Blauwe boekje aan, die
je ons hebt toegestuurd. Wat is daarop uw reactie?
A: Ik weet niet wat er precies in dat boekje staat. Ik werk volgens de VCA. Alle monteurs hebben dat boekje.
V: Wat is het doel van het boekje?
A: Daar staan veiligheidsvoorzieningen in. Ik heb het alleen zelf niet gelezen.
V: Verwacht je dat van de monteurs?
A: Ik weet niet of ze dat lezen.
V: Wanneer hebben ze dat boekje gekregen?
A: Normaal gesproken als ze in dienst komen en PBM's en dergelijke krijgen. Ze krijgen dan ook het boekje. Ik ga ervan uit dat dit bij iedereen gebeurt. Ik kan niet alles zelf doen. Ik ben verantwoordelijk maar ander personeel doet dat voor mij.
V: Op welke wijze had uw bedrijf de risico's van de werkzaamheden op het platte dak
geïnventariseerd en onderkend voor het ongeval?
A: Het is een standaard dak. Het is niet specifiek geïnventariseerd.
V: Waren in deze Risico- Inventarisatie en -Evaluatie de risico's van deze werkzaamheden
onderkend?
A: Niet van dit specifieke project.
V: Het staat niet in de RIE. Waren de risico's van de werkzaamheden op een andere wijze
geïnventariseerd of onderkend?
A: Niet specifiek nee.
V: In je RI&E staat in hoofdstuk 9.1 onder Project RI&E voor werk op locatie dat er een
project RI&E en een V&G plan wordt opgesteld. Deze documenten ben ik niet tegen
gekomen tijdens het onderzoek. U heeft deze niet toegestuurd, terwijl er al gevraagd is
naar alle documentatie die te maken hebben met het ongeval toe te sturen. Kan ik er dan
van uitgaan dat u niet in bezit bent van deze documenten?
A: Voor dit project is dat niet gemaakt. We werken vaak als onderaannemer en dan dienen we het wel in. Maar dit was een opdracht rechtstreeks voor de klant. Als de stukken niet zijn toegestuurd dan zijn ze er niet.
V: Welke instructies en voorlichting had het slachtoffer ontvangen voor het ongeval en
wanneer was dat?
A: In principe de dag voor het ongeval. [slachtoffer] is een hulpmonteur. Hij krijgt niet direct de opdracht wat hij moet doen. Dat doet de hoofdmonteur op locatie. Hij heeft de papieren. [betrokkene 1] was de hoofdmonteur.
V: Waarom heeft [slachtoffer] niet alle voorlichting en instructies ontvangen?
A: Dat doet [betrokkene 1] dus ter plaatse.
V: Hoe werd er toezicht gehouden op het treffen van veiligheidsmaatregelen?
A: Ik probeer langs te rijden maar kan niet overal tegelijk zijn. Er zijn genoeg karweien dat ik foto's krijg na het project maar ben ik niet langs geweest.
V: Waar bestond dit toezicht uit?
A: Langs rijden. Een praatje maken ook met de klant. Controleren of het goed gaat.
V: Hoe vaak hield diegene toezicht en waar werd dit geregistreerd?
A: Net of de agenda het toelaat. Het wordt niet geregistreerd. Volgende week bijvoorbeeld heb ik alleen vergaderingen dan kan ik niet langs rijden.
7.
Een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] , documentcode G-001-01, van 31 januari 2025 (pagina 40-41), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
V: Is het vooraf besproken om een hekwerk te plaatsen?
A: Nee. Mijn collega, [slachtoffer] , en ik hebben het erover gehad. Maar niet met mensen op kantoor. Ik was samen met [slachtoffer] hier sinds woensdag aan het werk, we waren met zijn tweeën. Met [slachtoffer] heb ik geëvalueerd of hekwerk nodig was, je hebt een cursus gehad waarbij je het werk bekijkt en de gevaren inschat en hoe je ze probeert te vermijden.
8.
Een verklaring van [vertegenwoordiger] , afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 9 juli 2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Ik ben tijdens de werkzaamheden niet meer op de locatie bij [bedrijf 1] gaan kijken. Ik heb er niet op toegezien of de monteurs een harnas meenamen.
B.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Overwegingen ten aanzien van feit 1
De verdachte is als werkgever gebonden aan veiligheidsvoorschriften zoals die zijn vastgelegd in de Arbowet en het Arbobesluit. Niet in geschil is dat de plaats van het ongeval een arbeidsplaats is als bedoeld in de Arbowet. Tevens staat niet ter discussie dat het slachtoffer een werknemer was van de verdachte in de zin van de Arbowet.
In de Arbowet is verankerd dat werknemers recht hebben op een veilige en gezonde werkplek. De verantwoordelijkheid voor een zodanige werkplek ligt primair bij de werkgever. Op hem rust de verplichting om een goed arbobeleid te voeren, gericht op de bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte in deze verplichting is tekortgeschoten en of zij heeft gehandeld in strijd met de in de Arbowet en het Arbobesluit opgenomen voorschriften. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Artikel 5, eerste lid, van de Arbowet
Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Arbowet moet een werkgever in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vastleggen welke risico’s de werkzaamheden voor de werknemers met zich brengen en welke maatregelen kunnen worden genomen om de risico’s te beperken.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte ten tijde van het arbeidsongeval een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) had, maar dat daarin de risico’s die zijn verbonden aan het werken op een plat dak op hoogte niet zijn geïnventariseerd. In plaats daarvan is daarin opgenomen dat voor projecten een afzonderlijke RI&E en een V&G-plan wordt opgesteld. Voor de werkzaamheden bij [bedrijf 1] was dat echter niet gebeurd. Wel bestond op dat moment de zogeheten “Maatregelenlijst [verdachte] algemeen zonnepanelen” van 9 juni 2020, maar daarin is slechts in algemene zin in kaart gebracht dat bij het werken op platte daken sprake is van valgevaar met het risico op ernstig letsel en welke maatregelen kunnen worden genomen. Ook daarvoor geldt dus dat de risico’s en de te nemen maatregelen niet zijn toegespitst op de werkzaamheden op een plat dak van 7,2 meter hoog. Van enig ander document waarin dergelijke risico’s in kaart zijn gebracht is de rechtbank niet gebleken.
Nu de werkgever gelet op het voorgaande heeft nagelaten in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast te leggen welke risico’s het werken op een plat dak op een hoogte van 7,2 meter voor werknemers met zich meebrengt, heeft zij gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid, van de Arbowet.
Artikel 8, eerste lid, van de Arbowet
In artikel 8, eerste lid, van de Arbowet staat dat een werkgever ervoor zorgt dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden, de daaraan verbonden risico’s en de maatregelen die erop gericht zijn deze risico’s te voorkomen of te beperken.
De omstandigheid dat de aan de werkzaamheden verbonden risico’s niet zijn vastgelegd in een RI&E maakt dat naar het oordeel van de rechtbank ook geen doeltreffende inlichting plaats heeft kunnen vinden. Een inlichting kan namelijk pas doeltreffend zijn als de werkgever de risico’s en de daartegen te nemen maatregelen daadwerkelijk in kaart heeft gebracht.
De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer en zijn collega weliswaar over verschillende certificaten beschikten en dat de verdachte een toolbox gericht op veilig werken heeft verzorgd, maar uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat de verdachte heeft nagelaten om bij de start van de werkzaamheden bij [bedrijf 1] de voor die situatie concrete veiligheidsrisico’s en de te treffen maatregelen met het slachtoffer en zijn collega (de heer [betrokkene 1] te bespreken. Zij hebben de veiligheidssituatie ter plaatse zelf moeten inschatten en hebben er na onderling overleg, blijkbaar, voor gekozen om geen collectieve of individuele valbeveiliging te gebruiken. De verdachte heeft de verantwoordelijkheid voor een veilige werkplek hiermee feitelijk bij zijn werknemers gelegd, terwijl zij deze verantwoordelijkheid draagt.
Met het enkel overhandigen van het “Techniek Blauwe Boekje” bij indiensttreding van nieuwe medewerkers heeft de verdachte niet aan haar verplichting voldaan. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft immers verklaard dat er niet op wordt toegezien dat de werknemers ook daadwerkelijk kennisnemen van de inhoud daarvan. Dat mocht naar het oordeel van de rechtbank in het kader van een doeltreffend inlichtingenbeleid wel degelijk van de verdachte worden verlangd. Daarnaast wordt met voornoemd standpunt voorbijgegaan aan het gegeven dat de inlichtingenplicht uit dit artikel een doorlopende verplichting inhoudt. De werkgever is gehouden om doorlopend en op indringend wijze inlichtingen te verschaffen en om te controleren of de werknemers deze ook hebben begrepen en door de tijd heen nog steeds begrijpt. Daarvan is met een eenmalige uitreiking van een instructieboek geenszins sprake.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat geen sprake is van een doeltreffende inlichting van het slachtoffer en zijn collega in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Arbowet.
Artikel 8, vierde lid, van de Arbowet
Op grond van artikel 8, vierde lid, van de Arbowet ziet de werkgever toe op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de aan de werkzaamheden verbonden risico’s.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het houden van toezicht bij de verdachte niet structureel was geborgd, maar bestond uit het bezoeken van projecten als de agenda dat toeliet. De heer [verdachte] , die daarvoor verantwoordelijk was, heeft verklaard dat een dergelijk bezoek aan onderhavig project niet is gebracht. De verdachte heeft op geen enkele wijze toezicht gehouden op de uitvoering van de werkzaamheden op onderhavig project en op de naleving van veiligheidsvoorschriften. Hij heeft de verantwoordelijkheid voor een veilige werkplek, ten onrechte, volledig bij het slachtoffer en zijn collega gelegd. Gelet daarop heeft de verdachte ook artikel 8, vierde lid, van de Arbowet overtreden.
Artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit
Artikel 3.16 van het Arbobesluit bevat maatregelen die genomen kunnen worden om valgevaar te voorkomen of beperken.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat geen enkele vorm van beveiliging is gebruikt om het gevaar om van het dak van [bedrijf 1] te vallen te voorkomen. Er is geen veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht. Evenmin zijn doelmatige hekwerken, leuningen of andere technische voorzieningen ten behoeve van de collectieve of de individuele bescherming aangebracht. Ze waren überhaupt niet eens op locatie aanwezig of meegenomen. Daarmee is ook artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit overtreden.
Wetenschap van het levensgevaar of de ernstige schade aan de gezondheid
De vraag dient beantwoord te worden of de verdachte wist, althans redelijkerwijs moest weten, dat als gevolg van haar nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte wist dat als gevolg van haar nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was. Het is immers evident dat wanneer maatregelen die gericht zijn op het voorkomen van valgevaar van grote hoogte geheel achterwege worden gelaten, ongelukken kunnen gebeuren met ernstige gezondheidsschade of de dood tot gevolg. Een ongeluk dat zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt.
Opzet
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Voor een bewezenverklaring van de overtreding van in artikel 1 van Pro de Wet op de economische delicten aangewezen voorschriften, waaronder artikel 32 van Pro de Arbowet en daarmee artikel 5 en Pro 8 van de Arbowet en artikel 3.16 van het Arbobesluit, is slechts vereist dat sprake is van een opzettelijke gedraging of een opzettelijk nalaten. Het opzet hoeft er niet op gericht te zijn dat daardoor een wettelijke verplichting niet wordt nageleefd.
De verdachte wordt geacht bekend te zijn met de verplichting om de op haar rustende zorgplichten op grond van de Arbowet en het Arbobesluit na te leven. In het nalaten van de verdachte die zorgplichten na te leven, welk nalaten hiervoor al is komen vast te staan, ligt het opzet besloten. Het feit is opzettelijk begaan.
Tussenconclusie
Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.
Overwegingen ten aanzien van feit 2
Voor het aannemen van schuld als delictsbestanddeel in artikel 307 van Pro het Wetboek van Strafrecht moet het gaan om een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De dader moest anders handelen (verwijtbaarheid) en kon ook anders handelen (vermijdbaarheid). Een en ander wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Vast moet komen staan dat tussen de gemaakte fout en de dood voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat, terwijl tot slot voor culpoze strafbaarheid de voorzienbaarheid nog steeds als voorwaarde geldt.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van feit 1 dat sprake is van schuld aan de zijde van de verdachte als hiervoor bedoeld. De verdachte was werkgever van het slachtoffer. Bovendien heeft zij opzettelijk niet voldaan aan de op haar rustende zorgplichten uit de Arbowet en het Arbobesluit en moest zij redelijkerwijs vermoeden dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers, waaronder het slachtoffer, te verwachten viel. Er is sprake van
aanmerkelijkonvoorzichtig handelen gelet op het geheel aan verwijten dat aan de verdachte kan worden gemaakt en de ernst daarvan.
De omstandigheid dat de vakmensen ter plaatse degenen zijn geweest die geen valbeveiliging hebben gebruikt, doet er niet aan af dat het de verdachte is geweest die heeft nagelaten om een op de situatie toegespitste RI&E op te stellen, de werknemers doeltreffend en doorlopend in te lichten over de aan de werkzaamheden verbonden risico’s en die geen toezicht heeft gehouden op de werkzaamheden. Hiermee is het causaal verband tussen het nalaten van de verdachte en de val van het dak, ten gevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden, ook gegeven.
Gelet op het voorgaande heeft de verdachte de op haar rustende zorgplicht voor de veiligheid van haar werknemers, waaronder die van het slachtoffer, vermijdbaar en verwijtbaar geschonden. De verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig en nalatig gehandeld. De verdachte had de risico’s en de gevolgen zoals die zich hebben voorgedaan toen het ongeval gebeurde, kunnen en moeten voorzien en had anders kunnen en moeten handelen.
Tussenconclusie
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank ook tot een bewezenverklaring van dood door schuld zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.
Toerekening aan de rechtspersoon
De vraag of een gedraging redelijkerwijs kan worden toegerekend aan een rechtspersoon moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij is het van belang of de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de hierna bewezenverklaarde gedragingen plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Het plaatsen van zonnepanelen werd uitgevoerd door werknemers van de verdachte en past binnen har normale bedrijfsvoering. Ook de tekortkomingen ten aanzien van de Arbowet en het Arbobesluit betreffen gedragingen die verband houden met de normale bedrijfsvoering van de verdachte en die feitelijke gang van zaken werd door de verdachte aanvaard. Gelet op de aard van de geconstateerde gedragingen kunnen de strafbare feiten derhalve zonder meer aan de verdachte als rechtspersoon worden toegerekend.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en alles wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
Feit 1:
op 31 januari 2025, te Rijsbergen, in de gemeente Zundert, als werkgever, opzettelijk, handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en op de daarop
rustende bepalingen, immers heeft zij, verdachte, in strijd met
- artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, bij het voeren van het
arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk
vastgelegd welke risico’s het werken op een plat dak op een hoogte van 7,2
meter voor werknemers met zich mee brengt en
- artikel 8, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, er niet voor gezorgd
dat de werknemers doeltreffend werden ingelicht over de te verrichten
werkzaamheden op een (7,2 meter) hoog (en plat) dak en de daaraan verbonden
risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te
voorkomen of te beperken, immers waren de werknemers niet ingelicht over de
(veiligheids)maatregelen in de vorm van hekwerken of leuningen of vangnetten
zoals is vermeld in het Techniek Blauwe Boekje (DOC-007-10) en
- artikel 8, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet, onvoldoende
toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het
voorkomen of beperken van de in het artikel 8, eerste lid genoemde risico's van
de te verrichten werkzaamheden op een plat dak op 7,2 meter hoogte en
- artikel 3.16 Arbeidsomstandighedenbesluit, bij het plaatsen van zonnepanelen op
een plat dak op 7,2 meter hoogte door werknemer [slachtoffer] , waarbij het gevaar
bestond om 2.5 meter of meer te vallen, het gevaar niet voorkomen door het
aanbrengen van (een) veilige steiger(s) of (een) stelling(en) of een bordes of
een werkvloer of doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke
technische voorzieningen ten behoeve van de collectieve bescherming of
individuele bescherming,
terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of
ernstige schade aan de gezondheid van de werknemer [slachtoffer] of andere
werknemers ontstond of te verwachten was;
Feit 2:
op 31 januari 2025, te Rijsbergen, in de gemeente Zundert, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en onzorgvuldig en nalatig heeft gehandeld, door een werknemer, genaamd [slachtoffer] , werkzaamheden te laten verrichten ten behoeve van het plaatsen van
zonnepanelen op een plat dak ter hoogte van 7,2 meter, terwijl zij, verdachte,
- niet heeft gezorgd voor de veiligheid en gezondheid van haar werknemers
inzake alle met de arbeid verbonden aspecten aan [adres] te Rijsbergen
en er geen beleid heeft gevoerd dat gericht was op zo goed mogelijke
arbeidsomstandigheden op die arbeidsplaats en geen doeltreffende collectieve
of individuele maatregelen heeft genomen en geen doeltreffende en passende
persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld aan de werknemers,
immers was geen sprake van een maatregel in de vorm van hekwerken of
leuningen of vangnetten zoals omschreven in het Techniek Blauwe Boekje (DOC-
007-10)
- de risico’s en gevaren van die werkzaamheden op een hoogte van 7,2 meter
onvoldoende heeft geïnventariseerd en beoordeeld en geëvalueerd
en geen, maatregelen heeft getroffen om die risico’s en
die gevaren te voorkomen of te beperken
en
- die werknemers niet doeltreffend heeft ingelicht over die te
verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de
maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken
en
- niet heeft toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op

het voorkomen of beperken van de voornoemde risico's

en
- geen collectieve of individuele doelmatige voorzieningen, in de vorm van
veilige steigers of (een) stelling(en) of een bordes of een werkvloer of
doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke technische voorzieningen,
heeft genomen ter beveiliging van de arbeid(somstandigheden) teneinde valgevaar
te voorkomen,
ten gevolge waarvan aan haar, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer]
van voornoemd dak is gevallen, waardoor [slachtoffer] voornoemd
zodanig letsel heeft bekomen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte rechtspersoon

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte rechtspersoon uitsluiten. De verdachte rechtspersoon is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 60.000,-, waarvan € 25.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten komt, een straf op te leggen die in verhouding staat tot de aard van de zaak, rekening houdend met de meewerkende houding van de verdachte, de maatregelen die na het ongeval zijn genomen, de hulp die na het ongeval aan de nabestaanden is geboden, de omvang van de onderneming, de financiële draagkracht van de onderneming, de erkenning van de schending van de zorgplicht en het blanco strafblad.
Het oordeel van de rechtbank
Algemene overweging
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder haar draagkracht.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van verschillende in de Arbowet en het Arbobesluit opgenomen bepalingen omtrent de veiligheid van werknemers en heeft schuld aan de dood van haar werknemer [slachtoffer] . De verdachte is als werkgever verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid van haar werknemers en is verplicht om maatregelen te nemen tegen de aan het werk verbonden risico’s. De verdachte heeft deze verantwoordelijkheid onvoldoende genomen. Zij heeft het slachtoffer laten werken op een plat dak van 7,2 meter hoog zonder hem doeltreffend in te lichten over de daaraan verbonden gevaren en de te nemen veiligheidsmaatregelen. In feite heeft de verdachte het aan haar medewerkers overgelaten om in te schatten hoe er in die situatie veilig gewerkt kom worden. Daarmee heeft de verdachte haar verplichtingen, die volgens de wet zwaar op haar rustten, volledig neergelegd bij haar werknemers. Door vervolgens ook geen toezicht te houden op het uiteindelijk uitgevoerde werk, waar desnoods nog enig gebrek aan beveiliging had kunnen worden opgemerkt, hebben de gevaren die dit werk met zich meebrengt zich kunnen verwezenlijken. Dat rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Verdachte heeft de nabestaanden van de heer [slachtoffer] onherstelbaar leed aangedaan, waarvan zij de gevolgen nog dagelijks moeten ondervinden. De rechtbank realiseert zich dat een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, dit leed niet ongedaan zal kunnen maken.
Omstandigheden van de verdachte rechtspersoon
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële documentatie van 26 mei 2026 van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Er is dus geen sprake van strafrechtelijke antecedenten die de rechtbank in strafverzwarende zin zal meewegen.
De rechtbank ziet ook de impact die het ongeval op het kleine team en op de bedrijfsvoering van de verdachte - en haar indirect bestuurder - heeft gehad en de hulp en steun die de verdachte aan de nabestaanden heeft geboden door contact met hen te onderhouden en de uitvaart te bekostigen. Daarnaast heeft de verdachte meegewerkt aan het onderzoek door de arbeidsinspectie en heeft zij daadwerkelijk verantwoordelijkheid genomen. Zij heeft erkend volledig verantwoordelijk te zijn voor wat er is gebeurd en heeft toegelicht dat sinds het ongeval meer aandacht wordt besteed aan controle en veiligheid. De rechtbank weegt deze omstandigheden in strafmatigende zin mee.
Straftoemeting
De rechtbank neemt in zaken als deze een geldboete ter hoogte van € 100.000,- als uitgangspunt, mede gebaseerd op uitspraken in vergelijkbare zaken. Vervolgens houdt de rechtbank (veelal in strafmatigende zin) rekening met alle relevante omstandigheden.
Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen nu de verdachte, zoals hiervoor is overwogen, daadwerkelijk verantwoordelijkheid heeft genomen en maatregelen heeft genomen om een ongeval in de toekomst te voorkomen.
Een onvoorwaardelijke geldboete van € 35.000,- zou naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank daarom van oordeel dat passend en geboden is om de verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 50.000,-.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
23, 51, 57, 307 Wetboek van Strafrecht,
5, 8, 32 Arbeidsomstandighedenwet,
1, 2, 6 Wet op de economische delicten,
3.16
Arbeidsomstandighedenbesluit.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte rechtspersoon meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1:
Overtreding van het bepaalde bij artikel 32 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
T.a.v. feit 2:
Aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.
verklaart de verdachte rechtspersoon ( [verdachte] .) hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf:
T.a.v. feit 1, feit 2:
Een geldboeteter hoogte van
50.000,00 euro.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. S.J.H. van de Kant, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,
en is uitgesproken op 23 juli 2026.