ECLI:NL:RBOBR:2026:5398

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
01.129502.22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak deelname criminele organisatie, veroordeeld voor medeplegen handel harddrugs, witwassen en vuurwapenbezit

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van deelname aan een criminele organisatie wegens onvoldoende bewijs. Wel is verdachte veroordeeld voor medeplegen van handel in cocaïne, medeplegen van witwassen via een chalet en medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen.

De bewezenverklaring is gebaseerd op verklaringen van medeverdachten, vondst van 297,85 gram cocaïne in de gezamenlijke slaapkamer, en DNA-sporen op het vuurwapen. Het witwassen via de aankoop van een chalet met contante betaling is eveneens bewezen verklaard. De rechtbank oordeelde dat verdachte een ondergeschikte rol had, maar wel bewust en met beschikkingsmacht handelde.

De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het langdurige reclasseringstoezicht, het stabiel geworden gezinsleven en de forse overschrijding van de redelijke termijn. Daarom werd een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 630 dagen, waarvan 524 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 200 uur.

De rechtbank hechtte aan de ernst van de feiten, waaronder de ondermijnende werking van de drugsindustrie en het gevaar van vuurwapenbezit, maar vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend gezien de omstandigheden. Het vonnis is gewezen op 15 juli 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 630 dagen gevangenisstraf, waarvan 524 dagen voorwaardelijk, en 200 uur taakstraf, en vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.129502.22
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1983] ,
wonende te [woonplaats] ,
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 oktober 2022 en 1 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 31 augustus 2022.
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging d.d. 1 juli 2026 ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
zij in of omstreeks de periode van 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022 te Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
-een (grote) hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
-ongeveer 307,09 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 2:
zij in of omstreeks de periode van 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022 te Oss, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere)
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;
T.a.v. feit 3:
zij in of omstreeks de periode van 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022 te Oss en/of Schaijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van):
-een personenauto met kenteken: [kenteken] en/of
-een chalet, gelegen aan [adres] te Schaijk,
althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s), wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
T.a.v. feit 4:
zij op of omstreeks 27 juni 2022 te Oss, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een double-action centraalvuur pistool, van het merk Zoraki, type 917, 9x17 millimeter zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Voor feit 3 heeft hij de officier van justitie partiële vrijspraak gevraagd. Er kan volgens de officier van justitie niet worden bewezen dat verdachte de personenauto heeft witgewassen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1 en van feit 3 met betrekking tot het witwassen van het chalet. De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken voor feit 2 en feit 3, aangaande de personenauto en feit 4.
Het oordeel van de rechtbank.
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis.
Feit 1: De handel in verdovende middelen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat medeverdachte en tevens partner van verdachte, [medeverdachte 2] , vanaf 28 februari 2021 tot 27 juni 2022 samen met anderen gehandeld heeft in verdovende middelen, namelijk cocaïne.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte in voormelde periode heeft gehandeld in cocaïne. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Verdachte heeft op de raadkamer van 13 juli 2022 verklaard dat zij notities heeft gemaakt van de handel in verdovende middelen en dat ze sealtjes heeft gevuld met die verdovende middelen. Op de terechtzitting van 1 juli 2026 heeft zij verklaard dat zij een deel van de administratie bijhield. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat verdachte aan [medeverdachte 3] liet weten wie langskwam om cocaïne op te halen of naar welk adres [medeverdachte 3] de cocaïne moest brengen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het voorkwam dat, als medeverdachte [medeverdachte 2] afwezig was, [medeverdachte 1] naar verdachte toe moest of dat verdachte naar haar kwam om, zo begrijpt de rechtbank, cocaïne te halen of te brengen. Dit maakt dat zij en medeverdachte [medeverdachte 2] een bewuste en nauwe samenwerking hebben gehad ten aanzien van feit 1, kort gezegd, de handel in verdovende middelen.
Feit 1: Het aanwezig hebben van verdovende middelen
Op 27 juni 2022 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden aan de Krinkelhoekplaats 6 te Oss, waar zij en medeverdachte [medeverdachte 2] destijds samen woonachtig waren. Hier is in hun gezamenlijke slaapkamer in een boodschappentas zakjes met poeder van in totaal (netto) 297,85 gram en het NFI heeft vastgesteld dat het om cocaïne gaat. In die tas zat ook een weegschaal en gebruikerszakjes. Gelet op de plaats waar de drugs is aangetroffen en ook verdachtes verklaring dat zij ten behoeve van de handel zakjes met cocaïne gevuld heeft, kan het niet anders dan dat de verdachte wetenschap van en beschikkingsmacht over de cocaïne heeft gehad. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in vereniging de cocaïne opzettelijk voorhanden hebben gehad.
Het voorgaande maakt dat wettig en overtuigd bewezen is dat verdachte schuldig is aan het onder 1 ten laste gelegde feit.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2: Deelname aan een criminele organisatie.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd onder feit 2, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken en overweegt hiertoe als volgt.
Voor de vraag of sprake is geweest van een criminele organisatie, is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere (rechts)persoon. De vraag of hiervan sprake is, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De rechtbank overweegt dat sprake is van een omvangrijk procesdossier, waarbij opvalt dat het dossier, anders dan te doen gebruikelijk, geen (zaaks)dossier bevat dat is toegespitst op het bestaan van een criminele organisatie. In zijn requisitoir heeft de officier van justitie ook geen onderbouwde toelichting gegeven waarom sprake zou zijn geweest van een criminele organisatie.
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier weliswaar kan worden afgeleid (en onder feit 1 is dat ook bewezenverklaard) dat er sprake is geweest van medeplegen, maar dat op basis van het procesdossier en de toelichting van de officier van justitie onvoldoende kan worden vastgesteld dat voldaan is aan de vereisten voor het bestaan van een criminele organisatie.
De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde feit.
Feit 3: Witwassen.
Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel ten aanzien van het witwassen van de personenauto met kenteken: [kenteken] , wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van dat deel van feit 3.
Witwassen middels het chalet kan wel wettig en overtuigend worden bewezen.
De rechtbank doorloopt bij de toets of sprake is van witwassen middels het chalet het volgende kader;
1. Als er op basis van de feiten en omstandigheden sprake is van een vermoeden van witwassen;
2. dan mag van verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van de goederen dan wel gelden. Deze verklaring moet concreet, in enige mate verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn;
3. Zodra de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, is het aan het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van de goederen;
4. Uit de resultaten van dat onderzoek zal moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.
Verdachte heeft een chalet op haar naam staan, terwijl zij onder bewind staat en niet beschikt over voldoende (legale) middelen om een chalet te kunnen kopen, zo blijkt uit het overzicht van haar bankgegevens. Uit onderzoek is verder gebleken dat het chalet (grotendeels) contant is afgerekend. Dit geeft een vermoeden van witwassen.
Aangezien er sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte een verklaring worden verlangd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Verdachte heeft geen verklaring gegeven ten aanzien van de financiële middelen waarmee zij en haar partner het chalet hebben gekocht.
Naar oordeel van de rechtbank is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] een chalet, gelegen aan [adres] te Schaijk voorhanden heeft gehad, gebruik heeft gemaakt van dat chalet terwijl deze middellijk uit enig misdrijf afkomstig was, namelijk uit de cocaïnehandel zoals hierboven bewezenverklaard. Feit 3 kan daarom ten aanzien van het chalet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat het chalet is aangekocht op 26 februari 2022 zal de rechtbank de bewezenverklaarde periode beperken tot een periode van 26 februari 2022 tot en met 27 juni 2022.
Feit: 4 het voorhanden hebben van een vuurwapen.
Op 27 juni 2022 heeft er een huiszoeking plaatsgevonden aan de Krinkelhoekplaats 6 te Oss, waar zoals reeds eerder overwogen medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte [verdachte] destijds samen woonachtig waren. Hier is, eveneens in hun slaapkamer, in een koffer een vuurwapen aangetroffen. Het vuurwapen is vervolgens in beslaggenomen en door de politie onderzocht. Het betreft een vuurwapen, te weten een pistool van het Turkse merk Zoraki, model 917 Double Action. Het was een gaspistool, kaliber 9 millimeter, en is getransformeerd naar een vuurwapen, 9x17 millimeter, dat projectielen door een loop kan verschieten door middel van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie. Er is zodoende sprake van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, van de Wet wapens en munitie. Uit onderzoek is gebleken dat het gaat om een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie.
Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een vuurwapen is naast de aanwezigheid van het vuurwapen een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat vuurwapen, een zekere macht van de verdachte over het vuurwapen vereist. Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat een bewoner van een woning in beginsel geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en afspeelt. Deze aanname kan echter worden weerlegd als de verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel.
De rechtbank stelt vast dat het wapen is aangetroffen in de slaapkamer van verdachte. De slaapkamer is een van de meest persoonlijke plaatsen in het huis. Op de ruwe delen van het wapen is DNA-materiaal aangetroffen en vergeleken met het DNA van verdachte. Dat het aangetroffen DNA-materiaal overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dan dat het afkomstig is van een willekeurige derde. Dit duidt erop dat verdachte het vuurwapen in ieder geval heeft aangeraakt. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het voorgaande vastgesteld kan worden dat de verdachte een meer of mindere mate van bewustheid over de aanwezigheid van het vuurwapen heeft gehad. Het feit dat het wapen in haar slaapkamer lag maakt ook dat zij er beschikkingsmacht over had.
De verdediging heeft aangevoerd dat dit DNA-materiaal van verdachte op het wapen kan zijn gekomen door overdracht van DNA middels een ander voorwerp dat in dezelfde koffer aanwezig was, zijnde een damesportemonnee. Als dat zo zou zijn geweest, dan acht de rechtbank het aannemelijk dat de verdachte gebruik maakte van de koffer en dus wist wat zich in de koffer bevond. Het vuurwapen bevond zich in de koffer.
Dit alles maakt dat de rechtbank oordeelt dat de verdachte en de medeverdachte het wapen in vereniging voorhanden hebben gehad, zodat het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van feit 1:
in de periode van 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022 in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), telkens opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- 297,85 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Ten aanzien van feit 3:
in de periode van 26 februari 2022 tot en met 27 juni 2022 te Schaijk, tezamen en in vereniging met een ander een chalet, gelegen aan [adres] te Schaijk,
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en
- gebruik heeft gemaakt
terwijl zij, verdachte en haar mededader wisten dat dat voorwerp - middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Ten aanzien van feit 4:
op 27 juni 2022 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een double-action centraalvuur pistool, van het merk Zoraki, type 917, 9x17 millimeter zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft gevraagd bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zij is door de onderhavige feiten haar kinderen voor een lange periode kwijtgeraakt. Inmiddels is de gezinssituatie weer op orde en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit doorbreken. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op het feit dat het schorsingstoezicht al meer dan drie jaren loopt en dat verdachte zich goed aan de voorwaarden heeft gehouden. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn fors is overschreden. De raadsman heeft gevraagd om aan verdachte een (voorwaardelijke) taakstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich samen met haar medeverdachten gedurende een periode van bijna anderhalf jaar schuldig gemaakt aan het dealen in harddrugs. Verdachte heeft met haar gedragingen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de drugsindustrie. De samenleving ondervindt hier veel hinder van, nu het drugsgebruik niet alleen gezondheidsrisico’s voor de gebruikers daarvan met zich meebrengt, maar ook leidt tot (vermogens)criminaliteit om in het drugsgebruik te kunnen voorzien, waardoor gevoelens van onveiligheid ontstaan.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het bezit van een vuurwapen brengt grote risico’s voor de veiligheid van personen met zich mee. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank heeft op het strafblad van verdachte gezien dat zij eerder is veroordeeld, ook voor soortgelijke feiten. Kennelijk hebben deze veroordelingen verdachte er niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies van 17 juni 2026 over verdachte. Hierin is onder meer het volgende vermeld:
“Vanwege de proceshouding en een gedateerd delictverleden kunnen wij geen verbanden leggen tussen de beschreven leefgebieden en het ten laste gelegde. Wel valt op dat de eerdere delicten, maar ook huidig ten laste gelegde veelal in vereniging zijn gepleegd en haar partner voor zover bekend in twee van de drie zaken een van de medeverdachten was. Sociale contacten, mogelijk gebrekkige vaardigheden en/of haar toenmalige houding ten opzichte van crimineel handelen worden daarom ten tijde van het ten laste gelegde (2022) als mogelijke risico factoren beoordeeld.
Mevrouw [verdachte] werd op 10 december 2022 geschorst en heeft inmiddels een langdurig en intensief hulpverleningstraject doorlopen. Dit in combinatie met begeleiding door de reclassering. Gedurende deze periode zijn er geen nieuwe justitiecontacten meer geweest. De hulpverlenende instelling (PJ professionals, forensische zorgverlener) zien dat mevrouw [verdachte] “begeleiding en behandeling accepteert, openstaat voor ondersteuning, actief werkt aan behoud van stabiliteit binnen haar gezin, meewerkt aan voorwaarden vanuit de reclassering, stappen zet richting werk en financiële stabilisatie en sinds de start van begeleiding niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast is er
sprake is van groei in zelfreflectie, emotieregulatie en probleeminzicht. Hoewel kwetsbaarheden blijven bestaan, met name op het gebied van stressbelasting, financiën en emotionele draagkracht, wordt tegelijkertijd gezien dat betrokkene zich inzet om haar situatie stabiel te houden en hulpverlening actief blijft benutten.” Zij schatten het recidive risico vanwege meerdere beschermende factoren en een stabiel functionerend dagelijks leven als zeer laag in. Dit wordt onderschreven door de toezichthouder. Gezien voorgaande waarbij sprake was van een langdurig traject, er nu ruim drie jaar geen nieuwe meldingen meer zijn en de risico inschatting van betrokken hulpverlening, worden er voor nu onvoldoende aanknopingspunten gezien om het toezicht voort te zetten.
Advies over bijzondere voorwaarden
Bij een veroordeling adviseren wij een straf zonder bijzondere voorwaarden. Wij vinden interventies of toezicht op dit moment niet meer nodig.
Advies over gevangenisstraf
Een gevangenisstraf heeft voor mevrouw [verdachte] dezelfde algemene nadelen als voor iedereen gelden. Haar gezin met name haar kinderen zouden hier nadeel van kunnen ondervinden wat mogelijk ook zou kunnen gelden voor de positieve effecten van het traject wat zij doorlopen heeft.
Advies over taakstraf
Mevrouw [verdachte] is in staat en bereid om een werkstraf te kunnen uitvoeren wanneer er rekening gehouden kan worden met de schooltijden van haar kinderen.
Advies over financiële en andere sancties
Mevrouw [verdachte] heeft schulden waarop aflossingsregelingen lopen. Een financiële sanctie zou de schuldenlast verder verzwaren.”
Redelijke termijn.
Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank er rekening mee dat de redelijke termijn van berechting, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Er is namelijk sprake van een tijdsverloop van meer dan twee jaar tussen de aanvangsdatum van 27 juni 2022 (datum inverzekeringstelling) en het eindvonnis van vandaag. Van bijzondere omstandigheden die een overschrijding van deze termijn zouden kunnen rechtvaardigen is niet gebleken. De rechtbank constateert dat er sprake is van een overschrijding van meer dan twee jaar.
De op te leggen straf.
Hoewel de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het reeds door verdachte ondergane voorarrest rechtvaardigen, acht de rechtbank dit vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de forse overschrijding van de redelijke termijn niet langer opportuun. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat verdachte weliswaar is aangeduid als medepleger, maar dat zij bij de uitvoering van de strafbare feiten een relatief ondergeschikte rol heeft gehad.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op de onzekerheid waarin zij de afgelopen vier jaren verkeerde over de afdoening van haar strafzaak, haar beperktere rol, haar positieve houding ten aanzien van het langdurige toezicht van de reclassering en de omstandigheid dat het gezinsleven weer op de rit staat, niet terug hoeft naar de gevangenis. Om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen en gezien het strafblad van verdachte, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf met een langdurige proeftijd van drie jaren en daarnaast een taakstraf passend.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 630 dagen met aftrek als bedoel in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, waarvan 524 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en daarnaast een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank de verdachte gedeeltelijk heeft vrijgesproken en de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van hetgeen onder feit 2 is ten laste gelegd.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van witwassen
Ten aanzien van feit 4:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen.
Ten aanzien van feit 1, feit 3 en feit 4:
Een gevangenisstraf voor de duur van 630 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht waarvan 524 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,
mr. J.H.P.G. Wielders en mr. F. Kooijman, leden,
in tegenwoordigheid van mr. T.J. Oosterman en mr. M.M.A. Akkers, griffiers,
en is uitgesproken op 15 juli 2026.