ECLI:NL:RBOBR:2026:5400

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
01-129502-22 [Ontneming]
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke veroordeling tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim 61.000 euro

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 15 juli 2026 een vonnis gewezen waarin veroordeelde werd veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €61.927,61. Dit bedrag is berekend over de periode van 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022 en betreft opbrengsten uit de handel in cocaïne en contante betalingen die via WhatsApp werden geregeld.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op tikkies en betaalverzoeken via bankrekeningen bij ABN Amro en Rabobank, alsmede contante betalingen die zijn vastgesteld aan de hand van gesprekken en bestellingen. De rechtbank hanteerde een winstpercentage van 50% van de verkoopprijs, conform jurisprudentie van hogere rechters.

Veroordeelde werd tevens hoofdelijk aansprakelijk gesteld samen met een medeverdachte, omdat zij gezamenlijk de beschikking hadden over het voordeel en geen inzicht werd gegeven in de onderlinge verdeling. De rechtbank constateerde een schending van de redelijke termijn, maar achtte deze voldoende gecompenseerd door matiging van de straf in de strafzaak.

De ontnemingsmaatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank bepaalde tevens de maximale duur van gijzeling op 619 dagen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant en is het resultaat van een zorgvuldige beoordeling van de bewijsstukken en berekeningen in het dossier.

Uitkomst: Veroordeelde is hoofdelijk verplicht tot betaling van €61.927,61 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer ontneming: 01.129502.22
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
wonende te [adres] ,
hierna: veroordeelde.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 juli 2026.

De vordering.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 61.927,61 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De beoordeling van de vordering.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft om toewijzing van de vordering verzocht en heeft gevraagd om aan veroordeelde hoofdelijk de betalingsverplichting op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van veroordeelde heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft wel verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat de vordering tijdig is ingediend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden onderzocht of, en zo ja, in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten dan wel soortgelijke feiten dan wel dat andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van eveneens 15 juli 2026 veroordeeld voor
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van witwassen
Ten aanzien van feit 4:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld of uit andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, lid 3 Sr.
De berekening.
Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat neemt de rechtbank als uitgangspunt de berekening zoals deze is gemaakt in de rapportage wederrechtelijk verkregen voordeel [1] die zich in het dossier bevindt. Dit betreft een berekening over de periode 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022. De berekening is in vereenvoudigde zin als volgt:
Tikkies/betaalverzoeken ABN Amro en Rabobank:
Via de rekening bij de ABN Amro bank werden in de periode van 29 november 2021 tot en met 27 juni 2022 in totaal 790 tikkies/betaalverzoeken in het kader van de handel in cocaïne door medeveroordeelde [medeveroordeelde] verzonden naar verschillende personen voor een totaalbedrag van € 41.204,72.
Via de rekening bij de Rabobank werden in de periode van 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022 in totaal 433 tikkies/betaalverzoeken in het kader van de handel in cocaïne door medeveroordeelde [medeveroordeelde] verzonden naar verschillende personen voor een totaalbedrag van € 25.525,50.
De inkoopprijs van de cocaïne is tijdens het onderzoek niet duidelijk geworden. Conform uitspraken van meerdere Gerechtshoven en de Hoge Raad wordt uitgegaan van een winstpercentage van 50 % van de verkoopprijs.
€ 41.204,72 euro : 2 (inkoopprijs) = € 20.602,36 winst;
€ 25.525,50 euro : 2 (inkoopprijs) = € 12.762,75 winst;
€ 33.365,11 winst.

Contante betalingen die werden geregeld via WhatsApp:

Uit onderzoek is naar voren gekomen dat veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] gedeald hebben vanaf 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022. Dit betreft een periode van 485 dagen. In het voordeel van veroordeelde gaan er van deze dagen 4 weken vakantie (28 dagen) af, 485 dagen - 28 dagen vakantie = 457 dagen.
Uit de gesprekken kwam naar voren dat medeveroordeelde [medeveroordeelde] in de periode van 21 januari 2022 tot en met 27 april 2022 contante betalingen heeft ontvangen met betrekking tot de handel in cocaïne.
In deze periode (61 dagen) werden er 103 “kleine” besteld, 94 “grote” besteld en 33 onbekende bestellingen gedaan. Bij de onbekende bestellingen is het niet duidelijk geworden of dit om klein of om groot ging. Daarom wordt er in het voordeel van veroordeelde van uitgegaan dat de onbekende bestellingen “klein” waren. Voor een grote bestelling werd € 50,00 betaald en voor een kleine werd € 25,00 betaald.
94 groot x € 50,00 = € 4.700,00;
103 klein x € 25,00 = € 2.575,00;
33 onbekend x € 25,00 = € 825,00.
€ 4.700,00 + € 2.575,00 + € 825,00 = € 8.100,00.
€ 8.100,00 : 61 dagen = € 132,78 gemiddeld per dag verkocht.
In het voordeel van de veroordeelde wordt dit bedrag afgerond naar € 125,00 per dag.
457 dagen x € 125,00 = € 57.125,00 : 2 (inkoopprijs) = € 28.562,50.
Totale winst van de verkoop:
Tikkies: € 33.365,11;
Contante betalingen: € 28.562,50;
Totaal: € 61.927,61.
De rechtbank acht de uitgangspunten van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de gehanteerde onderzoeksperiode voldoende onderbouwd en neemt de conclusies over. Het rapport vermeldt de wettige bewijsmiddelen waarop de berekening berust en de wettige bewijsmiddelen zijn tevens opgenomen in het vonnis van 15 juli 2026.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door de rechtbank daarom berekend op
€ 61.927,61.
Hoofdelijkheid.
Uit artikel 36e lid 7 Sr volgt dat bij de vaststelling van het ontnemingsbedrag ter zake van feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd kan worden bepaald dat deze personen hoofdelijk dan wel ieder voor een door de rechter te bepalen deel aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting. De rechtbank stelt vast dat veroordeelde de bewezenverklaarde feiten tezamen en in vereniging met de medeveroordeelde [medeveroordeelde] heeft gepleegd. Uit de in het vonnis van 15 juli 2026 in de strafzaak vastgestelde feiten en omstandigheden is aannemelijk geworden dat veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] gezamenlijk de beschikking hebben gehad over het uit de feiten verkregen wederrechtelijk voordeel. Veroordeelde noch medeveroordeelde [medeveroordeelde] heeft inzicht verschaft in de onderlinge verdeling van dat voordeel. De rechtbank merkt het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom aan als gemeenschappelijk voordeel en zal de betalingsverplichting op grond van artikel 36e lid 7 van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk opleggen.
Schending redelijke termijn
De rechtbank constateert dat, net als in de strafzaak, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden fors is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak opgelegde straf. De ontnemingszaak en de strafzaak zijn gelijktijdig behandeld, waardoor de rechtbank in deze zaak zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:

Stelthet bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 61.927,61(eenenzestigduizend negenhonderdzevenentwintig euro en eenenzestig cent).
Legtaan
[veroordeelde]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 61.927,61(eenenzestigduizend negenhonderdzevenentwintig euro en eenenzestig cent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat zij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan zij is veroordeeld, heeft verkregen.
Veroordeelde is niet gehouden tot betaling van dit bedrag voor zover dit door haar mededader is betaald.
Bepaaltde duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
619 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,
mr. J.H.P.G. Wielders en mr. F. Kooijman, leden,
in tegenwoordigheid van mr. T.J. Oosterman en mr. M.M.A. Akkers, griffiers,
en is uitgesproken op 15 juli 2026.

Voetnoten

1.Rapportage wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt door verbalisanten S.M. Toonen en M.W.A. de Visser, d.d. 21 oktober 2022, dossierpagina’s 1606-1825.