ECLI:NL:RBOBR:2026:5402

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
01-102314-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak deelname criminele organisatie, veroordeeld voor medeplegen handel cocaïne, witwassen en vuurwapenbezit

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van handel in cocaïne, witwassen en het voorhanden hebben van een vuurwapen, maar vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie. De feiten betreffen een periode van 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022, waarin verdachte samen met anderen grote hoeveelheden cocaïne verhandelde en met de opbrengsten een chalet kocht.

De rechtbank achtte het bewijs overtuigend, onder meer op basis van bekentenissen, betalingsgegevens via Tikkie en forensisch onderzoek. De handel in cocaïne werd bewezen vanaf 28 februari 2021, ondanks ontkenning van verdachte voor die startdatum. Witwassen werd bewezen voor de aankoop van het chalet, maar niet voor een personenauto die verdachte gebruikte.

Het bezit van een getransformeerd vuurwapen in de gezamenlijke slaapkamer van verdachte en medeverdachte werd eveneens bewezen, mede door DNA-sporen. De rechtbank sprak verdachte vrij van deelname aan een criminele organisatie wegens onvoldoende bewijs van een duurzaam samenwerkingsverband.

De straf is een gevangenisstraf van 960 dagen met aftrek, waarvan 719 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 240 uur. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn en het lage herhalingsgevaar.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie en veroordeeld tot 960 dagen gevangenisstraf, waarvan 719 voorwaardelijk, en 240 uur taakstraf voor medeplegen van handel in cocaïne, witwassen en vuurwapenbezit.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.102314.22
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 oktober 2022, 9 december 2022, 21 februari 2023 en 1 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 31 augustus 2022.
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging d.d. 21 februari 2023, ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022 te Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
-een (grote) hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
-ongeveer 307,09 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 2:
hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022 te Oss, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere)
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer anderen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;
T.a.v. feit 3:
hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022 te Oss en/of Schaijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van):
-een personenauto met kenteken: [kenteken] en/of
-een chalet, gelegen aan de [adres 2] te Schaijk,
althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
T.a.v. feit 4:
hij op of omstreeks 27 juni 2022 te Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een double-action centraalvuur pistool, van het merk Zoraki, type 917, 9x17 millimeter zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis.
Feit 1: De handel in verdovende middelen.
De verdachte heeft bekend dat hij met anderen vanaf begin 2022 tot 27 juni 2022 heeft verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd een hoeveelheid cocaïne. De verdachte heeft ontkend dat hij al vanaf 28 februari 2021 handelde in cocaïne.
De rechtbank acht echter wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte vanaf 28 februari 2021 handelde in cocaïne en overweegt daartoe het volgende.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 1 juli 2026 verklaard dat hij via Tikkie en contante betaling, geld heeft ontvangen voor cocaïne, waarbij hij 25 euro ontving voor een halve gram cocaïne (K voor klein) en 50 euro voor een gram cocaïne (G voor groot).
In het dossier bevindt zich een overzicht van betalingen die de verdachte heeft ontvangen via Tikkie. De verdachte heeft op de terechtzitting van 1 juli 2026 in eerste instantie verklaard dat alle zogenoemde tikkies zagen op betalingen van cocaïne, ondanks dat er andere beschrijvingen bij vermeld stonden, zoals sigaretten, boodschappen of eten. Uit het genoemde overzicht volgt dat de verdachte per 28 februari 2021 bedragen via Tikkie ontving met voormelde beschrijvingen. Verdachte heeft in tweede instantie ter terechtzitting verklaard dat de eerste betalingen op het overzicht zagen op de verkoop van sigaretten en op de ontvangst van een vergoeding voor werkzaamheden. Die verklaring is naar oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig, nu de handelswijze van de verdachte in de periode die hij wel heeft bekend, voor zowel de ronde geldbedragen, de beschrijvingen en de frequentie van tikkies, niet afwijkt van de handelswijze in de periode daarvoor.
De rechtbank acht daarmee de startdatum van 28 februari 2021 van de handel in cocaïne wettig en overtuigend bewezen. Hieruit volgt dat wettig en overtuigd bewezen kan worden dat de verdachte in de ten laste gelegde periode van 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022 heeft gehandeld in cocaïne.
Feit 1: Het aanwezig hebben van 307,09 gram cocaïne
Op 27 juni 2022 heeft een doorzoeking plaatsgevonden aan de [adres 3] te Oss, het huis van verdachte en zijn partner [medeverdachte 2] , tevens medeverdachte, waar zij destijds woonachtig waren. Op hun slaapkamer is cocaïne aangetroffen. Verdachte heeft bekend dat deze cocaïne van hem was en bestemd was voor de handel. Het betrof een hoeveelheid van netto 297,85 gram en het NFI heeft vastgesteld dat het om cocaïne gaat. Nu de aangetroffen cocaïne is aangetroffen in hun gezamenlijke slaapkamer en deze bestemd was voor de (gezamenlijke) handel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 27 juni 2022 297,85 gram cocaïne opzettelijk samen met een ander aanwezig heeft gehad.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2: Deelname aan een criminele organisatie.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd onder feit 2, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken en overweegt hiertoe als volgt.
Voor de vraag of sprake is geweest van een criminele organisatie, is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere (rechts)persoon. De vraag of hiervan sprake is, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De rechtbank overweegt dat sprake is van een omvangrijk procesdossier, waarbij opvalt dat het dossier, anders dan te doen gebruikelijk, geen (zaaks)dossier bevat dat is toegespitst op het bestaan van een criminele organisatie. In zijn requisitoir heeft de officier van justitie ook geen onderbouwde toelichting gegeven waarom sprake zou zijn geweest van een criminele organisatie.
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier weliswaar kan worden afgeleid (en onder feit 1 is dat ook bewezenverklaard) dat er sprake is geweest van medeplegen, maar dat op basis van het procesdossier en de toelichting van de officier van justitie onvoldoende kan worden vastgesteld dat voldaan is aan de vereisten voor het bestaan van een criminele organisatie.
De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde feit.
Feit 3: Witwassen.
De verdachte heeft bekend dat hij met de opbrengsten van de handel in cocaïne het chalet heeft gekocht. Feit 3 kan daarom ten aanzien van het chalet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Over de personenauto heeft de verdachte verklaard dat deze auto door zijn moeder is aangeschaft en dat hij deze auto mocht gebruiken. De moeder heeft dit bij de rechter-commissaris op 4 juli 2023 bevestigd. Zij heeft toen verklaard dat zij haar Audi heeft ingeruild, dat zij € 4.000,- moest bijbetalen en dat zij daarna nog eens € 1.250,- moest bijbetalen voor de aanschaf van de auto.
Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van de verklaring van verdachte en zijn moeder over de aanschaf van de auto geen nader onderzoek verricht. Nu verdachte naar het oordeel van de rechtbank een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd en het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek heeft verricht, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat de personenauto met kenteken [kenteken] middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf en spreekt daarom de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij.
Als gezegd, de rechtbank is van oordeel dat er wel sprake is van witwassen door middel van de aanschaf van het chalet gelegen aan de [adres 2] te Schaijk. Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat het chalet is aangekocht op 26 februari 2022 zal de rechtbank de bewezenverklaarde periode beperken tot een periode van 26 februari 2022 tot en met 27 juni 2022.
Feit 4: Het voorhanden hebben van een vuurwapen.
Op 27 juni 2022 heeft er een huiszoeking plaatsgevonden aan de [adres 3] te Oss, waar medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte destijds samen woonachtig waren. Hier is, eveneens in hun slaapkamer, in een koffer een vuurwapen aangetroffen. Het vuurwapen is vervolgens in beslaggenomen en door de politie onderzocht. Het betreft een vuurwapen, te weten een pistool van het Turkse merk Zoraki, model 917 Double Action. Het was een gaspistool, kaliber 9 millimeter, en is getransformeerd naar een vuurwapen, 9x17 millimeter, dat projectielen door een loop kan verschieten door middel van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie. Er is zodoende sprake van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, van de Wet wapens en munitie. Uit onderzoek is gebleken dat het gaat om een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie.
De verdachte heeft bekend dat hij dit vuurwapen voorhanden heeft gehad.
Verdachte wordt verweten dat hij het wapen in vereniging aanwezig heeft gehad. Op het wapen is DNA-materiaal aangetroffen van minimaal twee personen. Dat het aangetroffen DNA-materiaal overeenkomt met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte 2] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dan dat het afkomstig is van een willekeurige derde.
Beide verdachten hebben het wapen in hun slaapkamer gehad. De slaapkamer is een van de meest persoonlijke plaatsen in huis. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] wetenschap hadden van het wapen en dat zij beschikkingsmacht over het wapen hadden. De rechtbank acht zodoende wettig en overtuigend bewezen dat zij het wapen in vereniging voorhanden hebben gehad.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van feit 1:
in de periode van 28 februari 2021 tot en met 27 juni 2022 in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), telkens opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- 297,85 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Ten aanzien van feit 3:
in de periode van 26 februari 2022 tot en met 27 juni 2022 te Schaijk, tezamen en in vereniging met een ander (van) een chalet, gelegen aan de [adres 2] te Schaijk,
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten dat dat voorwerp - middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Ten aanzien van feit 4:
op 27 juni 2022 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een double-action centraalvuur pistool, van het merk Zoraki, type 917, 9x17 millimeter zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft gevraagd bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zijn leven op de rit en werkt meer dan fulltime om zijn gezin te onderhouden en zijn schulden af te betalen. Het schorsingstoezicht loopt al meer dan drie jaren en verdachte heeft zich goed aan de voorwaarden gehouden. Het herhalingsgevaar wordt als laag ingeschat. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit alles doorkruisen. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn fors is overschreden. De raadsman heeft gevraagd maatwerk te leveren en heeft gevraagd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur gelijk aan het voorarrest en daarnaast (desnoods per feit) de maximale taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten gedurende een periode van bijna anderhalf jaar schuldig gemaakt aan het dealen in harddrugs. Verdachte heeft met zijn gedragingen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de drugsindustrie. De samenleving ondervindt hier veel hinder van, nu het drugsgebruik niet alleen gezondheidsrisico’s voor de gebruikers daarvan met zich meebrengt, maar ook leidt tot (vermogens)criminaliteit om in het drugsgebruik te kunnen voorzien, waardoor gevoelens van onveiligheid ontstaan.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het bezit van een vuurwapen brengt grote risico’s voor de veiligheid van personen met zich mee. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank heeft op het strafblad van verdachte gezien dat hij eerder meerdere malen is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Kennelijk hebben deze veroordelingen en de aan hem opgelegde gevangenisstraffen verdachte er destijds niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Daarnaast is artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafvordering van toepassing.
Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies van 17 juni 2026 over verdachte. Hierin is onder meer het volgende vermeld:
“In algemene zin schatten we de risico's momenteel laag in. Sinds februari 2023 loopt hij in een schorsingstoezicht, hetgeen voorspoedig verloopt. In de afgelopen jaren heeft hij hard gewerkt om zijn leven op de rit te krijgen. Hij werkt inmiddels (meer dan) fulltime, lost zijn schulden af en heeft een eigen huurwoning met zijn vriendin. Als gevolg van onderhavige strafzaak zijn hun kinderen een periode uit huis geplaatst en duidelijk wordt dat betrokkene geen enkel risico meer wil lopen dat dit zich ooit herhaalt. Derhalve zien we zijn kinderen als de voornaamste beschermende factor. Betrokkene is voldoende in staat op eventuele problemen op adequate wijze op te lossen en anders de weg naar eventuele hulpverlening te vinden. Derhalve achten we de inzet van nadere reclasseringsinterventies niet nodig.
Advies over bijzondere voorwaarden
Bij een veroordeling adviseren wij een straf zonder bijzondere voorwaarden. Wij vinden interventies of toezicht niet nodig.
Advies over gevangenisstraf
Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou grote gevolgen hebben voor betrokkene en zijn gezin, terwijl zij het leven in de afgelopen jaren weer op de rit hebben gekregen. Dat zou de risico’s op recidive verhogen, hetgeen we onwenselijk achten.
Advies over taakstraf
De heer [verdachte] is in staat om een taakstraf uit te voeren.
Advies over financiële en andere sancties
Er is reeds sprake van een forse schuldenlast die betrokkene aan het afbetalen is. Een financiële sanctie zou hier bovenop komen, waardoor de afbetalingstermijn verlengd zal worden.”
Redelijke termijn.
Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank er rekening mee dat de redelijke termijn van berechting, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Er is namelijk sprake van een tijdsverloop van meer dan twee jaar tussen de aanvangsdatum van 27 juni 2022 (datum inverzekeringstelling) en het eindvonnis van vandaag. Van bijzondere omstandigheden die een overschrijding van deze termijn zouden kunnen rechtvaardigen is niet gebleken. De rechtbank constateert dat er sprake is van een overschrijding van meer dan twee jaar.
De op te leggen straf.
Hoewel de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het reeds door verdachte ondergane voorarrest rechtvaardigen, acht de rechtbank dit vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de forse overschrijding van de redelijke termijn niet langer opportuun.
De verdachte heeft de afgelopen vier jaar gebruikt om zijn leven en dat van zijn gezin op de rit te krijgen. Hij heeft zich gehouden aan het toezicht van de reclassering, de kans op herhaling wordt als laag ingeschat, hij heeft werk en hij betaalt af aan zijn schulden. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal ertoe leiden dat dit alles wordt doorkruist. Om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen en gezien het strafblad van verdachte acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf met een langdurige proeftijd van drie jaren en daarnaast een taakstraf van 240 uur passend.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 960 dagen met aftrek als bedoel in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, waarvan 719 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 uren vervangende hechtenis. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat het onvoorwaardelijk nog ten uitvoer te leggen deel als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, nul dagen bedraagt.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank de verdachte voor een deel van de ten laste gelegde feiten heeft vrijgesproken en de rechtbank van oordeel is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet opportuun is.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63, 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van hetgeen onder feit 2 is ten laste gelegd.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van witwassen
Ten aanzien van feit 4:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen.
Ten aanzien van feit 1, feit 3 en feit 4:
Een gevangenisstraf voor de duur van 960 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht waarvan 719 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,
mr. J.H.P.G. Wielders en mr. F. Kooijman, leden,
in tegenwoordigheid van mr. T.J. Oosterman en mr. M.M.A. Akkers, griffiers,
en is uitgesproken op 15 juli 2026.