5.8.Ook de bevindingen naar aanleiding van het aanvullend technisch onderzoek zijn onvoldoende gemotiveerd betwist.
- [eiser] heeft aangevoerd dat de deskundige bij het aanvullend technisch onderzoek van
17 juli 2022 op basis van slechts 2 foto’s conclusies heeft verbonden aan het schadebeeld. Door de deskundige is dit gemotiveerd betwist. Zo heeft hij verklaard dat het bij een technisch onderzoek gebruikelijk is dat beeldmateriaal van de schadecalculatie en de sporenafname voor de beoordeling wordt aangeleverd. Dit betroffen bij het eerstelijns optische onderzoek in totaal 22 foto’s. In het tweede rapport zijn 14 aanvullende foto’s ter beschikking gesteld. Dat er van de Fiat maar 1 foto ter beschikking stond, houdt ermee verband dat de Fiat de middag van, dan wel de dag na het ongeval, al naar de autosloperij was gebracht.
- [eiser] stelt dat de deskundige de botspositie van de auto’s op onjuiste gronden heeft vastgesteld. Deze komt onder meer niet overeen met de vrijwel identieke situatieschetsen van [eiser] en [A] en de overige getuigenverklaringen. De deskundige heeft dit weersproken, door aan te voeren dat voor het bepalen van de botsstand bij een schadebeeldanalyse, de ‘diepere’ contactvlakken bij de Mercedes en Fiat de basis zijn. Eventuele situatieschetsen dienen daarbij als grove leidraad, omdat de schetsen van de werkelijkheid kunnen verschillen en dus niet altijd waarheidsgetrouw zijn. Dat de methode die de deskundige heeft gebruikt om de botspositie vast te stellen ondeugdelijk is, is de kantonrechter niet gebleken. [eiser] heeft dit onvoldoende concreet gemaakt. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de referentievoertuigen evident niet passend zouden zijn bij de aanrijding van [eiser] .
- Volgens [eiser] is de deskundige bovendien ten onrechte ervan uitgegaan dat de aanrijding met een geringe snelheid heeft plaatsgevonden, omdat [A] met een snelheid van circa
50 km/u reed, zodat de botsing aantoonbaar een behoorlijke impact had. Op basis van die onjuiste voorstelling heeft de deskundige volgens [eiser] de foutieve conclusie getrokken dat de verticale schade niet te herleiden is tot het schade-evenement. Ook deze stelling heeft de deskundige weerlegd. Weliswaar erkent de deskundige dat de werkelijke snelheid wellicht iets hoger kan hebben gelegen dan in de referentieproef, maar hij concludeert dat een snelheid van 50 km/u met de Fiat - zoals [eiser] stelt - niet van toepassing is, omdat de eindposities van de voertuigen dan anders zouden zijn en in dat geval ook van andere schades zou moeten worden uitgegaan. Deze objectieve benadering weegt naar het oordeel van de kantonrechter zwaarder dan de stelling van [eiser] dat [A] heeft verklaard
50 km/u te hebben gereden.
- Dat sprake zou zijn van een verticaal vast object is volgens [eiser] slechts een aanname. Op de plaats waar de auto van [A] tegen de auto van [eiser] is gebotst, zit een scherp uitstekende stalen constructie, wat (ook) de verticale schade kan verklaren. De deskundige merkt in reactie daarop op dat één van de verticale schades (de schade onder de koplamp, aangeduid met een pijl in afbeelding 18 in het rapport) bij het schade-evenement te plaatsen is, maar dat dit niet geldt voor de grotere verticale schade, die doorloopt tot aan de motorkap. Daartoe is nogmaals een hoogtevergelijking uitgevoerd, waarbij de schade ter hoogte van de verticale onderdelen van de Fiat-constructie is geplaatst. De schade die doorloopt tot op de motorkap, kan volgens de deskundige niet gerelateerd worden aan het schade-evenement, omdat deze boven de raakvlakken van de voertuigen uitsteekt. Ook valt de schade onder de kentekenplaat van de Mercedes bij deze botsstand buiten het contactbereik en lijken de twee verticale schades verder uit elkaar te liggen dan de constructie-delen van de Fiat. De aard en indeuking van de schade bij de motorkap duiden juist op een verticaal vast object. Daarmee acht de kantonrechter ook dit aspect door de deskundige afdoende onderbouwd.
(iii) het (aanvullend) chemisch-fysisch onderzoek