ECLI:NL:RBOBR:2026:5459

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
01-166262-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 302 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling met mes in gezicht

Op 11 april 2022 stak verdachte het slachtoffer met een scherp voorwerp in het gezicht, nabij de kaak, tijdens een conflict in Eindhoven. Het slachtoffer liep een diepe steekwond op, maar de rechtbank kon niet vaststellen met welk voorwerp precies en met welke kracht werd gestoken.

De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 4 jaar voor poging doodslag, maar de rechtbank sprak verdachte vrij van deze tenlastelegging vanwege onvoldoende bewijs voor opzet op de dood. Wel werd bewezen verklaard dat sprake was van poging zware mishandeling, omdat de kans op zwaar lichamelijk letsel door het steken met een scherp voorwerp aanmerkelijk was en verdachte dit bewust heeft aanvaard.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, eerdere veroordelingen van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Gezien deze omstandigheden legde de rechtbank een gevangenisstraf van 4 maanden op, lager dan de eis, waarbij volledige uitvoering in detentie plaatsvindt.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf voor poging zware mishandeling, vrijspraak poging doodslag.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.166262.22
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [1973] ,
wonende te [adres] ,
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 juni 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair:
hij op of omstreeks 11 april 2022 te Eindhoven, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk
van het leven te beroven,
-met een mes en/of scheermes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp die [slachtoffer] in zijn gezicht en/of wang en/of kaak en/of hals en/of nek heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij op of omstreeks 11 april 2022 te Eindhoven, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
-met een mes en/of scheermes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp die [slachtoffer] in zijn gezicht en/of wang en/of kaak en/of hals en/of nek heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de poging doodslag op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer. Het steken in de richting van het gezicht en de hals, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard. In de hals bevinden zich slagaders en een luchtpijp die geraakt zouden kunnen worden en de kans op dodelijk letsel is dan aanmerkelijk.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de poging tot doodslag. De verdediging heeft aangevoerd dat niet is komen vast te staan met wat voor een voorwerp aangever is verwond en welke kracht daarbij is uitgeoefend. Ook kan het voorwaardelijk opzet op de dood niet uit de positie van de wond van aangever, namelijk op de kaaklijn (foto aanvullend proces-verbaal) en niet in de hals, worden afgeleid.
De verdediging heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd wat betreft bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
1.
proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 12 april 2022, p. 20, voor zover inhoudende:Ik ben vandaag naar Eindhoven gegaan om boodschappen te doen. Dit was tussen 20.00 en 21.00 uur. Toen vroeg er iemand om hulp voor geld aan mij. Ik heb dit geweigerd. Dit was op de Kruisstraat en ik kende deze persoon niet. Toen ik weigerde werd ik geslagen door hem. Ik sloeg hem hierop terug. Meteen hierna stak hij mij met een mes in mijn gezicht, bij mijn linker wang. Ik weet niet waar het mes vandaan kwam, dat heb ik niet gezien. Ik zag dat hij deze vast had. Het was een klein mesje. Toen hij mij stak, voelde ik niet direct pijn, wel zag ik heel veel bloed. Omstanders wilde ons uit elkaar halen. Ik hoorde hen zeggen dat hij " [naam 1] " heette en uit [land] afkomstig was.
2.
proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] van 12 april 2022, p. 24-25, voor zover inhoudende:
Hij wilde dat ik de spullen mee zou helpen eruit te halen. En ik heb tegen hem gezegd dat ik hem niet kan helpen omdat ik aan het vasten ben. Ik heb een foto van het kenteken gemaakt. Hij heeft me geslagen en toen heb ik een foto van de auto gemaakt.
V: En wat is het kenteken?
A: [automerk 1] [kenteken] . Het is een bestelauto.
3.
proces-verbaal van verhoor [getuige 1] van 13 april 2022, p. 32 e.v., voor zover inhoudende:Verbalisant: Je bent vandaag uitgenodigd voor het afleggen van een getuige verklaring voor wat betreft een voorval, een steekincident, welke heeft plaatsgevonden op maandag 11 april 2022. Je was samen met jouw vriend, neef, [slachtoffer] .
(...)
We waren daar aan het lopen. Opeens was daar iemand, een man. Hij wilde dingen, meubels in of uit een auto zetten. Ik gaf hier geen aandacht aan, ik was aan het vasten. Opeens hoorde ik iets en draaide mijn hoofd om en zag dat mijn neef aan het vechten was. Ik weet niet wat er was gebeurd.
Ze waren aan het vechten en ik rende naar hen toe. Ik zag dat de man met een scheermes sloeg. Hij had dit in zijn hand. Ik zag het wel maar het was wel al wat donker en ik zag het niet goed. Opeens kwam die meneer nog eens naar ons toe. Ik had eerst het gevoel dat het klaar was maar die meneer kwam nog een keer om mijn neef te pakken.
Verbalisant: Wat gebeurde er toen?
Getuige: Hij probeerde mijn neef nog een keer te slaan maar mijn neef heeft hem toen met zijn tas met eten geslagen.
(...)
Nee er waren wat mensen die het stopte en riepen ' [naam 1] ' (fonetisch) ophouden.
Omschrijf de persoon eens die [slachtoffer] aansprak?
Nationaliteit: [nationaliteit] (...)
Haardracht: [haardracht]
4.
proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 22 augustus 2022, p. 151-152, voor zover inhoudende:
V: De persoon die op 11 april rond de klok van 22.30 - 22.45 uur is mishandeld betreft [verdachte] . Wat kunt u over deze persoon vertellen?
(…)
[verdachte] belde mij op en vertelde dat hij een achterneef van mij in zijn gezicht had gestoken met een mes. (…) Bij de tandarts trof ik mijn achterneef aan, genaamd [slachtoffer] . De dokter was bezig hem te verzorgen.
5.
schriftelijk bescheid, zijnde medische informatie over [slachtoffer] , p. 22, voor zover inhoudende:diepe steekwond enkele cm (ca 5 cm) links in hals thv kaak. Diepe steekwond nabij - maar niet ter plaatse van - de grote halsslagader.
9 hechtingen
6.
proces-verbaal van bevindingen (uitkijken camerabeelden) van 18 april 2022, p. 37 ev, voor zover inhoudende:Op maandag 11 april 2022, te 20.23 uur, is te zien dat een witte [automerk 2] (bestel)bus de Nieuwe Fellenoord komt opgereden. Het voertuig rijdt in de richting van de Nieuwe Fellenoord 12 en parkeert aldaar. (...)
Op maandag 11 april 2022, te 20.51 uur, is te zien dat er twee manspersonen vanaf de Kruisstraat de Nieuwe Fellenoord in komen gelopen. 1 van de mannen heeft een witte tas bij zich.
(...)
20:51:59 uur De beide mannen blijven ter hoogte van de witte bus staan. De mannen blijven enkele minuten naast de bus staan. Onduidelijk is of ze worden aangesproken door iemand bij of in de bus. (...)
De mannen open vervolgens achter de bus langs en verdwijnen uit beeld. Enkele seconden later is te zien dat de beide mannen weer rustig richting Kruistraat lopen, één draagt nog steeds een witte tas. Na enkele seconden is te zien dat er twee personen uit het pand komen gelopen waar de bus voor staat geparkeerd.
De eerdergenoemde beide mannen komen vervolgens in versnelde pas teruggelopen. Te zien is dat de mannen beginnen te rennen waarbij de plastic tas op de grond wordt gezet.
Vervolgens is te zien dat er personen bij de geparkeerde bus staan en dat een persoon het eerdergenoemde pand komt uit gelopen. Er lijkt achter de bus een schermutseling, woordenwisseling, plaats te vinden.
Kort hierop komen beide manspersonen weer in beeld, de witte tas wordt opgepakt en de mannen lopen uit beeld.
Direct hierna zien we beide mannen teruglopen waarbij het lijkt dat de voorste man zijn hand tegen zijn hoofd heeft gelegd en de tweede persoon lijkt de voorste man te willen tegenhouden,
Vervolgens lijken de mannen kort met elkaar te overleggen en vervolgens richting bus lopen.
(...)
Om 22.38 uur is te zien dat ogenschijnlijk dezelfde bus de Nieuwe Fellenoord komt ingereden en dat hij parkeert ter hoogte van de tandartspraktijk. Direct hierop komt een persoon tevoorschijn, ogenschijnlijk de bestuurder. De persoon lijkt donker gekleed. Er ontstaat meteen een handgemeen tussen deze persoon en de personen die op de stoep staan tussen de geparkeerde bus en de tandartspraktijk. Vervolgens rent 1 persoon weg met in zijn kielzog een groep personen.
7.
proces-verbaal van bevindingen (camerabeelden) van 29 april 2022, p. 119 ev, voor zover inhoudende:Te zien en te horen is dat er telefonisch contact lijkt te zijn met een persoon die ogenschijnlijk op de hoogte wordt gebracht van een incident wat heeft plaatsgevonden. Er wordt gezegd: "luister, het gaat over een man die gewond is".
Te horen is dat de man aan de telefoon ogenschijnlijk vraagt wie er begonnen is. Te horen is dat de persoon met de telefoon in de hand deze vraag aan de groep stelt. Hij vraagt "wie is begonnen"?
"Wie heeft het eerst geslagen"? De man geeft het antwoord door aan de persoon aan de telefoon.
(...)
In flarden van het gesprek is te horen dat er iets wordt gezegd over dat er een dienst werd gevraagd aan [naam 2] (...)
Over het ogenschijnlijke slachtoffer wordt het navolgende gehoord, gezegd:
• Laat hem naar de praktijk komen, dan kijken we naar de verwonding;
Opmerking: Uit onderzoek is gebleken dat het slachtoffer een verwonding heeft opgelopen in het gezicht en dat hij 'behandeld' is in de tandartspraktijk gelegen aan de Nieuwe Fellenoord 12 te Eindhoven.
• Over (tegen), ogenschijnlijk, het slachtoffer zegt men: "jij bent goed en hij is een idioot".
• Laat hem komen, alles op kosten van ' [naam 3] ', (fonetisch).
Opmerking: Volgens de tolk wordt met ` [naam 3] ' de baas bedoeld, de persoon die het voor het zeggen heeft.
Over de ogenschijnlijke dader wordt het navolgende gehoord, gezegd:
• Het is eenmaal gebeurd, Allah heeft gezorgd dat het zo gebeurde;
• Het is veilig om te komen; (het lijkt hier dat men de dader aan de telefoon heeft);
• Zijn vrouw is zwanger van een tweeling en het kan hem worden vergeven;
Opmerking: Op 26 april 2022 komt [verdachte] naar het politiebureau en vertelt dat zijn twee kinderen zijn overleden. Gezien de taalbarrière is niet helemaal duidelijk wat er precies aan de hand is. Middels een kennis van [verdachte] wordt later duidelijk dat de vrouw van [verdachte] 6 maanden zwanger was van een tweeling en dat zij een miskraam heeft gehad, dit net na incident 2.
8.
proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 18 april 2022, p. 95, voor zover inhoudende:
A: [naam 4] ging naar hem toe. Ik weet niet wie die ander is. [naam 4] vroeg aan die persoon of hij mee kon helpen met verhuizen en die persoon zei Nee. Die andere schold [naam 4] uit waarna [naam 4] hem heeft geslagen. (…)
V: Welke [naam 4] bedoel je?
A: Die kale, die naar het ziekenhuis is gebracht, [verdachte] .
9.
proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 10 mei 2022, p. 50 ev, voor zover inhoudende:Wij doen onderzoek naar de mishandeling(en) gepleegd op maandag 11 april 2022 in de avond op de Nieuwe Fellenoord en de Kruisstraat te Eindhoven. Het betreffen 2 incidenten, omstreeks 21:00 en omstreeks 22:30 uur. U wordt door ons als verdachte gehoord betreffende het eerste incident.
(…)
Ondertussen geeft verdachte geeft in de Nederlandse taal aan dat zijn vrouw en hij twee kinderen hebben verloren toen zijn vrouw 6 maanden zwanger was en dat hij nu voor zijn drie andere kinderen moet zorgen omdat zijn vrouw door de miskraam niet kan lopen.
(…)
V: Uit onderzoek blijkt dat er een witte bestel/verhuis bus betrokken is geweest bij het incident. Wat kunt u over dit voertuig vertellen?
(…)
V: Omdat dit busje betrokken is geweest bij het incident wat om 21:00 uur heeft plaatsgevonden.
A: (…) Het enige wat ik weet is dat ik bezig was met verhuizen. Ik heb tot op heden bezig met verhuizen.
V: Je hebt een voertuig nodig om te verhuizen.
A: Dat is zo.
10.
proces-verbaal van bevindingen van 12 april 2022, p. 65 en 66, voor zover inhoudende:Op maandag 11 april 2022, om 22.44 uur, kregen wij, de melding om te gaan naar de Kruisstraat in Eindhoven. Wij hoorden dat daar een man zwaar gewond op de grond zou liggen. (…
)
Op maandag 11 april 2022, om 22.45 uur, kwamen wij ter plaatse. Wij zagen een man zitten op zijn knieën, midden op straat, ter hoogte van de Hizmet Bakkerij, gelegen aan de Kruisstraat 77 te Eindhoven. Dit bleek later te zijn [verdachte] tevens hierna zo genoemd. Wij zagen dat [verdachte] werd geholpen door meerdere omstanders en dat er verband op zijn hoofd werd gedrukt. Wij zagen dat op zijn hoofd flink wat bloed zat.
Bewijsoverwegingen.
Op de avond van 11 april 2022 hebben twee conflicten plaatsgevonden. Het eerste voorval is het ten laste gelegde feit, een steekincident waarvan de verdenking is dat de verdachte dit heeft gepleegd en waarbij [slachtoffer] het slachtoffer is. Het tweede voorval is een openlijke geweldpleging in vereniging waarvan de verdachte het slachtoffer is.
De verdachte kan zich het eerste voorval niet herinneren.
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte was die [slachtoffer] heeft gestoken/gesneden.
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen daarnaast vast dat de verdachte het slachtoffer in zijn gezicht en/of kaak heeft gesneden/gestoken.
Het slachtoffer heeft daardoor een diepe steekwond in zijn gezicht ter hoogte van zijn kaak opgelopen. De aangever heeft verklaard dat het om een mes ging, maar hij heeft dit niet gezien. De getuige heeft verklaard dat het volgens hem een soort scheermes was. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen met welk voorwerp de verdachte heeft gestoken/gesneden. Het voorwerp is niet gevonden en niemand heeft het duidelijk gezien. De rechtbank concludeert daarom dat de verdachte het slachtoffer in ieder geval met een scherp voorwerp heeft gestoken/gesneden, gelet op de diepe steekwond die het slachtoffer heeft opgelopen.
Hoe moet dit handelen van de verdachte gekwalificeerd worden?
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of dit handelen van de verdachte gekwalificeerd moet worden als een poging tot doodslag (primair) of een poging tot zware mishandeling (subsidiair). Hierbij stelt de rechtbank voorop dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat de verdachte daadwerkelijk de intentie had om het slachtoffer van het leven te beroven. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van vol opzet.
Dit neemt echter niet weg dat de verdachte door zijn gedraging in voorwaardelijke zin opzet kan hebben gehad op de dood van het slachtoffer of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer willens en wetens de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt.
Allereerst moet dan vastgesteld worden dat een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer gedood kon worden of zwaar lichamelijk letsel kon oplopen door de handelingen van de verdachte. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om een feitelijk aanmerkelijke kans dat het kwalijke gevolg zal intreden. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Ten tweede moet worden vastgesteld of de verdachte de kans op de gevolg bewust heeft aanvaard.
Poging doodslag: vrijspraak
De rechtbank stelt voorop dat het steken/snijden met een scherp voorwerp in het gezicht nabij de hals en/of kaak onder omstandigheden dodelijk kan zijn, nu zich op die plekken slagaders bevinden. Niet elke steek- of snijbeweging in het gezicht nabij de hals en/of kaak veroorzaakt echter een aanmerkelijke kans op de dood. Van belang is onder meer met welk voorwerp, waar precies en met welke kracht er is gestoken/gesneden.
In deze zaak kan uit het dossier niet worden afgeleid met welk voorwerp de verdachte het slachtoffer heeft gestoken/gesneden, hoe groot dit voorwerp was en met welke kracht dit gepaard is gegaan.
Uit de medische gegevens van het slachtoffer volgt dat de steek- of snijhandeling die met het voorwerp is gemaakt, heeft geleid tot een diepe steekwond in het gezicht ter hoogte van de kaak. De rechtbank kan niet vaststellen dat er een aanmerkelijke kans was dat de steek- of snijbeweging – zoals de verdachte met het onbekende voorwerp heeft verricht – volledig zou doordringen tot de slagaders en daaraan zodanige schade zou hebben aangericht dat dit tot de dood van het slachtoffer had kunnen leiden.
De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Poging zware mishandeling: bewezen
Wel kan het handelen van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling.
De kans dat bij het steken/snijden met een scherp voorwerp zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan is naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk geweest.
Het is een feit van algemene bekendheid – en ook de verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest – dat het steken/snijden met een scherp voorwerp in het gezicht kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel.
Het steken/snijden van het slachtoffer is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dergelijk zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken.
De verdachte heeft dus voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
op 11 april 2022 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- met een scherp voorwerp die [slachtoffer] in zijn gezicht en/of kaak heeft gestoken of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft voor poging doodslag de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar waarvan 2 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar gevorderd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Namens de verdachte is verzocht om artikel 9a Sr toe te passen.
Verzocht is om in de strafoplegging rekening te houden met de grote gevolgen van het geweld, dat na het bewezen verklaarde feit op hem is toegepast, met het grote tijdsverloop en met de procedure van naturalisatie die voor verdachte en zijn minderjarige kinderen loopt die vertraging oploopt als er een straf wordt opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door een ander met een scherp voorwerp in diens gezicht te verwonden. Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan letsel en een litteken opgelopen. Dat het letsel niet veel ernstiger is geweest, is een kwestie van geluk, en niet aan de gedragingen van de verdachte te danken.
Door dit handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast ontstaan er gevoelens van onveiligheid in de maatschappij door dit soort geweldsmisdrijven in het openbaar.
De rechtbank heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 8 juni 2026. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde feit eerder is veroordeeld ter zake van een geweldsmisdrijf. Aan hem is toen een taakstraf opgelegd. Deze eerdere veroordeling was ten tijde van het bewezen verklaarde onherroepelijk. De veroordeling heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het moment van aanvang van de redelijke termijn is in deze zaak de datum van de doorzoeking in de woning van de verdachte op 10 mei 2022.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Van die bijzondere omstandigheden is in onderhavige zaak geen sprake.
De redelijke termijn is met ruim 2 jaar overschreden en de rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. In plaats van 6 maanden zal de rechtbank 4 maanden gevangenisstraf opleggen.
Dit is een lichtere straf dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Maar de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie en de rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt maar ook dat voldoende rekening is gehouden met de forse termijnoverschrijding, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat verdachte vervolgens zelf ernstig gewond is geraakt door een wraakactie van bekenden van de wederpartij.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde feit onder primair niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
verklaart het ten laste gelegde bewezen onder subsidiair zoals hiervoor in de bewezenverklaring is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf :
subsidiair: poging tot zware mishandeling.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf:

subsidiair: een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.C. Palmboom, voorzitter,
mr. M. Langstraat en mr. E.H. Groen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 28 juli 2026.