ECLI:NL:RBOBR:2026:5461

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
01-147197-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijk in vereniging geweld en mishandeling met schadevergoeding

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor het op 11 april 2022 plegen van openlijk in vereniging geweld tegen een persoon in Eindhoven, waarbij het slachtoffer ernstig letsel opliep, waaronder een schedelbreuk en hersenschudding. Daarnaast is verdachte schuldig bevonden aan mishandeling van een ander slachtoffer op 23 augustus 2025 door een schop in de buik.

De rechtbank oordeelde dat verdachte een wezenlijke bijdrage leverde aan het geweld door het slachtoffer te laten komen, het geweld aan te moedigen en mee te rennen met de groep die het slachtoffer sloeg en schopte. De mishandeling werd bewezen geacht op basis van getuigenverklaringen en het letsel van het slachtoffer. Verweren van de verdediging werden verworpen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. De opgelegde straf is een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Tevens is verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €5.358,75 aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering is hoofdelijke toewijzing met mededaders.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf waarvan 2 maanden voorwaardelijk en betaling van €5.358,75 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingslocatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.147197.22 en 01.127982.26 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1970] ,
wonende te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2026.
Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen de verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 16 juni 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
parketnummer 01.147197.22:
hij op of omstreeks 11 april 2022 te Eindhoven, althans in Nederland,
openlijk, te weten op/aan de Nieuwe Fellenoord en/of Kruisstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer 1] , door:
-meerdere malen, althans eenmaal op/tegen het gezicht en/of hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of stompen en/of
-meerdere malen, althans eenmaal op/tegen het gezicht en/of hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen en/of trappen en/of
-meerdere malen, althans eenmaal met een pijp en/of stok en/of staaf en/of hamer, althans met een zwaar en/of hard en/of stomp voorwerp op/tegen het hoofd en/of gezicht, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of stompen en/of
-achter die [slachtoffer 1] aan te rennen en/of die [slachtoffer 1] op te jagen en/of te duwen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of
-(terwijl die [slachtoffer 1] op de grond ligt) meerdere malen, althans eenmaal op/tegen het gezicht en/of hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of stompen en/of
-(terwijl die [slachtoffer 1] op de grond ligt) meerdere malen, althans eenmaal op/tegen het gezicht en/of hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen en/of trappen en/of
-(terwijl die [slachtoffer 1] op de grond ligt) meerdere malen, althans eenmaal met een (ijzeren) pijp en/of staaf en/of hamer, althans met een zwaar en/of hard en/of stomp voorwerp op/tegen het hoofd en/of gezicht, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of stompen.
parketnummer 01.127982.26:
hij op of omstreeks 23 augustus 2025 te Eindhoven
[slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] in de buik te schoppen;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen geacht.
Het standpunt van de verdediging.
parketnummer 01.147197.22:
De verdediging heeft vrijspraak gepleit voor het plegen van openlijk geweld in vereniging en heeft daartoe aangevoerd dat niet uit objectief bewijs is gebleken dat de verdachte geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 1] . Verder heeft de verdediging aangevoerd dat het enkele mee rennen met een groep niet de vereiste significante of wezenlijke bijdrage oplevert die voor een bewezenverklaring van artikel 141 Sr Pro is vereist.
parketnummer 01.127982.26:
De verdediging heeft daarnaast vrijspraak bepleit voor de mishandeling van [slachtoffer 2] , omdat wat de verdachte heeft gedaan, geen opzettelijke handeling was, maar dat het ging om een afwerende trappende beweging. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat niet is gebleken dat het handelen van de verdachte bij de aangever pijn en/of letsel heeft teweeggebracht. De aangever heeft daarover namelijk niet verklaard.
De bewijsmiddelen.
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegd. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank overweegt voorts het volgende.
Het oordeel van de rechtbank.
parketnummer 01.147197.22.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat op 11 april 2022 een geweldpleging heeft plaatsgevonden op de openbare weg in Eindhoven en dat aangever [slachtoffer 1] daarvan het slachtoffer was.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat een groep mannen dit geweld op de openbare weg heeft gepleegd. De verdachte was daarbij aanwezig. Het slachtoffer is daarbij met een hard en/of stomp voorwerp geraakt.
Het kader.
Van het "in vereniging" plegen van geweld is sprake, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan t delict van voldoende gewicht is.
Nadere invulling.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast ten aanzien van het handelen van de verdachte:
-de verdachte heeft het slachtoffer gebeld of heeft hem laten bellen en heeft hem naar de tandartspraktijk aan de Nieuwe Fellenoord laten komen;
-de verdachte wist van het eerdere voorval waarbij het slachtoffer, een lid van dezelfde stam als de verdachte, had verwond in het gezicht;
-de verdachte heeft gesproken met (een deel van) de groep jongeren die voor de tandartsenpraktijk op straat stonden direct voorafgaand aan het openlijke geweld. Dit was op de trap van de tandartsenpraktijk. Hij heeft daarbij naar iemand die niet naar beneden wilde komen vanaf de tandartsenpraktijk “kom naar beneden bangerik” geroepen;
-op het moment dat het slachtoffer bij de tandartsenpraktijk aankwam was de verdachte (de man met het roze overhemd) degene die hem opwachtte, terwijl de anderen van de groep buiten beeld bleven;
- de verdachte zei tegen de groep “Kom, val hem aan” en “jullie moeten deze hond slaan, jullie moeten hem opvoeden”;
- toen de anderen vervolgens tevoorschijn kwamen en fysiek geweld op het slachtoffer toepaste, stond de verdachte daar direct naast. Eén van de mannen heeft slachtoffer geslagen met een langwerpig voorwerp in zijn hand;
-de verdachte heeft volgens de beschreven camerabeelden hierbij op enig moment een gestrekte arm;
-de verdachte is volgens de beschreven camerabeelden mee gerend met de groep die het slachtoffer geweld heeft aangedaan;
- het slachtoffer is vervolgens, waar de verdachte minst genomen bij aanwezig was, terwijl hij op de grond lag door de groep geslagen en geschopt en met een hard, stomp voorwerp geslagen;
-de verdachte heeft na het openlijke geweld geroepen “wij zijn af van de hond, van de hond”;
-de verdachte is kort na de openlijke geweldpleging met een deel van de groep jongeren in zijn personenauto vertrokken;
-het slachtoffer bleef op zijn knieën zittend en met een bloedende hoofdwond achter op straat;
- het slachtoffer is behandeld in het ziekenhuis en er is een schedelbreuk geconstateerd waarbij het bot 4 mm naar binnen is verplaatst. Verder is de wond gehecht en heeft het slachtoffer een hersenschudding opgelopen.
Op grond van deze feiten en omstandigheden staat voor de rechtbank vast dat de verdachte niet enkel de groep getalsmatig heeft versterkt. Hij heeft het slachtoffer laten komen, hem vervolgens opgewacht terwijl de anderen zich verstopten en hij heeft het geweld aangemoedigd door een ander die niet naar beneden wilde komen “bangerik” te noemen en kort voor de aanval te roepen “val hem aan” en “jullie moeten deze hond slaan, jullie moeten hem opvoeden”. Vervolgens is hij nadat de eerste klappen zijn gevallen ook mee gerend met de groep en hij heeft het slachtoffer op straat bloedend achter gelaten. Hiermee heeft hij opzet gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De rechtbank verwerpt het verweer en komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
De verweren dat de verdachte geen geweld heeft gepleegd en dat hij volgens zijn verklaring ter zitting slechts de ruzie op straat heeft gesust, worden door de bewijsmiddelen weerlegd.
parketnummer 01.127982.26.
Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan van mishandeling sprake zijn, als de aard van de handeling daar aanleiding toe geeft. Hierbij geldt dat regels van algemene ervaring kunnen dienen als leidraad. Naar algemene ervaringsregels geldt dat schoppen pijn en/of letsel oplevert. Bovendien heeft de getuige [getuige] verklaard dat het slachtoffer bij thuiskomst rode vlekken had, onder meer op zijn buik.
Door aangever in zijn buik te schoppen, moest de verdachte er rekening mee houden dat hij daarvan pijn en andere onlustgevoelens zou ondervinden.
De rechtbank acht de mishandeling door het slachtoffer in de buik te schoppen dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Het verweer van de verdachte inhoudende de kwalificatie die de verdachte aan zijn handelen heeft gegeven, aangever duwen met zijn been, wordt door de bewijsmiddelen weerlegd. Het is ook niet aannemelijk geworden dat sprake was van een afwerende handeling. De verdachte rende samen met zijn zoon achter het slachtoffer aan. Waarna het slachtoffer zich genoodzaakt voelde om zich op te sluiten. Toen het slachtoffer op enig moment de deur open deed en richting de verdachte rende heeft de verdachte een trappende beweging gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank was er op dat moment geen sprake van een wederrechtelijke ogenblikkelijke aanranding richting de verdachte.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
parketnummer 01.147197.22:
op 11 april 2022 te Eindhoven, openlijk, te weten op/aan de Nieuwe Fellenoord en Kruisstraat in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer 1] , door:
-meerdere malen op/tegen het gezicht en/of hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of stompen en
-meerdere malen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen en
-meerdere malen, althans eenmaal met hard en/of stomp voorwerp op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en
-achter die [slachtoffer 1] aan te rennen en die [slachtoffer 1] op te jagen en/of te duwen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en
-terwijl die [slachtoffer 1] op de grond ligt meerdere malen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en
-terwijl die [slachtoffer 1] op de grond ligt meerdere malen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen en
-terwijl die [slachtoffer 1] op de grond ligt meerdere malen, althans eenmaal met een hard en/of stomp voorwerp op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan;
parketnummer 01.127982.26:
op 23 augustus 2025 te Eindhoven [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] in de buik te schoppen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De officier van justitie heeft rekening gehouden met onder meer de ernst van de feiten, de overschrijding van de redelijke termijn, het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage 2).
Het standpunt van de verdediging.
Namens de verdachte is verzocht om in geval van strafoplegging aansluiting te zoeken bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn zou volgens de verdediging voor beide feiten een taakstraf van 100 uur waarvan 50 uur voorwaardelijk moeten volstaan.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De aard en de ernst van de feiten.
De verdachte heeft zich op 11 april 2022 met een groep mannen schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen slachtoffer [slachtoffer 1] . Hierbij heeft het slachtoffer ernstig lichamelijk letsel opgelopen, namelijk een schedelbreuk en een hersenschudding. Uit de schadeonderbouwing volgt dat hij ruim vier jaar na het incident nog steeds last heeft van vergeetachtigheid en concentratieproblemen.
Aanleiding was een ander voorval dat die dag had plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer een lid van de stam van de verdachte uit Syrië in het gezicht heeft gestoken/gesneden. Dit was kennelijk aanleiding voor de verdachte om de confrontatie op te zoeken. Hij heeft het slachtoffer opgebeld en gevraagd om naar de tandartsenpraktijk op de Nieuwe Fellenoord te komen. Daarbij heeft de verdachte de indruk gewekt dat het veilig zou zijn voor het slachtoffer. Het tegendeel bleek het geval. De verdachte heeft het slachtoffer opgewacht met een groep mannen, heeft met de groep mannen van tevoren gesproken op de trap en heeft een andere man die niet wilde deelnemen aan het geweld “bangerik” genoemd. De groep heeft het slachtoffer vervolgens geschopt en geslagen, en een andere man dan de verdachte heeft met een hard en/of stomp voorwerp op het hoofd geslagen van het slachtoffer. Het slachtoffer probeerde te vluchten, maar viel op de grond. Dit heeft de groep mannen er niet van weerhouden om het geweld te doen stoppen en zij bleven onverminderd doorgaan met het schoppen en slaan en hij is toen ook met een hard en/of stomp voorwerp op het hoofd geslagen. De verdachte heeft met zijn leidende rol een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld.
Ook heeft de verdachte zich op 23 augustus 2025 schuldig gemaakt aan de mishandeling van een man. Deze man zou een bijdrage hebben geleverd aan een in de NRC geplaatst verhaal waar de verdachte in voorkomt, en daarnaast filmpjes over de verdachte op sociale media hebben geplaatst. De verdachte en zijn zoon waren hier erg boos over. Wat daar ook van zij, het staat vast dat de verdachte wederom de confrontatie heeft opgezocht, en de man samen met zijn zoon heeft aangevallen waarbij de verdachte de man heeft getrapt in zijn buik.
De verdachte heeft met zijn leidende rol in de openlijke geweldpleging en de mishandeling de slachtoffers (veel) pijn en (ernstig) letsel toegebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van geweldsincidenten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen kunnen ondervinden. Bovendien heeft de verdachte tweemaal zelf de confrontatie opgezocht. Een dergelijke vorm van eigenrichting kan niet worden getolereerd. Daarnaast heeft het geweld zich in het openbaar afgespeeld, waardoor ook omstanders hiermee zijn geconfronteerd. Dit kan ook voor hen een nare en beangstigde gebeurtenis zijn geweest.
Persoon van de verdachte.De rechtbank heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 6 juli 2026. Daaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld tot een taakstraf ter zake van een geweldsmisdrijf.
Strafoplegging.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De oriëntatiepunten voor meerderjarigen nemen als uitgangspunt voor openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel een taakstraf van 150 uur en voor openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel als gevolg een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden als uitgangspunt. De oriëntatiepunten voor meerderjarigen nemen als uitgangspunt voor eenvoudige mishandeling in de vorm van een droge schop een geldboete van €700,00.
Gelet op de aard en de ernst van de feiten, te weten: openlijke geweldpleging met ernstig lichamelijk letsel tot gevolg en mishandeling, de rol van de verdachte, het feit dat de verdachte twee keer zelf de confrontatie heeft opgezocht en dat beide feiten in het openbaar hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank enkel de modaliteit van een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Op deze manier heeft de verdachte een flinke stok achter de deur die moet voorkomen dat hij opnieuw strafbare feiten gaat plegen. Daarnaast heeft de rechtbank meegewogen dat een strafoplegging in deze zaak als signaal dient naar de maatschappij dat eigenrichting geen plaats heeft in onze samenleving en rechtssysteem.
De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het moment van aanvang van de redelijke termijn is in deze zaak voor wat betreft de verdenking waar qua ernst het zwaartepunt ligt, de openlijke geweldpleging, de datum van de doorzoeking in de woning van de verdachte op 22 augustus 2022.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Van dat laatste is in onderhavige zaak geen sprake. De redelijke termijn is met bijna 2 jaar overschreden en de rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. In plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 3 voorwaardelijk, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Dit is een lichtere straf dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt, en daarnaast ook dat voldoende rekening is gehouden met de forse termijnoverschrijding, met het gegeven dat de openlijke geweldpleging ruim 4 jaar geleden heeft plaatsgevonden en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de gehele vordering toewijsbaar geacht en heeft oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gijzeling bij niet betaling en vermeerdering van de vergoeding van schade met de wettelijke rente gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
Namens de verdachte is om matiging van de vordering tot schadevergoeding verzocht als de rechtbank tot bewezenverklaring zou komen.
Beoordeling.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit met parketnummer 01-147197-22 toegebrachte schade, de immateriële schadevergoeding en materiële schadevergoeding (post eigen risico).
Met betrekking tot de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106 onder Pro b van het BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, omdat hij lichamelijk letsel in de vorm van hersenletsel heeft opgelopen. De rechtbank zal de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,00. In dit verband heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de smartengeldbedragen van de Rotterdamse Schaal (categorie e van paragraaf 2.1). De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot vergoeding van immateriële schade. De behandeling van dit deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat dit vraagt om een verdere uitwisseling van standpunten van partijen. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vergoeding van materiële en immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2022 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Hoofdelijke toewijzing.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de strafbare feiten waarop de vordering betrekking heeft samen met een ander heeft gepleegd. Omdat de verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
De vergoeding van materiële en immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2022 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 141, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart de ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
parketnummer 01.147197.22: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
parketnummer 01.127982.26: mishandeling.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf en maatregel.
parketnummers 01.147197.22 en 01.127982.26:
 een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 maandenwaarvan
2 maanden voorwaardelijkmet een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
parketnummer 01.147197.22:
 legt aan de verdachte op
de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van
€ 5.358,75.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 51 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 358,75 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2022 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader(s) is betaald.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 5.358,75, bestaande uit een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade en een bedrag van € 358,75 aan materiële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2022 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn
mededader(s) is betaald.
Veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, vervalt de andere.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.C. Palmboom, voorzitter,
mr. M. Langstraat en mr. E.H. Groen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 28 juli 2026.