ECLI:NL:RBOBR:2026:5463

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
01/009358-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 38v SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot zware mishandeling met riem in asielzoekerscentrum

Op 9 januari 2026 heeft verdachte in een kamer van het asielzoekerscentrum in Budel het slachtoffer met een riem om de hals gewurgd, waardoor het slachtoffer tijdelijk buiten bewustzijn raakte. De rechtbank achtte de poging tot doodslag niet bewezen wegens onvoldoende bewijs van voorwaardelijk opzet op overlijden, maar verklaarde wel de poging tot zware mishandeling bewezen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op consistente verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, vastgestelde letsels en DNA-onderzoek aan de riem. Verdachte ontkende aanvankelijk, maar bekende later het gebruik van de riem. Het geweld vond plaats zonder aanleiding en in een kwetsbare omgeving, wat de ernst vergrootte.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 8 maanden op met aftrek van voorarrest en een contactverbod van 2 jaar met een sanctie van vervangende hechtenis bij overtreding. Tevens werd een schadevergoeding van €1.500 toegekend voor immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 9 januari 2026. De rest van de schadevordering werd niet-ontvankelijk verklaard en kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf en 2 jaar contactverbod wegens poging tot zware mishandeling; schadevergoeding van €1.500 toegekend.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.009358.26
Datum uitspraak: 27 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2007] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland;
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 april 2026 en 13 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 maart 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 juli 2026 is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 9 januari 2026 te Budel, gemeente Cranendonck, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, een riem om de nek/hals van voornoemde [slachtoffer] heeft gelegd en/of (vervolgens) die riem heeft strakgetrokken om zijn nek/hals, waardoor voornoemde [slachtoffer] minder lucht kon krijgen en/of geen adem kon halen en/of tijdelijk buiten bewustzijn raakte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 januari 2026 te Budel, gemeente Cranendonck, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
een riem om de nek/hals van voornoemde [slachtoffer] heeft gelegd en/of (vervolgens) die riem heeft strakgetrokken om zijn nek/hals, waardoor voornoemde [slachtoffer] minder lucht kon krijgen en/of geen adem kon halen en/of tijdelijk buiten bewustzijn raakte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Meer subsidiair althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 januari 2026 te Budel, gemeente Cranendonck, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door een riem om de nek/hals van voornoemde [slachtoffer] te leggen en/of te doen en/of (vervolgens) aan die riem te trekken;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van de primair aan de verdachte ten laste gelegde poging tot doodslag.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman meent dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van het primair en subsidiair ten laste gelegde te komen.
Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat er nagenoeg niets bekend is over de kracht en de duur waarmee de verdachte de riem om de nek van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) heeft gelegd. Volgens verdachte heeft hij enkel de riem om de nek van slachtoffer gedaan en hem naar beneden getrokken. Hij ontkent hem met de riem te hebben gewurgd.
Tijdens het letselonderzoek zijn er – behalve een drietal heel kleine wondjes in de hals – geen andere letsels waargenomen. Het ontstaan van enkele wondjes door verwurging zijn volgens de raadsman niet voldoende om hiermee de aanmerkelijke kans op overlijden of zwaar lichamelijk letsel aan te nemen. Ook is niet vast te stellen of het slachtoffer daadwerkelijk zijn bewustzijn heeft verloren. Behalve het slachtoffer zelf, heeft geen enkele getuige verklaart dat hij bewusteloos zou zijn geraakt.
Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank. [1]
De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en ondertekend d.d. 9 januari 2026 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , (pag. 15-17)Op 9 januari 2026, ontvingen wij een melding om te gaan naar [adres] te Budel. Aldaar is het asielzoekerscentrum gevestigd. Hier zou het slachtoffer, naar later bleek [slachtoffer] , gewurgd zijn met een riem rondom zijn nek door een andere bewoner. Hij zou daarbij het bewustzijn zijn verloren en zou zichtbare striemen in zijn nek hebben.
Ik zag dat het slachtoffer zichtbare verwondingen in zijn nek had. Ik maakte van deze verwondingen foto's.
Ik kan het letsel op de foto's als volgt omschrijven:
* Letsel achterzijde nek
Ik zag dat er een striem over de gehele breedte van de nek van ongeveer 4 centimeter breed zichtbaar was. Ik zag dat deze striem rood verkleurd was. Ik zag aan de rechterzijde een verdikking en een diepere snijwond van ongeveer 3 centimeter groot.
* Letsel voorzijde nek
Ik zag dat er een striem over de gehele breedte van de nek van ongeveer 4 centimeter breed zichtbaar was. Ik zag dat deze striem rood verkleurd was. Ik zag dat er aan de rechterzijde van de nek een verdikking zichtbaar was. Ik zag aan de voorzijde van de nek een blauwe verkleuring.
* Letsel rechterzijde nek
Ik zag dat er een striem over de gehele breedte van de nek van ongeveer 4 centimeter breed zichtbaar was. Ik zag dat er meerdere diepe snijwonden zichtbaar waren aan de rand van deze striem. Ik zag dat er opgedroogd bloed zichtbaar was. Ik zag meerdere kleine verdikkingen over de rechterzijde van zijn nek.
Ik hoorde het slachtoffer zeggen dat hij de verdachte kende van het asielzoekerscentrum in Budel. Ik hoorde dat hij zei dat de verdachte [verdachte] betrof.
een proces-verbaal, opgemaakt en ondertekend d.d. 9 januari 2026 door verbalisant [verbalisant 2]
, inhoudende de aangifte van [slachtoffer] ( pag. 18-20)Ik wil aangifte doen van poging doodslag. Ik ben opzettelijk getracht te wurgen middels een riem om mijn nek. Ik verblijf in Budel. Op 9 januari 2026 besloot ik om naar mijn buren te gaan. Ik wilde weggaan en stond met mijn gezicht naar de deur toe.
Vervolgens zag ik dat er een riem rond mijn nek gedaan werd. Ik kon nog omdraaien en zag dat de persoon, met wie ik gisteren een discussie had, achter mij stond en de uiteinden van de riem rondom mijn nek vasthad. Ik voelde dat de riem strak getrokken werd. Ik voelde dat ik steeds minder lucht kreeg. Ik voelde dat ik licht werd in mijn hoofd en in mijn benen. Ik zag het zwart voor mijn ogen worden. Ik voelde vooral aan de zijkant van mijn keel direct heel veel pijn. Volgens mij ben ik toen flauwgevallen.
Ik kan de riem omschrijven als een riem die mensen in hun broek dragen. Het was een stoffen riem. De riem had een zwarte kleur. De riem had een zilverkleurige gesp.
Ik ken de persoon die dit gedaan heeft. Hij heet: [verdachte] . Ik voel nu ook veel pijn aan mijn nek. Mijn nek heeft ook striemen rondom en er zijn wonden te zien
een proces-verbaal opgemaakt en ondertekend d.d. 9 januari 2026 door verbalisante [verbalisant 1] , inhoudende het verhoor van getuige [getuige] , pv pag. 37-38Ik lag op mijn bed. Ik zag dat er twee jongens, een uit Libië en een uit Soedan, ruzie hadden. De jongen uit Libië, zag ik met een riem in zijn hand staan.
De jongen uit Soedan werd aangevallen door de jongen uit Libië.
Ik zag hoe de jongen uit Soedan op de grond lag.
Hierna zijn er andere mannen, die op de kamer waren, tussen de twee gesprongen.
een verklaring van getuige [slachtoffer] , afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op 30 juni 2026:[verdachte] heeft mij de weg eigenlijk geblokkeerd voor de deur. Hij ging opzij staan en ik wilde de deur openmaken. Opeens voel ik een riem op mijn nek. Hij hield mij vast en ik probeerde mij los te krijgen, maar dit kon niet. Vervolgens ben ik bewusteloos geraakt. Hij heeft mij met de riem vastgehouden tot het moment dat ik bewusteloos op de grond viel. Ik stond bij de deur en van achter werd de riem om mijn nek gelegd. Ik draaide mij om en ik zag hem. U, rechter-commissaris. vraagt mij om het nogmaals uit te beelden.
De getuige doet alsof hij een riem om de hals van iemand neerlegt en kruist dan aan de achterzijde van de nek de beide uiteinden over elkaar heen en trekt dan aan.
U, officier van justitie, vraagt of ik kan aanwijzen waar in mijn nek de riem mij geraakt heeft.
De getuige wijst aan de linker-, de rechterzijde en de voorkant van de hals (ter hoogte van de adamsappel).
Heeft u geprobeerd om hulp te roepen of heeft u dat gedaan of niet, toen de riem om uw nek zat?
Nee, omdat de riem heel vast aan mijn nek lag. Ik kon geen stem maken.
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 juli 2026:
Het klopt dat ik op 9 januari 2026 in een kamer van het AZC in Budel mijn riem om de hals van [slachtoffer] heb gelegd en dat ik aan deze riem heb getrokken.

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid verklaringen
De rechtbank stelt vast dat aangever in zijn verhoren ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris consistent en specifiek heeft verklaard. Zijn verklaringen vinden steun in het door verbalisanten vastgestelde letsel, voornoemde getuigenverklaring en de resultaten uit het DNA-onderzoek aan de riem.
De rechtbank acht de verklaring van aangever dan ook geloofwaardig.
De verdachte daarentegen heeft ten overstaan van de politie op 10 januari 2026 en bij de rechter-commissaris op 13 januari 2026 ontkend dat hij het slachtoffer heeft aangeraakt of zou hebben gewurgd met een riem.
Pas in zijn tweede politieverhoor op 12 juni 2026 – nadat uit DNA-onderzoek van 18 mei 2026 was gebleken dat zowel de binnenzijde als de buitenzijde van de riem het DNA van aangever bevatte – heeft de verdachte bekend dat hij de riem om de hals van aangever heeft gelegd.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van aangever – anders dan de wisselende verklaringen van de verdachte – betrouwbaar. De rechtbank zal de verklaringen van aangever daarom als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van het bewijs.
Dit leidt ertoe dat de rechtbank vaststelt en bewezen acht dat verdachte een riem om de nek/hals van aangever heeft gelegd en die riem heeft strakgetrokken om zijn nek/hals, als gevolg waarvan aangever tijdelijk minder lucht kreeg en tijdelijk buiten bewustzijn is geraakt.
Hoe moet het handelen van de verdachte gekwalificeerd worden?
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of dit handelen van de verdachte gekwalificeerd moet worden als een poging tot doodslag (primair), een poging tot zware mishandeling (subsidiair) of een mishandeling (meer subsidiair).
Om tot een bewezenverklaring te komen van een poging doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het overlijden van het aangever, respectievelijk het toebrengen op zwaar lichamelijk letsel aan aangever. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Poging doodslag: vrijspraak
De rechtbank constateert dat, gelet op de inhoud van het dossier, de duur van de verwurging alsmede de gevaarzetting daarvan niet is vast te stellen zodat wettig en overtuigend bewijs met betrekking tot de aanmerkelijke kans op de dood van aangever alsmede op het aanvaarden van die kans door verdachte ontbreekt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair tenlastegelegde poging doodslag.
Poging tot zware mishandeling: bewezen
Wel kan het handelen van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank worden
aangemerkt als een poging tot zware mishandeling.
Het met forse kracht dichtdrukken van de keel kan ook in een relatief korte tijd zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de keel een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, waarin zich kwetsbare en vitale organen bevinden zoals de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte een riem om de hals van het slachtoffer heeft gelegd en deze riem met kracht heeft strakgetrokken, waardoor de ademhaling van het slachtoffer werd belemmerd en het slachtoffer gedurende enige tijd het bewustzijn heeft verloren.
Dit is enkel gestopt doordat omstanders hebben ingegrepen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het straktrekken van een riem rond de keel van slachtoffer naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken.
De verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte:
op 9 januari 2026 te Budel, gemeente Cranendonck, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een riem om de hals van voornoemde [slachtoffer] heeft gelegd en vervolgens die riem heeft strakgetrokken om zijn hals, waardoor voornoemde [slachtoffer] minder lucht kon krijgen en tijdelijk buiten bewustzijn raakte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) op te leggen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer te verwurgen met een riem. Er bestond geen enkele aanleiding voor deze geweldsexplosie. De rechtbank acht deze plotselinge agressie van de verdachte schokkend en zorgwekkend. Het had veel ernstiger voor het slachtoffer af kunnen lopen als de omstanders niet hadden ingegrepen.
Dit incident heeft bovendien plaatsgevonden in een AZC, een plaats waar de bewoners – die vanwege hun persoonlijke omstandigheden vaak kwetsbaar zijn – zich veilig zouden moeten voelen. Ook op de medewerkers van het COA heeft het incident impact gehad.
De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld hiervan nog lange tijd klachten kunnen ondervinden, in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid.
Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de geweldshandelingen van de verdachte bij het slachtoffer hebben geleid tot fysieke pijn, herbelevingen en nachtmerries. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Reclasseringsadvies
Uit het reclasseringsadvies van 3 juli 2026 blijkt dat de verdachte een asielzoeker is, die in afwachting is van een beslissing over zijn verblijfsstatus.
Het is voor de reclassering verder onduidelijk gebleven hoe de leefsituatie en de toekomst van de verdachte er uit zal gaan zien, als hij vrijkomt uit zijn detentie.
Nu de reclassering onvoldoende objectieve informatie over de verdachte heeft kunnen vergaren, heeft de reclassering geen passende uitspraken over criminogene factoren en de wenselijkheid/noodzakelijkheid van forensische interventies en toezicht kunnen doen.
De reclassering heeft wel geadviseerd om aan de verdachte een contactverbod met het slachtoffer op te leggen.
Strafblad
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank ook rekening met het strafblad van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte zich in Nederland niet eerder schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.
Oplegging straf
De rechtbank is oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank wijkt af van de oriëntatiepunten nu het geweld plaatsvond in de leefomgeving van slachtoffer en sprake was van fors geweld zonder enige aanleiding.
De rechtbank legt een lagere straf op dan de officier van justitie heeft geëist omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan waarop de officier van justitie haar eis heeft gebaseerd.
Alles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest aan de verdachte passend en geboden..
Contactverbod
De rechtbank zal – nu niet valt uit te sluiten dat de verdachte in de toekomst wederom in hetzelfde AZC als het slachtoffer zal verblijven – een contactverbod ter bescherming van het slachtoffer opleggen als een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr. voor de duur van twee jaren. Daarbij zal worden bepaald dat bij elke overtreding één week vervangende hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering tot schadevergoeding integraal toe te wijzen tot een bedrag van € 4.000,00. De officier van justitie heeft verzocht om dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft primair verzocht om de vordering af te wijzen en subsidiair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Het gevorderde schadebedrag past volgens de raadsman niet bij de aard van de geweldshandelingen die verdachte heeft erkend.
Het oordeel van de rechtbank.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen aan zijn hals en vordert op deze grondslag vergoeding van zijn immateriële schade.
In de toelichting op de vordering wordt daarnaast uitvoerig uiteengezet dat de benadeelde partij tevens kampt met psychische klachten (slaapproblemen, benauwdheidsklachten, herbelevingen, nachtmerries, onderbouwd met een journaal van de GZA-arts) als gevolg van het strafbare feit.
De rechtbank leest de vordering van de benadeelde partij aldus dat beoogd is om ook deze klachten aan de immateriële schadevordering ten grondslag te leggen. De rechtbank zal daarom zowel het lichamelijke en psychische letsel meewegen bij de beoordeling van het aan het slachtoffer toe te kennen schadebedrag.
Bij de vaststelling van de hoogte van het schadebedrag dat aan de benadeelde partij kan worden toegekend is rekening gehouden met schadebedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
In dit geval waardeert de rechtbank de schade ter zake het door de benadeelde partij als gevolg van door het strafbare feit opgelopen letsel op een schadebedrag van € 1.500,00.
Dit bedrag zal dan ook door de rechtbank worden toegekend.
De benadeelde partij wordt in het resterende deel van zijn immateriële vordering niet-ontvankelijk verklaard; dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 9 januari 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij deels wordt toegewezen.
Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen.
De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is waarmee het feit is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan de verdachte toebehoorde;

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 38v, 45 en 302 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart niet bewezenhetgeen aan de verdachte
primairten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificatie en strafbaarheid
het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
(subsidiair)
poging tot zware mishandeling;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
oplegging van straf en maatregel
legt op de volgende straffen en maatregelen:
- een gevangenisstrafvoor de duur van
8 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
- de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende een contactverbodvoor de duur van
2 jaren;
het contactverbod houdt in dat de veroordeelde gedurende 2 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met: [slachtoffer] , geboren op [1999] ;
beveelt dat voor iedere keer dat de veroordeelde zich niet aan deze maatregel houdt vervangende hechtenis voor de duur van 1 week zal worden toegepast, tot een maximum van 6 maanden;
bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
benadeelde partij [slachtoffer]
wijst de
vordering tot schadevergoedingvan de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 1.500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van volledige vergoeding;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 9 januari 2026;
veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;
veroordeelt de verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;
legt op de
maatregel van schadevergoeding van € 1.500,00,te vervangen door 15 dagen gijzeling;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] , van een bedrag van € 1.500,00 bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van volledige vergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen gijzeling;
bepaalt dat de toepassing van deze vervangende gijzeling de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 9 januari 2026;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is;
bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
beslag
verklaart verbeurdhet inbeslaggenomen goed, te weten:
-1 Riem. (Omschrijving: PL2100-2026006139-G2431760)
voorlopige hechtenis
heft ophet tegen verdachte verleende
bevel tot voorlopige hechtenismet ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.C. Gribling, voorzitter,
mr. H.M. Hettinga en mr. E.C.L. Pechaczek, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,
en is uitgesproken op 27 juli 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district Recherche Helmond genummerd BVH2026006139.