ECLI:NL:RBOBR:2026:5468

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
01-0359999-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen met taakstraf en schadevergoeding

Op 14 november 2022 vond in Deurne een vechtpartij plaats na een evenement, waarbij verdachte samen met medeverdachten openlijk geweld pleegde tegen meerdere personen en de ruit van een bedrijf vernielde. Verdachte sloeg en schopte slachtoffers en veroorzaakte materiële schade.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs, waaronder camerabeelden en getuigenverklaringen, overtuigend was en veroordeelde verdachte voor openlijk in vereniging gepleegd geweld. Het noodweerverweer werd verworpen omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank legde een taakstraf van 120 uur op, waarvan 80 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de ernst van het feit, persoonlijke omstandigheden en overschrijding van de redelijke termijn.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan drie benadeelden, deels op basis van onderbouwing en deels op schatting, met hoofdelijkheid en wettelijke rente. De vorderingen die onvoldoende waren onderbouwd werden afgewezen of verwezen naar de burgerlijke rechter.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur (waarvan 80 uur voorwaardelijk) en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.035999.23
Datum uitspraak: 27 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [2004] ,
wonende te [adres] ,
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 juni 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 november 2022 te Deurne
openlijk, te weten op/aan de Blasiusstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of een goed, te weten een ruit van [bedrijf 1] ,
door:
- Die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 6] in/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen (terwijl deze [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 6] op de grond lagen),
- Die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] in/tegen het gezicht en/of het hoofd te slaan en/of
- De ruit van de voordeur van [bedrijf 1] in te trappen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.
Op 14 november 2022 vond in Deurne in [bedrijf 2] aan de Blasiusstraat het jaarlijkse feest genaamd "Schijt aan de baas" plaats. Na afloop van het feest, rond 16:00 uur, vond er in dezelfde straat een vechtpartij plaats waarbij onder andere de eigenaar en een medewerker van [bedrijf 1] werden geslagen. De eigenaar sloot hierop de deur van [bedrijf 1] waarna een of meerdere personen de ruit van de deur van [bedrijf 1] kapot sloegen
(incident 1).
Hierna volgde een vechtpartij tussen de personen die op dat moment buiten [bedrijf 1] stonden
(incident 2). De politie is ter plaatse gekomen en heeft drie personen aangehouden (zijnde verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ). Een vierde persoon ( [medeverdachte 3] ) heeft zich na te zijn ontboden ruim een week later gemeld op het politiebureau. Door zes personen werd aangifte gedaan van (een poging tot) zware mishandeling dan wel openlijke geweldpleging.
Aan alle vier de verdachten is het plegen van openlijk geweld tegen personen en goederen ten laste gelegd.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het plegen van openlijk geweld in vereniging tegen aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] en de ruit van [bedrijf 1] wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden. Ten aanzien van aangevers [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft de officier van justitie verzocht verdachte partieel vrij te spreken.
Het standpunt van de verdediging.
Door de raadsvrouw van verdachte is op de in de pleitnota aangevoerde gronden bepleit dat verdachte partieel (ten aanzien van aangevers [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en het vernielen van de ruit) vrijgesproken dient te worden.
Het oordeel van de rechtbank.
Op grond van de bewijsmiddelen die zijn vervat in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, stelt de rechtbank het volgende vast.
Incident 1
Op 14 november 2022 heeft verdachte, samen met onder andere de hiervoor genoemde medeverdachten, in [bedrijf 2] te Deurne het evenement ‘Schijt aan de baas’ bezocht. Na afloop van het evenement heeft de groep waar verdachte deel van uitmaakte zich begeven richting [bedrijf 1] , ook gelegen aan de Blasiusstraat te Deurne. [medeverdachte 1] staat in [bedrijf 1] , terwijl verdachte een stoel van het terras van de buren bij [bedrijf 1] mee naar binnen neemt. Verdachte wordt hierop aangesproken door aangever [slachtoffer 2] (de eigenaar van [bedrijf 1] ). Verdachte reageert boos en weigert de stoel terug buiten te zetten. Aangever [slachtoffer 1] (werkzaam in [bedrijf 1] ) ziet dat verdachte de stoel op de grond gooit en dat hij geen gehoor geeft aan het verzoek van [slachtoffer 2] om te vertrekken. Op de beelden van de beveiligingscamera van [bedrijf 1] , die zich bij het dossier bevinden en ter zitting zijn bekeken, is te zien dat verdachte door [slachtoffer 2] door de deuropening naar buiten wordt geleid, maar vervolgens weer naar binnen stapt. Ook [slachtoffer 1] spreekt verdachte aan, geleidt hem naar de deur en geeft hem, wanneer hij niet meewerkt, een stevige duw naar achteren, naar buiten. Direct daarop ontstaat vlak voor de deur van [bedrijf 1] een handgemeen tussen in ieder geval verdachte en [slachtoffer 1] , waarbij de rechtbank niet precies kan vaststellen welke geweldshandelingen – in welke volgorde - hebben plaatsgevonden. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank niet wie als eerste een klap uitdeelt.
Hoe de eerste seconden van het gevecht
(incident 1)feitelijk zijn verlopen kan de rechtbank niet vaststellen.
Op de beelden van de situatie buiten [bedrijf 1] is te zien dat naast elkaar twee personen bewegingsloos op de grond liggen. De rechtbank vermoedt dat de rechter persoon [medeverdachte 3] was, omdat verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte 3] op de grond zag liggen en dat hij bloed bij zijn hoofd zag. Verder is te zien dat er links naast [medeverdachte 3] nog een man op de grond ligt. De rechtbank vermoedt, gelet op diens verklaring en de verklaring van [slachtoffer 1] , dat dit [slachtoffer 2] is. Hoe deze personen daar terecht zijn gekomen blijkt niet uit de beelden of uit andere verklaringen.
[slachtoffer 1] heeft verklaart dat hij [slachtoffer 2] opeens op de grond zag liggen en uit paniek om zich heen begon te slaan en dat vier personen hem probeerden te slaan.
Deze verklaring van [slachtoffer 1] past bij de beelden, waarop te zien is dat [slachtoffer 1] paniekerige, maar wel afwerende bewegingen maakt. Te zien is dat hij wordt belaagd door verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Onder andere is te zien dat verdachte een gevechtshouding aanneemt met twee gebalde vuisten, een aanloop neemt, met zijn rechterschouder indraait en zijn linkerarm uitstrekt. [slachtoffer 1] beweegt zich vervolgens in de richting van verdachte en verdachte raakt [slachtoffer 1] met zijn linkerhand met kracht tegen de kin. [slachtoffer 1] klapt met zijn hoofd naar achter. [medeverdachte 2] heeft een voorwerp in zijn linkerhand en slaat in de richting van [slachtoffer 1] .
[slachtoffer 1] vlucht naar binnen en blijkt later forse verwondingen aan zijn mond/kaak opgelopen te hebben. Uit de medische informatie in het dossier blijkt dat meerdere voortanden moesten worden verwijderd en een gat aan de binnenkant van zijn onderlip moest worden gehecht.
[slachtoffer 2] is op enig moment weer opgestaan en teruggelopen naar [bedrijf 1] . Hij sluit zodra hij weer binnen is de deur van [bedrijf 1] en doet deze op slot.
Hierna ziet [slachtoffer 2] de jongens uit de groep die hem en [slachtoffer 1] zojuist hadden geslagen naar de deur komen. Een jongen in een groen shirt met een tattoo sleeve, van wie de rechtbank op basis van het dossier vaststelt dat dit [medeverdachte 2] betreft, schopt tegen de ruit van de deur. Verdachte heeft verklaard dat hij met vlakke hand een klap tegen de ruit heeft gegeven. Er ontstaat een grote ster in de ruit van de deur.
Incident 2
De jongens worden aangesproken op hun gewelddadige gedrag en er ontstaat een gevecht. De rechtbank gaat er vanuit dat de groep waartoe verdachte behoorde de aanstichter van het gevecht is, omdat [getuige 1] heeft verklaard dat de groep die de deur vernielde degenen waren die begonnen met vechten. [getuige 2] heeft verklaard dat zij vooral jongens met dure jassen en haren vol met gel, en een jongen met een groen shirt zag vechten en dat de andere jongens op die jongens reageerden. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat dit [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn.
[slachtoffer 6] pakt een van de jongens die tot de groep van de verdachten behoorde ( [getuige 3] ) vast bij zijn nek om te voorkomen dat er meer geweld plaatsvindt en valt met hem op de grond. Op de beelden met bestandsnaam ‘volledige film kopschoppen sltf [slachtoffer 6] ’ is te zien dat [slachtoffer 6] met [getuige 3] op de grond ligt terwijl hij [getuige 3] in een nekklem vasthoudt. Ook te zien is dat [medeverdachte 2] [slachtoffer 6] tegen het hoofd slaat en hem meerdere keren trapt. Het hoofd van [slachtoffer 6] wordt daarbij in ieder geval tweemaal hard geraakt. [medeverdachte 1] pakt [slachtoffer 6] bij zijn kraag, trekt hem omhoog en geeft [slachtoffer 6] een harde klap op het achterhoofd. Meerdere personen, waaronder aangever [slachtoffer 3] , proberen [slachtoffer 6] hierop te ontzetten. [slachtoffer 3] wordt op zijn achterhoofd geslagen en pakt medeverdachte [medeverdachte 3] hierna vast bij de bovenarmen. Terwijl zij zich, elkaar vasthoudend, verplaatsen, schopt [medeverdachte 1] [slachtoffer 3] in zijn buik en slaat hem op zijn hoofd. Verdachte trapt aangever [slachtoffer 3] in zijn zij, probeert [slachtoffer 3] in de nek te springen en slaat [slachtoffer 3] met de vuist tweemaal tegen zijn hoofd.
De rechtbank dient te beoordelen of de hiervoor beschreven gedragingen van verdachte en diens medeverdachten kunnen worden gekwalificeerd als openlijk geweld. Om geweld aan te merken als openlijk geweld moet er sprake zijn van het openlijk en met verenigde krachten plegen van geweld tegen in dit geval meerdere personen en een ruit. Enig resultaat is vereist. Niet is vereist dat verdachte zelf geweld heeft gepleegd. Het is voldoende dat wordt bewezen dat verdachte opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd.
De rechtbank stelt vast dat voornoemde gedragingen hebben plaatsgevonden aan de openbare weg en in het bijzijn van anderen. Hiermee is het openlijke handelen gegeven. Verder is de rechtbank van oordeel dat verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijke geweld gericht tegen aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 3] en tegen de ruit van de cafetariadeur. De rechtbank acht het tenlastegelegde in zoverre dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van aangevers [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] komt de rechtbank tot een ander oordeel. Hoewel uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 2] op enig moment op de grond terechtgekomen is waarbij hij kort het bewustzijn lijkt te zijn verloren, blijkt uit het dossier niet hoe hij daar terechtgekomen is en/of iemand anders en zo ja, wie daarvoor verantwoordelijk gehouden kan worden. Zijn aangifte vindt in die zin onvoldoende steun in het dossier. Ten aanzien van aangever [slachtoffer 4] geldt dat zijn aangifte door geen enkel ander bewijsmiddel wordt ondersteund. De aangifte van aangever [slachtoffer 5] vindt wel steun in het dossier, echter vond het incident met hem plaats op een andere plek (een straat verderop) en waren daar geen andere personen dan enkel verdachte bij betrokken. Net als de officier van justitie is de rechtbank ten aanzien van aangever [slachtoffer 5] dan ook van oordeel dat er geen bewezenverklaring van openlijke geweldpleging jegens hem kan volgen omdat de mishandeling van aangever [slachtoffer 5] geen deel uitmaakte van het openlijk in vereniging gepleegde geweld dat heeft plaatsgevonden op de Blasiusstraat. De rechtbank zal verdachte gelet op het voorgaande partieel vrijspreken ten aanzien van aangevers [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] .

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
op 14 november 2022 te Deurne openlijk, te weten op/aan de Blasiusstraat,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] en een goed, te weten een ruit van de [bedrijf 1] ,
door:
- Die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 6] in/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen (terwijl deze [slachtoffer 6] op de grond lag),
- De ruit van de voordeur van [bedrijf 1] in te trappen.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging:
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen omdat sprake was van noodweer, subsidiair noodweerexces. Verdachte werd naar buiten geduwd en vervolgens minimaal eenmaal, mogelijk tweemaal, door [slachtoffer 1] met de vuist tegen het hoofd geslagen. Verdachte zag bovendien dat zijn vriend, [medeverdachte 3] , in de buurt van [slachtoffer 1] bewegingsloos op de grond lag. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij uit paniek om zich heen begon te slaan. Er bestond dus een wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zichzelf en zijn vriend mocht verdedigen en zijn reactie was zowel proportioneel als subsidiair.
Ook zag verdachte bij het tweede moment, nadat [slachtoffer 6] de groep van verdachte aansprak, dat [getuige 3] door [slachtoffer 6] in een wurggreep werd gehouden en even later medeverdachte dat [medeverdachte 3] werd vastgepakt door aangever [slachtoffer 3] . [slachtoffer 6] en [slachtoffer 3] maakten deel uit van de groep agressors (de ‘boeren’) en er was ook hier sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte hen mocht verdedigen.
Voor zover verdachte hierbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden kwam dit door de hevige gemoedsbeweging bij verdachte.
Het standpunt van de officier van justitie:
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat mogelijk op beide momenten sprake was van een noodweersituatie maar dat het handelen van verdachten in dat geval disproportioneel was. Het verweer moet daarom worden afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank:
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en van een handeling, geboden door de noodzakelijke verdediging daartegen.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat aangever [slachtoffer 1] verdachte een duw heeft gegeven toen verdachte [bedrijf 1] weigerde te verlaten. [slachtoffer 1] , wiens gedragingen duidelijk gericht waren op het uit zijn zaak te zetten van een overlastgevende klant (te weten verdachte) werd vervolgens door vier personen gezamenlijk, waaronder verdachte, belaagd. De rechtbank heeft, anders dan de verdediging stelt, niet op de beelden waargenomen dat verdachte (als eerste) is geslagen door aangever [slachtoffer 1] . Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer 1] , waartegen verdachte zich (met geweld) mocht verweren, is dan ook geen sprake. Het beroep op noodweer wordt verworpen.
Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat aangever [slachtoffer 6] een van de groep waartoe verdachte behoorde ( [getuige 3] ) heeft vastgepakt in een nekklem om te voorkomen dat hij, [getuige 3] , meer geweld zou kunnen plegen. Naar het oordeel van de rechtbank was er geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [getuige 3] door [slachtoffer 6] . Op het moment dat [slachtoffer 6] ingreep was er al sprake van een – door verdachte en zijn medeverdachte geïnitieerde gewelddadige situatie. [slachtoffer 6] mocht naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden [getuige 3] vastpakken om verdere escalatie van het geweld tegen de deur van de snackbar en hemzelf te voorkomen.
De rechtbank verwerpt het verweer en acht verdachte strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken dat sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 150 uur met aftrek, waarvan 75 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging.
In het kader van eventuele strafoplegging is door de verdediging onder andere gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het advies van de reclassering en de overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen personen en goederen. Samen met zijn mededaders heeft verdachte zonder enige noemenswaardige aanleiding heftig geweld toegepast op meerdere personen en op de deur van een cafetaria. Alle drie de slachtoffers hebben lichamelijk letsel opgelopen ten gevolge van de openlijke geweldpleging. Slachtoffer [slachtoffer 1] is meerdere voortanden kwijtgeraakt en had, naast blauwe plekken en schrammen, een forse wond aan de binnenzijde van zijn onderlip. Slachtoffer [slachtoffer 6] had meerdere bloeduitstortingen, zwellingen en schaafwonden op zijn gezicht en hoofd en slachtoffer [slachtoffer 3] had een pijnlijke neus en een snee achter zijn oor die gehecht moest worden. Door het geweld is een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en dit heeft hun gevoel van veiligheid aangetast. Dit blijkt uit de verklaringen in het dossier en uit de toelichtingen op de vorderingen benadeelde partij. Van het geweld door verdachte en diens mededaders waren meerdere omstanders getuige, daarnaast gaat het om geweld dat aan de openbare weg heeft plaatsgevonden. Dit veroorzaakt maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat het feit werd gepleegd terwijl verdachte en diens mededaders flink onder invloed van alcohol waren nadat zij vanaf ’s ochtends 9.00 uur in het café hadden gedronken.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met straffen die normaliter voor dit soort feiten worden opgelegd. Uit het advies van de reclassering dat zich bij de stukken bevindt, blijkt dat verdachte zijn leven op orde heeft. De reclassering adviseert geen interventies.
Gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen acht de rechtbank een taakstraf van enige duur passend en geboden.
De rechtbank constateert dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met 20 maanden. Verdachte werd op 14 november 2022 aangehouden en in verzekering gesteld terwijl de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op 13 juli 2026 en dus meer dan drieënhalf jaar later heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de vraag welke consequentie daaraan moet worden verbonden, sluit de rechtbank zich aan bij de thans geldende jurisprudentie van de Hoge Raad. Hieruit volgt dat bij een termijnoverschrijding met meer dan een jaar gehandeld dient te worden naar bevind van zaken. De rechtbank is van oordeel dat de onwenselijk lange duur van de zaak moet leiden tot compensatie in de hoogte van de straf. De rechtbank zal aan verdachte een taakstraf voor de duur van 120 uur opleggen, waarvan 80 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank legt hiermee een lichtere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank van oordeel is dat deze straf recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde en de overige omstandigheden van het geval.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 6.350,08, bestaande uit € 3.650,08 aan materiële schade en € 2.700,00 aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de vordering in zijn geheel toewijsbaar, inclusief toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft niet-ontvankelijkheid van de vordering bepleit gelet op het gevoerde noodweerverweer. Toekenning van een schadevergoeding is bovendien disproportioneel gezien het handelen van aangever zelf. Subsidiair is aangevoerd dat de diverse posten aan materiële schade onvoldoende zijn onderbouwd en dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met afschrijving.
Beoordeling.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit de behandeling ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft als posten opgevoerd diverse kledingstukken, een armband die verloren is gegaan en verlies aan verdienvermogen. Met betrekking tot de kleding en de armband is de rechtbank, net als de verdediging, van oordeel dat ten onrechte geen afschrijving is toegepast. Nu er geen facturen zijn overgelegd waaruit blijkt wanneer deze goederen zijn aangeschaft zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de schade voor deze posten gezamenlijk vaststellen op € 300,00. De post verlies aan verdienvermogen acht de rechtbank voldoende onderbouwd en zal in zijn geheel worden toegewezen.
Verder is vast komen te staan dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. Die schade houdt verband met het door de benadeelde partij opgelopen letsel, bestaande uit een wond op het achterhoofd, een blauw oog en neusletsel. Voor de opgevoerde lichte hersenschudding ziet de rechtbank onvoldoende onderbouwing zodat deze buiten beschouwing wordt gelaten. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op € 1.000,00.
De rechtbank ziet in hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd met betrekking tot de eigen schuld van de benadeelde geen grond voor het oordeel dat de schade (deels) voor rekening van de benadeelde moet blijven. Hoewel de rechtbank heeft vastgesteld dat het slachtoffer zich actief heeft gemengd in de vechtpartij, wordt hierin geen aanleiding gezien om uit te gaan van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer. Daarvoor is in het bijzonder van belang dat de benadeelde partij zich enkel in het gevecht heeft gemengd om een ander slachtoffer te ontzetten en de disproportionele wijze waarop verdachte en diens mededaders daar op hebben gereageerd.
De rechtbank acht dan ook toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade:
  • kleding en armband : € 300,00
  • verliesverdienvermogen : € 2.752,75
  • immateriële schade
totaal : € 4.052,75
Te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid:
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, eveneens hoofdelijk, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte of een van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte of een van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] .

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 6.619,34 bestaande uit € 5.119,34 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de vordering in zijn geheel toewijsbaar, inclusief toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft niet-ontvankelijkheid van de vordering bepleit gelet op het gevoerde noodweerverweer. Toekenning van een schadevergoeding is bovendien disproportioneel gezien het handelen van aangever zelf. Subsidiair is met betrekking tot de gemaakte kosten in verband met uitbesteding van werk aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat er een noodzaak heeft bestaan werk uit te besteden. Ten aanzien van de post ‘kosten ambulancevervoer en medicijnen’ heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit de behandeling ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade en immateriële schade (letsel) heeft geleden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn alle posten, en dus ook de post ‘kosten door uitbesteding werk’, voldoende onderbouwd. De benadeelde partij heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij enkele dagen niet heeft kunnen werken, reden waarom hij anderen heeft moeten inschakelen voor het uitvoeren van door de benadeelde partij aangenomen opdrachten.
Anders dan door de verdediging bepleit ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij, zodat de vergoedingsplicht aan de kant van verdachte geheel in stand blijft. Daarvoor is in het bijzonder van belang dat verdachte en diens mededaders disproportioneel hebben gereageerd op het aanspreken en vastpakken van [getuige 3] door de benadeelde partij.
De rechtbank acht de vordering dan ook in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid:
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, eveneens hoofdelijk, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte of een van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte of een van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 32.500,00 bestaande uit € 3.500,00 aan materiële schade en € 29.000,00 aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade niet ontvankelijk verklaard dient te worden omdat deze in het geheel niet is onderbouwd. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft niet ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit omdat de vordering geheel niet onderbouwd is.
Beoordeling.
De rechtbank constateert dat de vordering in haar geheel niet is onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de behandeling ter terechtzitting echter wel voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer forse verwondingen heeft opgelopen aan zijn mond en dat hij meerdere voortanden is kwijtgeraakt. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro naar maatstaven van billijkheid schatten op € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
Met betrekking tot de post ‘schade aan geparkeerde auto’s van klanten’ zal de rechtbank de vordering afwijzen nu het vereiste causaal verband met het bewezenverklaarde feit ontbreekt.
De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van het overige niet ontvankelijk verklaren. Van de meer gevorderde immateriële schade en de overige materiële schade is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit onder meer aangezien de bewijstukken thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de eigen schuld van de benadeelde geen grond voor het oordeel dat de schade (deels) voor rekening van de benadeelde moet blijven. De omstandigheid dat de benadeelde partij een van de medeverdachten heeft geduwd toen die zich had misdragen door een stoel uit een ander café mee naar binnen te nemen en – ondanks aanzeggingen daartoe - weigerde om [bedrijf 1] te verlaten acht de rechtbank onvoldoende om eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij aan te nemen. Daarnaast is nog van belang het volstrekt disproportionele geweld dat de benadeelde vervolgens ten deel is gevallen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid:
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, eveneens hoofdelijk, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte of een van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte of een van zijn mededaders heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 141 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
bewezenverklaring
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
kwalificatie en strafbaarheid
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
strafoplegging
Legt op de volgende straf.
Een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht waarvan 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank waardeert elke dag die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op 2 uur te verrichten arbeid.
benadeelde partij [slachtoffer 3]
Legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 4.052,75 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 40 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 3.052,75 euro materiële schade en 1.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 4.052,75 euro, bestaande uit 3.052,75 euro materiële schade en 1.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
benadeelde partij [slachtoffer 6]
Legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 6] , van een bedrag van 6.619,34 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 58 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 5.119,34 euro materiële schade en 1.500,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 6] , van een bedrag van 6.619,34 euro, bestaande uit 5.119,34 euro materiële schade en 1.500,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
benadeelde partij [slachtoffer 1]
Legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.500,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Wijst de vordering voor zover deze ziet op de post ‘schade aan geparkeerde auto’s van klanten’ af.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor zover deze ziet op de meer en anders gevorderde materiële en immateriële schade niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.M. Hettinga, voorzitter,
mr. E.C.L. Pechaczek en mr. I.M. Rinzema, leden,
in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,
en is uitgesproken op 27 juli 2026.