Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
14 juli 2026.
De tenlastelegging.
[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
De formele voorvragen.
Bewijs.
De bewezenverklaring.
[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten
[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
De strafbaarheid van de feiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Oplegging van straffen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
taakstrafvoor de duur van
100 urensubsidiair 50 dagen hechtenis;
gevangenisstrafvoor de duur van
4 maanden voorwaardelijkmet een proeftijd van 2 jaren.
€ 1.000,-, bestaande uit immateriële schade.
de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 1.000,-.
de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 500,-.