ECLI:NL:RBOBR:2026:5472

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
01/319773-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte bij verstek veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid van twee jonge vrouwen met een lichamelijke en/of geestelijke beperking, gepleegd op 22 juni 2024 te Eindhoven. De feiten betroffen het betasten en ongewenst fysiek contact waarbij sprake was van misbruik van feitelijke verhoudingen en overwicht. De verklaringen van de slachtoffers werden als betrouwbaar beoordeeld en ondersteund door steunbewijs, waaronder camerabeelden en getuigenverklaringen.

De rechtbank oordeelde dat het handelen van verdachte onverhoeds was en dwang opleverde, waardoor de slachtoffers zich niet konden verzetten. De strafbaarheid werd vastgesteld op grond van artikel 246 (oud) Sr. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank legde een hogere straf op dan de officier van justitie had gevorderd vanwege de ernst van de feiten en recidivepreventie.

Daarnaast werden aan beide slachtoffers immateriële schadevergoedingen toegekend van respectievelijk €1.000 en €500, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het delict. De rechtbank legde tevens de schadevergoedingsmaatregel op ten behoeve van de Staat om de schaderegeling te bevorderen. De verdachte werd veroordeeld in de proceskosten en de kosten van tenuitvoerlegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 100 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met proeftijd, plus immateriële schadevergoeding aan slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.319773.25
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1997] ,
wonende te [adres]
Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van
14 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 juni 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 22 juni 2024 te Eindhoven,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
- door onverhoeds handelen
- misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht veroorzaakt door lichamelijke en/of geestelijke verschillen tussen verdachte en [slachtoffer 1]
- voorbijgaan aan verbale en non-verbale signalen van verzet van [slachtoffer 1] , immers weigerde zij hem aan te kijken en duwde hem (herhaaldelijk) weg en/of zei ze dat ze niet bij hem op schoot wilde zitten

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

- het betasten van de borsten en billen van [slachtoffer 1] en/of
- het met zijn onderlichaam tegen [slachtoffer 1] aan duwen/rijden
feit 2
hij op of omstreeks 22 juni 2024 te Eindhoven,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
- door onverhoeds handelen en
- misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht veroorzaakt door lichamelijke en/of geestelijke verschillen tussen verdachte en [slachtoffer 2] en/of
- voorbijgaan aan verbale en non-verbale signalen van verzet van [slachtoffer 2] , immers, heeft zij een afkeurende blik gegeven toen verdachte haar in haar buik kneep en zei ze dat ze er zat van was en dit niet wou

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

- het betasten van de lies, althans de binnenkant van het bovenbeen ter hoogte van de schaamstreek van [slachtoffer 2] .

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, gepleegd door middel van een andere feitelijkheid. De officier van justitie vindt de verklaringen van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) betrouwbaar. In de camerabeelden, de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de verklaring van de stiefmoeder van [slachtoffer 1] en de moeder van [slachtoffer 2] vindt de officier van justitie steunbewijs. De officier van justitie ziet alleen onvoldoende steunbewijs voor het betasten van de borsten van [slachtoffer 1] door de verdachte en meent dat de verdachte hiervoor partieel zou moeten worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen.
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegd. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank overweegt voorts het volgende.
Het oordeel van de rechtbank.
Juridisch kader.
Aan de verdachte is een zedendelict ten laste gelegd. De rechtbank acht het allereerst relevant om te wijzen op het feit dat per 1 juli 2024 de wet ten aanzien van zedenzaken gewijzigd is. De aanrandingen waarvan de verdachte beschuldigd wordt, zouden hebben plaatsgevonden op 22 juni 2024 en vallen daarom onder artikel 246 (oud) Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zoals dat gold tot 1 juli 2024. Van aanranding in juridische zin kan dan alleen sprake zijn als er ontuchtige handelingen worden gepleegd of geduld met toepassing van dwang. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de dwang in artikel 246 (oud) Sr van dien aard moet zijn dat de ander zich naar redelijke verwachting niet tegen de ontuchtige handelingen heeft kunnen verzetten dan wel door toedoen van de verdachte in een zodanig bedreigende situatie is gebracht dat deze zich daaraan niet heeft kunnen onttrekken. Van dwang tot het dulden van seksuele handelingen kan ook sprake zijn als de betrokkene zich door het onverhoedse karakter van het handelen van de verdachte daartegen niet heeft kunnen verzetten.
De rechtbank stelt daarnaast voorop dat – op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van het vermeende slachtoffer. Voor een bewezenverklaring dient sprake te zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer.
De vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden is of de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Voordat de rechtbank aan die beoordeling toekomt, moet de rechtbank allereerst de vraag beantwoorden of de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en daarmee bruikbaar voor het bewijs.
De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en tot uitgangspunt kunnen dienen bij de beoordeling van deze zaak. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Op 17 juli 2024 heeft het studioverhoor van [slachtoffer 1] plaatsgevonden. In grote lijnen heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij op 22 juni 2024 met haar vriendin [slachtoffer 2] in Eindhoven was. Daar zijn zij aangesproken door de verdachte die zich voorstelde als [verdachte] , en zij hebben de verdachte verteld over hun beperkingen. Zij hebben de verdachte op een gegeven moment gevraagd om weg te gaan, maar de verdachte ging niet weg en achtervolgde hen naar de Mediamarkt. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte haar in de Mediamarkt heeft vastgepakt en vastgehouden, haar gezicht heeft gepakt, over haar kont heeft geaaid en met zijn geslachtsdeel tegen haar aan is gereden. Vervolgens zijn ze naar buiten gegaan en zijn ze op een ronde bank gaan zitten. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte achter haar is gaan zitten en wilde dat zij bij hem op schoot kwam zitten. Zij heeft tegen de verdachte gezegd dat zij dit niet wilde en ook niet kon vanwege haar spasmes. De verdachte heeft haar toen op schoot getrokken en [slachtoffer 1] voelde wederom het geslachtsdeel van de verdachte. [slachtoffer 1] is van hem afgegaan en weggerend.
Op 31 juli 2024 heeft het studioverhoor [slachtoffer 2] plaatsgevonden. In grote lijnen heeft zij verklaard dat zij op haar verjaardag, 22 juni 2024, met haar vriendin [slachtoffer 1] in Eindhoven was en dat zij werden aangesproken door de verdachte die zich voorstelde als [alias verdachte] of [verdachte] . [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij tegen de verdachte heeft gezegd dat zij en [slachtoffer 1] op het speciaal onderwijs zaten. Verder heeft [slachtoffer 2] verklaard dat de verdachte haar in de Mediamarkt in haar buik heeft geknepen en de verdachte haar buiten met zijn duim in haar lies heeft aangeraakt. [slachtoffer 2] heeft tegen de verdachte gezegd dat ze dat niet wilde. Het lukte haar niet om het fluitje dat zij mee had te pakken of om hulp te roepen, omdat ze verstijfd was door wat er gebeurde.
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben de hiervoor beschreven verklaringen ieder afzonderlijk van elkaar afgelegd. Dit hebben zij op concrete, gedetailleerde en consistente wijze gedaan. Zo zijn de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op essentiële onderdelen gelijk. Zij verklaren allebei specifieke details over onder andere de ontmoeting en de locaties waar zij zijn geweest. Ook zijn de handelingen die bij de ander worden gezien en beschreven, overeenkomstig met wat zij daar zelf over hebben verklaard.
Steunbewijs ten aanzien van feiten 1 en 2
Het voorgaande maakt dat de verklaringen elkaar ook over en weer steunen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben, nadat het is gebeurd, respectievelijk stiefmoeder, [betrokkene 1] , en moeder, [betrokkene 2] , verteld wat er is gebeurd. Zij hebben elk waargenomen dat de gebeurtenissen invloed hebben gehad op de emotionele toestand van repectievelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ook zijn er camerabeelden waarop gedrag door de verdachte te zien is wat ook wordt beschreven door [slachtoffer 1] .
De rechtbank is daarmee van oordeel dat er voor de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] steunbewijs aanwezig is in het dossier.
De rechtbank ziet net als de officier van justitie geen wettig en overtuigend bewijs voor het aanraken van de borst(en) van [slachtoffer 1] en zal de verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken.
Dwang ten aanzien van feiten 1 en 2
De rechtbank stelt vast dat het betasten door de verdachte voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onverwachts gebeurde en voor hen onvermijdelijk was. In beide gevallen is er sprake van onverhoeds handelen, waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedwongen werden de handelingen te ondergaan. Zij werden overvallen door het handelen van de verdachte en hadden er op geen enkele manier rekening mee kunnen houden dat de verdachte deze handelingen zou gaan verrichten. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben een psychische beperking, waarbij voor [slachtoffer 1] geldt dat zij ook een fysieke beperking heeft en spalken draagt. Hierdoor hebben zij zich niet kunnen onttrekken aan het betasten door de verdachte. Dit blijkt ook uit de verklaring van [slachtoffer 2] dat zij een fluitje mee had maar dat het haar niet lukte om die te gebruiken vanwege de angst die zij voelde.
De verdachte was bovendien op de hoogte van de beperking van de slachtoffers. Zij hebben hem verteld over hun beperkingen en de verdachte heeft hen meegenomen naar mensen van “het ware licht” die ze hebben geprobeerd te ‘genezen’.
De rechtbank acht daarmee sprake van dwang als bedoeld in artikel 246 Sr Pro (oud) door een andere feitelijkheid.
Conclusie.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde in die zin dat sprake is van aanranding van zowel [slachtoffer 1] als van [slachtoffer 2] .

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
feit 1
op 22 juni 2024 te Eindhoven,
door een andere feitelijkheid, te weten
- door onverhoeds handelen
- misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht veroorzaakt door lichamelijke en geestelijke verschillen tussen verdachte en [slachtoffer 1]
- voorbijgaan aan verbale en non-verbale signalen van verzet van [slachtoffer 1] , immers weigerde zij hem aan te kijken en duwde hem (herhaaldelijk) weg en zei ze dat ze niet bij hem op schoot wilde zitten

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten

- het betasten van de billen van [slachtoffer 1] en
- het met zijn onderlichaam tegen [slachtoffer 1] aan duwen/rijden
feit 2
op 22 juni 2024 te Eindhoven,
door een andere feitelijkheid, te weten
- door onverhoeds handelen en
- misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht veroorzaakt door geestelijke verschillen tussen verdachte en [slachtoffer 2] en
- voorbijgaan aan verbale en non-verbale signalen van verzet van [slachtoffer 2] , immers, zei ze dat ze er zat van was en dit niet wou

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

- het betasten van de lies van [slachtoffer 2]

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 100 uur. De officier van justitie heeft rekening gehouden met onder meer de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De aard en de ernst van de feiten.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het betasten van twee jonge en kwetsbare vrouwen met een beperking. Bij een van de twee jonge vrouwen was deze beperking zichtbaar. Dit is een zeer ernstig feit.
Ontuchtige handelingen, van welke aard en intensiteit en onder welke omstandigheden ook, vormen een inbreuk op de lichamelijke integriteit van een slachtoffer daarvan. De verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssferen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij konden zich niet onttrekken aan het betasten door de verdachte. Uit de schadeonderbouwing van [slachtoffer 1] blijkt dat zij vanwege haar beperking beperkt is in haar mogelijkheden. Een van de weinige momenten waarop zij een “normale puber” kon zijn was als zij met een vriendin naar het centrum van Eindhoven ging. Uit de schadeonderbouwing van [slachtoffer 2] blijkt dat [slachtoffer 2] maandenlang te bang was om nog naar Eindhoven te gaan. Door zijn handelen heeft de verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de spaarzame momenten om zorgeloos op pad te gaan, ontnomen.
De verdachte heeft zich hierbij laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en geen rekening gehouden met de gevoelens van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Slachtoffers van dergelijke delicten kunnen daar nog lange tijd nadelige psychische gevolgen van ondervinden. Dat dit ook geldt voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt wel uit de schadeonderbouwingsstukken. [slachtoffer 1] is in een depressie geraakt en heeft daarvoor therapie moeten ondergaan. [slachtoffer 2] heeft nachtmerries gehad en heeft zich maandenlang beperkt gevoeld in haar vrijheid door angst.
Uitgangspunt strafoplegging.
De rechtbank zoekt bij de strafoplegging aansluiting bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Persoon van de verdachte.
De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Hij is niet verschenen op de zitting, en hij heeft zich niet gemeld bij de reclassering.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 juni 2026. De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij in 2017 voor een zedenfeit is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende zin mee, maar acht het wel van belang voor de afweging om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
Straf.
Alles afwegende acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en een taakstraf voor 100 uren passend en geboden.
De rechtbank zal aldus een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt en de rechtbank daarnaast vanuit het oogpunt van recidivepreventie een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden acht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij heeft met betrekking tot de immateriële schade een gedrag van €1.000,00, met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht de vordering te matigen naar €500,00, met wettelijke rente, omdat een onderbouwing van de gevolgde therapie en voorgeschreven medicatie ontbreekt. Tevens heeft de officier van justitie het opleggen van de maatregel van artikel 36f Sr gevorderd.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde aanranding meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen, dat zonder meer – en dus zonder nadere onderbouwing van de gevolgde therapie en genomen medicatie – kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW Pro en ter hoogte van het gevorderde bedrag. Dit is aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank constateert dat de verdachte de jonge en kwetsbare vrouw uit het niets heeft aangerand. Dit heeft grote gevolgen gehad voor [slachtoffer 1] . De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar. De vergoeding van immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. De vergoeding van immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

De benadeelde partij heeft met betrekking tot de immateriële schade een gedrag van €500,00, met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft toewijzing van de gehele vordering bepleit, met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie het opleggen van de maatregel van artikel 36f Sr gevorderd.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde aanranding meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen, dat zonder meer kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW Pro. Dit is aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank constateert dat de verdachte de jonge en kwetsbare vrouw uit het niet heeft aangerand. Dit heeft grote gevolgen gehad voor [slachtoffer 2] . De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar. De vergoeding van immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. De vergoeding van immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Feit 1:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Feit 2:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen:
 een
taakstrafvoor de duur van
100 urensubsidiair 50 dagen hechtenis;
 een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 maanden voorwaardelijkmet een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Ten aanzien van feit 1:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van
€ 1.000,-, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Legt aan de verdachte op
de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 1.000,-.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Ten aanzien van feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Legt aan de verdachte op
de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 500,-.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.H. Groen, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. M. Langstraat, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 28 juli 2026.