ECLI:NL:RBOBR:2026:5491

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
01-407471-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 77c SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor diefstal met geweld en medeplegen vrijheidsberoving adolescent

Op 27 december 2024 pleegde verdachte samen met een medeverdachte diefstal met geweld en medepleegde hij de vrijheidsberoving van een leeftijdgenoot in 's-Hertogenbosch. Verdachte toonde een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dwong het slachtoffer in een auto te stappen en reed naar een onbekende locatie. Het slachtoffer werd meerdere keren geslagen en raakte gewond.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van verklaringen van het slachtoffer, medeverdachte en verdachte zelf. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 10 maanden en een contactverbod, terwijl de verdediging pleitte voor toepassing van het jeugdstrafrecht met een voorwaardelijke jeugddetentie.

De rechtbank volgde het reclasseringsadvies en paste het jeugdstrafrecht toe, waarbij rekening werd gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn kleinere rol. De opgelegde straf bestaat uit 200 dagen jeugddetentie, waarvan 123 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een meldplicht bij de reclassering.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €2.459,95 aan het slachtoffer voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente, en werd de inbeslaggenomen auto aan verdachte teruggegeven. Het contactverbod werd niet opgelegd vanwege de proceshouding en het verzoek van het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 200 dagen jeugddetentie (waarvan 123 voorwaardelijk) met meldplicht en moet schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.407471.24
Datum uitspraak: 04 juli 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2006] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 april 2025 en 20 juni 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 februari 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 27 december 2024 te 's-Hertogenbosch
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een jas, juwelen, sleutels en/of een tas met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer]
- vast te grijpen en/of in en/of in de richting van de auto van verdachte te duwen en/of
- (daarbij) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of daarbij op gebiedende wijze te zeggen dat [slachtoffer] in deze auto moest stappen en/of
- vervolgens (in het voertuig) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of voornoemd wapen te richten op/naar die [slachtoffer]
- meermalen, althans eenmaal op/tegen het gezicht te slaan;
2.
hij op of omstreeks 27 december 2024 te 's-Hertogenbosch
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk
[slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,
door die [slachtoffer]
- vast te grijpen en/of in en/of in de richting van de auto van verdachte te duwen en/of
- (daarbij) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of daarbij op gebiedende wijze te zeggen dat [slachtoffer] in de auto moest stappen en/of
- (vervolgens) met deze auto weg te rijden naar een voor [slachtoffer] onbekende bestemming
- (vervolgens) (in het voertuig) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of voornoemd wapen te richten op/naar die [slachtoffer] .

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich voor wat betreft een bewezenverklaring van beide feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank. [1]
De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank volstaat, gelet op artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van bewijsmiddelen, aangezien verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit.
T.a.v. feit 1 en 2:
  • proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 27 december 2024, dossierpagina 140-142;
  • proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte] opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 27 december 2024, dossierpagina 90-96, met uitzondering van het gedeelte dat hij het slachtoffer één keer heeft geslagen;
  • de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 juni 2025.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1.
op 27 december 2024 te ’s-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander, een jas, een juweel, sleutels en een tas met inhoud, die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer]
- vast te grijpen en in en in de richting van de auto van verdachte te duwen en
- daarbij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en daarbij op gebiedende wijze te zeggen dat [slachtoffer] in deze auto moest stappen en
- vervolgens in het voertuig een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en voornoemd wapen te richten op die [slachtoffer] en
- meermalen tegen het gezicht te slaan;
2.
op 27 december 2024 te ’s-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer]
- vast te grijpen en in en in de richting van de auto van verdachte te duwen en
- daarbij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en daarbij op gebiedende wijze te zeggen dat [slachtoffer] in de auto moest stappen en
- vervolgens met deze auto weg te rijden naar een voor [slachtoffer] onbekende bestemming en
- in het voertuig een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en voornoemd wapen te richten op die [slachtoffer] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden op te leggen met aftrek van voorarrest en een contactverbod met het slachtoffer.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het volwassenenstrafrecht moet worden toegepast, ondanks het advies van de reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen. Zij vindt de onderbouwing van de reclassering onvoldoende voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Pedagogische hulpverlening van een jeugdige is niet aan de orde. Verdachte heeft werk en een vaste relatie. Hij is zelfredzaam.
De officier van justitie heeft verder bij het formuleren van haar eis rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. Het slachtoffer heeft een trauma opgelopen en is onder behandeling van een psycholoog, zodat hij zich weer veilig kan voelen. De officier van justitie neemt het verdachte kwalijk dat hij iemand van zijn jas heeft beroofd, terwijl verdachte een baan heeft en kan sparen voor zo een jas. Zij heeft verder rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte, de omstandigheid dat hij een minder grote rol heeft gespeeld dan [medeverdachte] (hierna: medeverdachte) en met de richtlijnen van het openbaar ministerie.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht een onvoorwaardelijke straf op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie met een meldplicht bij de reclassering.
Verder heeft de raadsman verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen zoals de reclassering heeft geadviseerd. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een impulsieve jongen is en dat hij zich niet staande kon houden in de penitentiaire inrichting voor volwassenen waar hij in voorarrest verbleef.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft samen met de medeverdachte een jongen van hun leeftijd beroofd van zijn jas, ketting, sleutels en tas. Verdachte en de medeverdachte hebben dit plan samen gemaakt. De medeverdachte heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het slachtoffer gericht en hem in een auto geduwd. Verdachte was de bestuurder van de auto. Er is een stuk met de auto gereden en de medeverdachte heeft het slachtoffer meerdere keren geslagen. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van het slachtoffer. Uit verdachtes handelen spreekt bovendien minachting voor andermans eigendom.
De feiten hebben veel impact gehad op het slachtoffer. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en uit de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer last heeft van slapeloze nachten en zich paniekerig voelt als hij uitgaat. Hij heeft een gevoel van onveiligheid en mentale onrust. Het slachtoffer volgt een behandeltraject bij een psycholoog.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan de rechtbank ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt, recht doen overeenkomstig het jeugdstrafrecht (de artikelen 77g tot en met 77gg Sr), indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank stelt voorop dat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Het uitgangspunt is dan ook dat berechting plaatsvindt overeenkomstig het volwassenenstrafrecht.
De reclassering adviseert in het rapport van 27 mei 2025 om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Wij adviseren het jeugdstrafrecht toe te passen. Vanwege zijn leeftijd komt betrokkene in aanmerking voor het ASR (adolescentenstrafrecht). Reclassering heeft het uitgebreide wegingskader ASR gebruikt om tot een afweging te komen. Hierbij merkt de reclassering wel op dat betrokkene een 'twijfelgeval' betreft. Desalniettemin zijn er volgens het wegingskader de nodige aanwijzingen dat betrokkene volgens het jeugdstrafrecht vervolgd zou moeten worden. Zo komt betrokkene enigszins jonger over dan zijn kalenderleeftijd, komt er uit de SCIL een vermoeden van een licht verstandelijke beperking naar voren en lijkt hij nog ondersteuning nodig te hebben bij het organiseren van zijn eigen gedrag. Ondanks dat betrokkene geen impulsieve jongen lijkt te zijn, zien wij op het vlak van handelingsvaardigheden wel enigszins aanknopingspunten voor toepassing van het ASR. Dit geldt tevens op het vlak van pedagogische mogelijkheden, omdat betrokkene actief deel uitmaakt van een gezin en in hoge mate ontvankelijk lijkt voor ondersteuning of beïnvloeding vanuit zijn ouders.
Het verdere wegingskader levert geen contra-indicaties op voor toepassing van het ASR. Zo is er geen sprake van een justitiële voorgeschiedenis en zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een criminele levensstijl of psychopathische trekken. Dit maakt dat wij, ondanks de twijfel die hierboven beschreven werd (doordat hij niet aan alle criteria voor toepassing ASR voldoet), toch voldoende aanknopingspunten zien om jeugdstrafrecht te adviseren.
De rechtbank houdt ook rekening met het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 31 januari 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:
Wij adviseren het jeugdstrafrecht toe te passen. Dit advies is tot stand gekomen met behulp van het wegingskader ASR. Er is bij betrokkene weliswaar geen sprake van een verstandelijke beperking en hij is niet meer schoolgaand, maar hij komt wel enigszins jonger over dan zijn kalenderleeftijd, woont bij moeder en lijkt in hoge mate ontvankelijk voor ondersteuning of beïnvloeding door volwassenen.
Zijn justitiële voorgeschiedenis is bovendien nagenoeg blanco en er zijn aanwijzingen dat hij zich binnen de volwassen PI waar hij nu verblijft onvoldoende staande kan houden. Betrokkene werd in voorlopige hechtenis geplaatst in de PI te Sittard zonder dat er een ASR-inschatting aan voorafging. Bij mogelijke voortduring van de voorlopige hechtenis wordt overplaatsing naar een JJI of KVJJ geïndiceerd geacht.
De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om af te wijken van het advies van de reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen. Het wegingskader adolescentenstrafrecht is toegepast en de reclassering heeft haar advies onderbouwd. Weliswaar spreekt de reclassering in haar meest recente rapport van een twijfelgeval, maar het eerdere opgemaakte advies is heel duidelijk. De rechtbank zal het advies van de reclassering dan ook volgen.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank merkt daarbij op dat in het jeugdstrafrecht bij het bepalen van de straf veel belang wordt gehecht aan wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige. Er wordt veel meer dan bij het strafrecht voor volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte – uiteindelijk – openheid van zaken heeft gegeven. Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte een kleinere rol heeft gespeeld dan zijn medeverdachte; hij heeft niet het op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en geen geweld gebruikt.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal daarop in mindering worden gebracht. De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte, te weten 123 dagen, voorwaardelijk opleggen. Dat betekent dat verdachte niet terug hoeft in detentie. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de omstandigheden dat verdachte al een behoorlijke tijd, te weten 77 dagen, in voorlopige hechtenis heeft verbleven en dat hij zijn leven op orde heeft. Een nieuwe detentie acht de rechtbank niet nodig. De rechtbank zal dan ook het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen.
Aan deze voorwaardelijke straf zal als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij en begeleiding door de reclassering worden gekoppeld. De reclassering heeft dat niet geadviseerd gelet op de proceshouding die verdachte ten tijde van het opmaken van het rapport innam, maar de rechtbank acht een meldplicht en begeleiding door de reclassering nu wel geïndiceerd omdat verdachte ter zitting openheid heeft gegeven over zijn aandeel. De reclassering kan beoordelen of en op welke leefgebieden verdachte hulp nodig heeft. De rechtbank zal gelet op de proceshouding van verdachte geen contactverbod met het slachtoffer opleggen. Het slachtoffer heeft ook niet verzocht om een contactverbod.
De rechtbank zal aan verdachte en de medeverdachte beiden een totale jeugddetentie opleggen van 200 dagen. Het verschil in de door verdachte en de medeverdachte gespeelde rollen komt naar het oordeel van de rechtbank voldoende tot uitdrukking in het langere onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie van de medeverdachte en in de bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijke gedeelte van de straf waaruit volgt dat de medeverdachte een zware behandeling moet ondergaan in Yes We Can Clinics.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van
€ 3.959,85 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bedrag bestaat uit materiële schade van € 459,95 (€ 74,95 voor een ketting en € 385,00 voor eigen risico 2025) en immateriële schade van
€ 3.5000,00. De vordering is ter terechtzitting toegelicht door een medewerker van Slachtofferhulp Nederland.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering volledig toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich voor wat betreft de vergoeding van materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft verzocht de vergoeding van immateriële schade lager vast te stellen.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de door het slachtoffer gevorderde vergoeding voor materiële schade en een deel van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade.
Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij gewond is geraakt aan zijn gezicht. Er is dus sprake van lichamelijk letsel en daarmee bestaat een grond voor het toekennen van een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Verder volgt uit de toelichting op de vordering dat de benadeelde partij kampt met psychische klachten. Hij is door de huisarts doorverwezen naar een psycholoog. De psycholoog heeft een posttraumatische stressstoorniss (PTSS) vastgesteld. De behandeling zal bestaan uit 10 sessies die geleidelijk in frequentie afnemen en over een periode van ongeveer 8 à 12 maanden zullen plaatsvinden. Een en ander is onderbouwd met een brief van de psycholoog. Deze klachten zijn naar het oordeel van de rechtbank te duiden als een aantasting in de persoon. Naar het oordeel van de rechtbank hebben deze klachten een rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde. Bij de beoordeling van de hoogte van de toe te kennen immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank mede gelet op uitspraken in andere zaken. De rechtbank acht – alles overziend – een bedrag van € 2.000,00 billijk.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor wat betreft de meer gevorderde vergoeding voor immateriële schade. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Wettelijke rente.
De rechtbank zal de vergoeding van materiële schade, voorzover dit de ketting (€ 74,95) betreft, en de vergoeding van immateriële schade (€ 2.000,00) vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (27 december 2024) tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de vergoeding van materiële schade, voorzover dit het eigen risico 2025 (€ 385,00) betreft, niet vermeerderen met de wettelijke rente omdat dit toekomstige schade betreft.
Motivering van de hoofdelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor is weergegeven.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte en/of zijn mededader hebben voldaan aan hun verplichting tot betaling aan de Staat daarmee hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte en/of zijn mededader hebben voldaan aan hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee hun verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

Er rust beslag op een personenauto (Audi A5) met kenteken [kenteken] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de personenauto verbeurd te verklaren.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht de personenauto terug te geven aan verdachte. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte de auto heeft gekocht van zijn spaargeld en veel geld in het opknappen van de auto heeft gestopt.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de personenauto aan verdachte, omdat naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van dat inbeslaggenomen goed. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de personenauto weliswaar is gebruikt bij het plegen van de strafbare feiten, maar dat een verbeurdverklaring een te zware bijkomende straf is gelet op de door de raadsman aangevoerde omstandigheden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen: 36f, 47, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde onder 1 en 2 bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
1.
diefstal, voorafgegaan of vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
2.
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf en maatregel.
T.a.v. feit 1, feit 2:
Een
jeugddetentievoor de duur van
200 dagenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht waarvan
123 dagen voorwaardelijken een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarde:

1. Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich binnen vijf werkdagen na onherroepelijk zijn van het vonnis bij Jeugdbescherming Brabant via telefoonnummer 088-2439011 (Pettelaarpark 62, 5216 PP
's-Hertogenbosch). Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Geeft aan Stichting Jeugdbescherming Brabant, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdruk(ken) of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Voorlopige hechtenis
Heft op het tegen verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
T.a.v. feit 1, feit 2:
Maatregel van schadevergoeding
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer], van een bedrag van
€ 2.459,95.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 34 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit € 459,95 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade. De vergoeding van materiële schade, voorzover dit de ketting (€ 74,95) betreft, en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van materiële schade, voorzover dit het eigen risico 2025 (€ 385,00) betreft, wordt niet vermeerderd met de wettelijke rente.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 2.459,95, bestaande uit € 459,95 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade, voorzover dit de ketting (€ 74,95) betreft, en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van materiële schade, voorzover dit het eigen risico 2025 (385,00) betreft, wordt niet vermeerderd met de wettelijke rente.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Teruggave inbeslaggenomen goed: een personenauto (Audi A5) met kenteken [kenteken] aan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter,
mr. N. Flikkenschild en mr. R. Grimbergen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H. Wildeman, griffier,
en is uitgesproken op 04 juli 2025.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen zijn dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, Districtsrecherche