ECLI:NL:RBOBR:2026:553
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing taxatie eiser
Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per waardepeildatum 1 januari 2024, vastgesteld op €453.000. Hij brengt een eigen taxatierapport in dat een lagere waarde van €400.800 onderbouwt, maar dit rapport is minder inzichtelijk en is opgesteld per een andere datum dan de waardepeildatum.
De heffingsambtenaar baseert zijn waardering op een taxatierapport van 22 september 2025, waarin de vergelijkingsmethode is toegepast met drie vergelijkingsobjecten. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
De rechtbank wijst de argumenten van eiser af, onder meer omdat zijn vergelijkingsobjecten deels ver van de waardepeildatum liggen, het rapport geen onderbouwing geeft van correcties en de indexering minder nauwkeurig is dan een taxatie per waardepeildatum. Ook de stelling van een jarenlange werkrelatie tussen de heffingsambtenaar en zijn taxateur leidt niet tot twijfel over de betrouwbaarheid van het rapport.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €453.000 wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd.