ECLI:NL:RBOBR:2026:5547

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
C/01/427261 / KF ZA 26-159
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265f BWArt. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering wijziging contactregeling minderjarige kinderen

Eiseres, moeder van twee minderjarige kinderen die onder toezicht zijn gesteld en in pleeggezinnen verblijven, vordert een wijziging van de contactregeling met haar kinderen. Zij wil wekelijkse contactmomenten uitbreiden van twee naar zes uren per kind, al dan niet onder begeleiding, en stelt dat het huidige contact te beperkt is om de band met haar kinderen te behouden.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat eiseres niet de juiste rechtsgang heeft gekozen. Op grond van artikel 1:265f BW bestaat een snelle en met voldoende waarborgen omklede procedure bij de kinderrechter, die vergelijkbare resultaten kan bieden. Deze procedure kan binnen korte tijd worden gepland en is bedoeld voor situaties waarin de gezagsrechter de contacten beperkt.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter eiseres niet-ontvankelijk in haar vordering tot wijziging van de contactregeling. Het vonnis is gewezen door mr. J. van Kesteren en op 29 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot wijziging van de contactregeling wegens het bestaan van een passende snelle rechtsgang bij de kinderrechter.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Familie en Jeugdrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/427261 / KF ZA 26-159
Vonnis in kort geding van 29 juli 2026
in de zaak van
[naam eiserers] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M.W.F. van Wijk,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 juli 2026 met 3 producties;
- de mondelinge behandeling van 21 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Na de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] is de moeder van de minderjarige [A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] en [B], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], hierna: [A] en [B] .
2.2.
[A] en [B] zijn sinds [datum] onder toezicht gesteld van de GI en uithuisgeplaatst in een gezinsvervangende omgeving.
2.3.
De kinderen verblijven inmiddels in verschillende pleeggezinnen. [eiseres] heeft in de ene week contact met [A] en in de andere week met [B] .

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat wekelijks een contactmoment plaatsvindt met [A] en [B] , al dan niet onder begeleiding, van minimaal twee uren waarbij de vrouw zich flexibel opstelt ten aanzien van de locatie en de aanwezigheid van de begeleiding;
II. te bepalen dat de regeling na een periode van een maand wordt uitgebreid voor de duur van vier uren per kind per week;
III. te bepalen dat de regeling na een periode van een maand wordt uitgebreid voor de duur van zes uren per kind per week in de thuissituatie van de vrouw;
IV. althans een regeling door uw rechtbank in goede justitie te bepalen.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat de kinderrechter in de beschikking van 18 februari 2026 [gedaagde] dringend heeft verzocht om zo snel als mogelijk een duidelijk plan op te stellen over de contactmomenten tussen de moeder en de kinderen, zodat zij elkaar, ondanks de uithuisplaatsing, op (meer) frequente basis kunnen blijven zien. Het contact is op dit moment veel te beperkt waardoor [eiseres] niet in staat is om de band met haar kinderen warm te houden. Ook constateert [eiseres] dat de kinderen haar enorm missen en behoefte hebben aan meer contact. De kinderen missen hun thuissituatie, hun eigen kamer en spullen en de huisdieren. [eiseres] heeft er geen vertrouwen in dat er op korte termijn sprake zal zijn van een uitbreiding van de regeling en dat zij de kinderen op een meer frequentere basis kan zien.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling

4.1.
De voorzieningenrechter zal [eiseres] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot wijziging van de contactregeling, omdat zij niet de juiste rechtsgang heeft gekozen.
4.2.
De voorzieningenrechter dient ambtshalve te beoordelen of hij bevoegd is om op grond van artikel 254 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te oordelen over de aan hem voorgelegde vorderingen. Indien dat het geval is, kan de voorzieningenrechter een inhoudelijk oordeel geven over het aan hem voorgelegde geschil. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de voorzieningenrechter in kort geding fungeert als ‘restrechter’ in alle zaken met een spoedeisend belang. De aanwijzing van een andere bevoegde rechter of van een speciale rechtsgang maakt de voorzieningenrechter in beginsel niet onbevoegd. Eiseres moet echter in haar vordering in kort geding niet-ontvankelijk worden verklaard als er een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang openstaat waarin eiseres een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken [1] .
4.3.
Deze situatie doet zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval voor. Op grond van artikel 1:265f BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder namelijk een zodanige regeling vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt op het moment dat de GI de contacten beperkt. Een dergelijk verzoek kan binnen relatief korte tijd op zitting bij de kinderrechter worden gepland.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Kesteren, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
[-]
[-]
[-]