ECLI:NL:RBOBR:2026:6
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing loonvordering en verduisteringsclaim wegens ontbreken overeenkomst en onvoldoende stelplicht
De rechtbank Oost-Brabant behandelde twee aan elkaar verbonden civiele procedures tussen partijen die betrokken waren bij de exploitatie van een eenmanszaak. De eiser stelde dat er een overeenkomst van opdracht was gesloten en vorderde loonbetaling, terwijl de gedaagde een tegenvordering instelde wegens vermeende verduistering van omzet.
De feiten betroffen een periode waarin de eiser de exploitatie van de onderneming overnam tijdens de vakantie van de gedaagde, met toegang tot het kassasysteem, bankrekening en sleutels. De samenwerking eindigde na beëindiging van overnameonderhandelingen.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was gesteld dat partijen een overeenkomst van opdracht met rechtsgevolgen waren aangegaan. De eiser had onvoldoende concreet gemaakt welke afspraken over werkzaamheden, omvang en loon waren gemaakt. De exploitatie was voor eigen rekening en risico van de eiser, die handelde alsof het zijn eigen onderneming was.
Ook de subsidiaire vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking werd afgewezen, omdat geen verrijking aan de zijde van de gedaagde was vastgesteld. De vordering tot vergoeding van verduisterde omzet werd eveneens afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en stelplicht. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Alle vorderingen worden afgewezen wegens ontbreken van een overeenkomst en onvoldoende stelplicht, met compensatie van proceskosten.