ECLI:NL:RBOBR:2026:64

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
22/1141E
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om maatregelen voor werknemers van Artex in verband met temperatuur en geuroverlast

Deze uitspraak betreft een verzoek van het bedrijf Artex om maatregelen te treffen voor haar werknemers die tijdens warme dagen te maken hebben met hoge temperaturen in de productieruimten. Een voorschrift in de revisievergunning staat het openen van deuren en ramen niet toe, terwijl omwonenden klagen over geuroverlast. De rechtbank heeft partijen aangespoord om in overleg te treden en heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) ingeschakeld om suggesties te doen voor een proef. De rechtbank heeft Artex in een voorlopige voorziening toestemming gegeven om de deuren tijdens warme dagen onder bepaalde voorwaarden te openen. Het beroep van Artex is gegrond verklaard, en het college is opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het verzoek van Artex. De rechtbank heeft in haar beoordeling gewezen op eerdere tussenuitspaken en de noodzaak om de belangen van zowel Artex als de omwonenden in overweging te nemen. De rechtbank concludeert dat er voldoende onderzoek is gedaan naar de geuroverlast en dat het college niet heeft aangetoond dat het openen van de deuren leidt tot overlast. De rechtbank heeft de voorlopige voorziening vastgesteld en het college opgedragen om binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 22/1141E

einduitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. E.T. Sillevis Smitt),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek, het college
(gemachtigden: mr. M. van Dam-Benders, ing. [naam] en [naam]).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:
[naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam] en [naam]uit [woonplaats], (gemachtigde mr. T.I.P. Jeltema)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verzoek van een bedrijf, Artex, om maatregelen te treffen voor haar werknemers. Zij hebben het te warm in productieruimten bij warme dagen, maar een voorschrift in de revisievergunning verbiedt het om deuren en ramen te openen. De omgeving van het bedrijf heeft echter ook geklaagd over geuroverlast. Op aanraden van de rechtbank zijn partijen met elkaar in overleg getreden om tijdens de procedure twee keer te proberen duidelijk te krijgen wat de gevolgen zijn van het openen van de deuren in de productieruimten. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak heeft suggesties gedaan voor de proef en heeft verslag uitgebracht. Er is niet geklaagd over geuroverlast als de deuren tijdens warme dagen openstonden. De rechtbank geeft Artex in een voorlopige voorziening toestemming om de deuren tijdens warme dagen onder voorwaarden te openen en draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het verzoek van Artex. Het beroep van Artex wordt gegrond verklaard.
1.1.
In deze uitspraak legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De rechtbank wijst ook op de eerdere tussenuitspraak van 27 januari 2023 [1] . Na een schets van het procesverloop (onder 2) beschrijft de rechtbank de gebeurtenissen na de tussenuitspraak en geeft zij haar oordeel (vanaf rechtsoverweging 3). Aan het einde legt de rechtbank uit waarom zij niet zelf in de zaak voorziet maar wel een voorlopige voorziening treft.

Procesverloop

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Artex tegen de afwijzing van haar aanvraag om intrekking en/of wijziging van een maatwerkvoorschrift.
2.1.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 22 november 2022 op zitting behandeld. In de tussenuitspraak van 27 januari 2023 [2] (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de Stichting advisering Bestuursrechtspraak (StAB) ingeschakeld en het college in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde gebreken binnen tien weken na de dag waarop het verslag van de StAB wordt uitgebracht te herstellen.
2.2.
Op 21 februari 2023 heeft de StAB een verslag ex artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgebracht. Partijen hebben hierop schriftelijk gereageerd.
2.3.
Op 10 juli 2023 heeft het college een aanvullend verweer ingediend in reactie op de tussenuitspraak. Daarbij heeft het college de motivering van het bestreden besluit aangevuld.
2.4.
Naar aanleiding van deze herstelpoging heeft Artex op 15 augustus 2023 schriftelijk haar zienswijzen naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2024 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep van de derde-partijen gericht tegen de afwijzing van het college van hun verzoek om handhavend op te treden, geregistreerd onder nummer SHE 23/244. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van Artex, de gemachtigde van het college ing. H.L. van Aarle, [naam] en ir. T.F.A.M. Teunissen en de gemachtigde van de derde-partijen. Namens de StAB zijn verschenen ing. K.S. de Croon en ing. CA van Drimmelen.
2.6.
Op de zitting van 30 januari 2024 is besproken of, bij wijze van proef op de som, op warme dagen (> 20 °C) deuren 4 en 4a naar de productieruimtes mogen worden geopend in afwijking van voorschrift 11.1.12 van de op 25 november 2010 aan Artex verleende revisievergunning.
2.7.
Partijen hebben zich vervolgens bereid verklaard om mee te werken aan de proef en hebben onder begeleiding van de daartoe door de rechtbank ingeschakelde StAB randvoorwaarden opgesteld. Deze zijn beoordeeld in een verslag van de StAB van 12 juni 2024. De proef is gehouden onder toezicht van de StAB. De StAB heeft hierover een tweede verslag uitgebracht op 15 november 2024. Partijen hebben hierop gereageerd. In de reacties hebben partijen de bereidheid uitgesproken om in 2025 een tweede proef te organiseren waarbij tegemoet wordt gekomen aan de door de StAB gegeven kritiek op de resultaten van de eerste proef.
2.8.
Partijen hebben samen een begeleidend onderzoeksprotocol opgesteld en hebben over één onderdeel geen overeenstemming bereikt. Daarop heeft de rechtbank het onderzoeksprotocol vastgelegd in een (tweede) tussenuitspraak van 30 april 2025 en het college de gelegenheid gegeven een tweede proef uit te voeren in de periode 1 mei 2025 - 30 september.
2.9.
Na afloop van de proef heeft het college, zoals door de rechtbank verzocht, op 21 oktober 2025 een verslag opgemaakt van de resultaten van de proef. Artex en de derde-partijen hebben gereageerd.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 online op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaak SHE 23/244. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens Artex, de gemachtigde van Artex, vergezeld van [naam], : [naam] en [naam] namens het college en de gemachtigde van de derde-partijen.

Beoordeling

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 27 januari 2023 en die van 30 april 2025. De rechtbank blijft bij al wat zij in beide tussenuitspraken heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
3.1.
In de eerste tussenuitspraak heeft de rechtbank in rechtsoverweging 6.6 geoordeeld dat maatwerkvoorschriften (of vergunningsvoorschriften) ook kunnen worden gewijzigd indien dit niet nodig is voor een verder gaande bescherming van het milieu. Het college beschikt bij het gebruik van deze bevoegdheid over een zekere beoordelingsruimte. Bij het gebruik van deze beoordelingsruimte zal het college moeten bezien of de wijziging van het voorschrift (dan wel de weigering om dit te doen) evenredig is. Bij de beantwoording van deze vraag komen alle belangen aan de orde. Dat zijn dus de belangen van Artex om het voorschrift te wijzigen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden van haar personeel, maar ook de belangen van de omwonenden.
3.2.
In de eerste tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij niet kan beoordelen of de te openen delen in productieruimten waarin de vier spanramen opgesteld zijn, kunnen leiden tot geuremissies. en dat het college onvoldoende heeft betwist dat met open ramen en deuren kan worden voldaan aan de geluidsvoorschriften in de revisievergunning. De rechtbank heeft de StAB ingeschakeld en gevraagd een verslag uit te brengen. Dat verslag moest het college betrekken bij haar herstel van de gebreken die zijn geconstateerd in de eerste tussenuitspraak.
3.3.
In het verslag heeft de StAB aangegeven dat de onderzoeken onvoldoende aantonen dat er geen emissie via de open dakramen kan plaatsvinden als ramen en deuren beide open staan. De StAB acht aannemelijk dat de geurvracht van de diffuse emissie laag is, maar niet uit te sluiten valt dat deze geuremissie leidt tot overlast (ongeacht of de geurnorm hiermee wordt overschreden). De StAB concludeert dat het open staan van deuren en ramen niet leidt tot een toename van de geluidsbelasting op de vergunningspunten.
3.3.1.
Artex heeft in haar reactie op het advies van de StAB aangegeven zich niet te kunnen verenigen met de conclusie dat relevante geuremissies kunnen optreden via de open dakramen, en heeft daarnaast verzocht om alleen de deuren van de productieruimtes open te zetten tijdens warme dagen.
3.4.
In het aanvullend verweer heeft het college overwogen dat het belang van de bescherming van het milieu zich wel degelijk verzet tegen wijziging van het maatwerkvoorschrift omdat niet uitgesloten is dat er emissie van geur plaats kan vinden wat leidt tot overlast voor omgeving en en/of omwonenden via de dakramen. Het onderzoek naar geluidsemissies vindt het college nog steeds onzorgvuldig en niet volledig.
3.5.
In reactie daarop betwist Artex wederom dat sprake kan zijn van emissie van geur via de dakramen en benadrukt zij dat het college heeft verzuimd om haar subsidiaire verzoek te betrekken bij haar herstelpoging.
3.6.
Bij de tweede behandeling van deze zaak op de zitting van 30 januari 2024 heeft de rechtbank partijen de suggestie gedaan om in de zomer van 2024 de proef op de som te nemen om te kijken of Artex kan volstaan met alleen het openen van de deuren tijdens warme dagen en of omwonenden bij het college dan klachten over geuroverlast gaan indienen.
3.7.
Hierna is het volgende (kort samengevat) gebeurd:
  • Partijen zijn in het voorjaar van 2024 in overleg getreden over een opzet van de proef.
  • De StAB heeft aanvullend extra suggesties gedaan.
  • Partijen hebben in de zomer van 2024 de werkwijze beproefd.
  • Artex heeft hierover verslag uitgebracht in het najaar van 2024. Het college heeft een klachtenoverzicht verstrekt.
  • Tijdens de proefperiode zijn op vijftig dagen de deuren opengezet. Er werden op drie dagen waario de deuren open stonden anonieme klachten ontvangen. Er werden ook op drie dagen waarop de deuren niet open stonden anonieme klachten ontvangen.
  • De StAB heeft alle reacties verzameld en partijen in de gelegenheid gesteld op de stukken te reageren. De StAB heeft vervolgens een verslag van de proefperiode uitgebracht op op 15 november 2024. De eerste proefperiode heeft nog geen inzicht gegeven of de eventuele geurklachten ook werkelijk door de openstaande deuren worden veroorzaakt.
  • Partijen hebben verzocht de proef in 2025 te herhalen. Partijen zijn hiertoe in overleg getreden om randvoorwaarden op te stellen en hebben nagenoeg overeenstemming bereikt over het onderzoeksprotocol voor de tweede proef, met uitzondering van één onderdeel. Hierover heeft de rechtbank in de tweede tussenuitspraak aanvullend het college de gelegenheid gegeven om ten behoeve van de einduitspraak een tweede proef uit te voeren in de periode 1 mei 2025 – 30 september 2025 en daartoe de volgende aanwijzing gegeven:
De proef dient te worden uitgevoerd met inachtneming van het onderzoeksprotocol en klachtprotocol dat als bijlage 5 bij de brief van eiseres van 25 april 2025 is gevoegd waarbij onderdeel 1b als volgt wordt aangepast:
Deur 4 en/of deur 4a open tussen 07:00 uur en het einde van de productietijd op dezelfde dag, alleen als de weersvoorspelling van windfinder Beekendonk een temperatuur voorspelt van meer dan 20 graden Celsius (bij te houden door Artex om 6.00, 8.00, 11.00, 14.00, 17.00, en 20.00 uur).
  • Op 21 oktober 2025 heeft het college een verslag uitgebracht met een overzicht van de klachten tijdens de gehouden proef bij het verslag. Daarin zijn de adressen met huisnummers van de klagers geregistreerd, het bevat een registratie van de meteo en een betere duiding van de ervaren overlast. Op 35 dagen zijn de deuren opengezet. Er zijn op deze dagen geen klachten binnengekomen. Er zijn wel vier klachten binnengekomen op dagen dat de deuren niet openstonden. Het college heeft hierbij erkend dat de vier binnengekomen klachten niet goed zijn opgevolgd. Aanvullend is vijf keer onaangekondigd gecontroleerd en geconstateerd dat de deuren van productieruimte 4 en 4a niet open stonden ondanks een buitentemperatuur boven de 20 graden Celsius. Eénmaal heeft de toezichthouder geur (chloor) waargenomen. Het college stelt wel vast dat de vier meldingen tijdens de proefperiode niet zijn te relateren aan het openstaan van de deuren 4 en 4a.
  • In haar reactie hierop merkt Artex op dat het college de inhoud van het rapport van KWA niet heeft betwist, ook niet in het aanvullende verweer van 10 juli 2023. Artex constateert dat de deuren in 2024 en 2025 tijdens de proefperiode veelvuldig hebben opengestaan zonder klachten van omwonenden over geuroverlast. De werknemers van Artex hebben baat gehad bij de open deuren op warme dagen omdat er een koelere luchtstroom de hal binnenkwam.
  • De derde-partijen hebben gereageerd en op de laatste zitting bevestigd dat er geen klachten zijn gedaan gerelateerd aan geuroverlast door emissies via de openstaande deuren. Wel wijzen zij erop dat de klachtafwikkeling door het college te wensen overlaat. Ondanks de inzet van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant is het college er niet in geslaagd ook maar één klacht naar behoren te behandelen. Zij betwijfelen of het verzoek van Artex tot wijziging van het maatwerkvoorschrift kan worden ingediend als het college niet in staat is om te handhaven.
  • Het college heeft op de laatste zitting aangegeven dat de aanvraag om een revisievergunning van Artex in behandeling is en dat op korte termijn een ontwerpbeschikking ter inzage zal worden gelegd. Dan zou een wijziging van een maatwerkvoorschrift niet meer nodig zijn. Het uitblijven van klachten wil volgens het college niet zeggen dat er geen geuroverlast meer is.
4. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat er géén klachten zijn ingediend over geluidoverlast vanwege de openstaande deuren 4 en 4a tijdens warme dagen. Desgevraagd hebben de omwonenden en het college tijdens de tweede zitting aangegeven dat geluid(soverlast) niet in geschil is. Het college heeft in haar aanvullende reactie weliswaar op hoofdlijnen het aanvullend rapport van KWA van 20 juni 2022 betwist maar heeft daarna niet meer gereageerd (laat staan dat het college de door hem gemiste invoergegevens heeft opgevraagd). De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat met open deuren kan worden voldaan aan de geluidsvoorschriften in de revisievergunning. Het college kan het risico op mogelijke geluidsoverlast niet langer aan Artex tegenwerpen bij zijn besluitvorming op het verzoek van Artex.
4.1. De rechtbank is van oordeel dat er inmiddels voldoende onderzoek is verricht naar geuroverlast door emissies via de openstaande deuren 4 en 4a. Gedurende de beide proeven hebben in totaal op 85 dagen deuren opengestaan. Op drie van die dagen zijn klachten binnengekomen. Daarnaast zijn er op zeven dagen waarop er geen deuren openstonden, toch klachten binnengekomen. Gelet op de resultaten van de onderzoeken (waaronder de proef) en het StAB-advies acht de rechtbank niet aannemelijk dat er causaal verband bestaat tussen de openstaande deuren 4 en 4a tijdens warme dagen en geuroverlast. Het college kan het risico op mogelijke geuroverlast dan ook niet langer aan Artex tegenwerpen bij zijn besluitvorming over een maatwerkvoorschrift dat hierop betrekking heeft.
4.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college in zijn aanvullend verweer heeft verzuimd in te gaan op het aanvullend verzoek van Artex om toe te staan dat alleen deuren 4 en 4a tijdens warme dagen mogen worden geopend. Gelet op het evenredigheidsbeginsel had het college moeten bezien of het noodzakelijk was om het verzoek van Artex geheel te weigeren (dus Artex ook te verbieden de deuren te openen) dan wel te volstaan met het weigeren van het verzoek om de dakramen te openen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het aanvullend verzoek van Artex is gedaan voordat het college het aanvullende verweer heeft ingediend.

Conclusie en gevolgen.

5. Uit de eerste tussenuitspraak volgt dat het beroep van Artex gegrond is omdat het onvoldoende is gemotiveerd, zodat het bestreden besluit in aanmerking komt voor vernietiging.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het aanvullend verweer tekort schiet en dat het college niet is geslaagd de gebreken in de eerste tussenuitspraak te herstellen. Het aanvullend verweer geeft geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Anders dan het college lijkt te vermoeden, volgt uit de eerste tussenuitspraak reeds dat het bestreden besluit in aanmerking komt voor vernietiging. Bij de beoordeling of, gelet op het aanvullend verweer, de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten van het vernietigde bestreden besluit betrekt de rechtbank de argumenten, feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van haar einduitspraak.
6. Artex heeft de rechtbank verzocht zelf in de zaak te voorzien en het voorschrift 11.1.12 aan te passen op de door haar voorgestane wijze. Subsidiair verzoekt Artex de rechtbank om in een voorlopige voorziening toestemming te geven om deuren 4 en 4a te openen tijdens warme dagen zoals tijdens de proefperiodes in 2024 en 2025 (dus met inachtneming van het protocol).
6.1.
Derde-partijen hebben aangegeven dat zij hiertegen geen bezwaar hebben maar dat ze het wel vreemd vinden dat op een warme dag de deuren 4 en 4a open mogen blijven tot het einde van de productietijd en niet tot het moment dat het buiten koeler is dan 20 graden Celsius.
6.2.
Het college heeft tijdens de tweede zitting niet aangegeven wat het vindt van het verzoek van Artex. Het college wijst op de lopende revisievergunningsaanvraag. De rechtbank houdt het ervoor dat het college wil vasthouden aan voorschrift 11.1.12 dat luidt als volgt: “
Diffuse emissies en emissies die via de ruimteventilatie vrijkomen moeten zoveel mogelijk worden beperkt door good-housekeeping en preventieve maatregelen. Aanwezige ramen, deuren en luiken in productieruimten dienen tijdens de werktijden gesloten te zijn. Deuren mogen uitsluitend geopend worden voor het doorlaten van personen en goederen.”
6.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en voorschrift 11.1.12 aan te passen. Hiervoor heeft de rechtbank meerdere redenen:
  • In de eerste plaats duurt de procedure al lang. In deze periode is de groep omwonenden die betrokken is bij deze procedure kleiner geworden. Maar de rechtbank kan niet uitsluiten dat er nieuwe bewoners zijn in de omgeving van Artex. Als de rechtbank zelf in de zaak voorziet, kunnen slechts partijen (dus ook de aangegeven groep omwonenden) in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (Afdeling) als zij het hier niet mee eens zijn. De ontvankelijkheid van een hoger beroep van eventuele nieuwkomers is afhankelijk van het oordeel van de Afdeling.
  • Op het verzoek van Artex is het oude recht (zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) van toepassing, gelet op artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. In de eerste tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat voorschrift 11.1.12 van de revisievergunning moet worden beschouwd als een gedragsregel en geldt als maatwerkvoorschrift tot de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet, omdat het college bevoegd was op grond van artikel 2.7a, vierde lid, onder c, van het Activiteitenbesluit milieubeheer om maatwerkvoorschriften te stellen zonder dat sprake was van een overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau. Het maatwerkvoorschrift is op grond van artikel 8.1.5, vijfde lid onder a, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet aan te merken als maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet. Maar het college zal ook moeten gaan beslissen op de aanvraag voor een nieuwe revisievergunning met inachtneming van artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het lot van het maatwerkvoorschrift is dan onduidelijk, gelet op artikel 8.1.5 vijfde lid onder b, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet.
  • Artex merkt terecht op dat haar verzoek om aanpassing van het maatwerkvoorschrift los moet worden gezien van de besluitvorming op de aanvraag revisievergunning, hetgeen niet wegneemt dat in de revisievergunning gedragsvoorschriften kunnen worden gesteld in afwijking van een maatwerkvoorschrift dat de rechtbank zou opnemen in de uitspraak.
6.4.
Gelet hierop volstaat de rechtbank met de opdracht aan het college om een nieuw besluit te nemen op het verzoek van Artex binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de volgende voorlopige voorziening te treffen:
  • Deuren 4 en 4a mogen in afwijking van voorschrift 11.1.12 worden geopend indien dit noodzakelijk is voor het binnenklimaat in het bedrijf van Artex op een bepaalde dag. Dit is uitsluitend het geval als de weersvoorspelling van windfinder Berkendonk voor de betreffende dag een temperatuur voorspelt van meer dan 20°C (bij te houden door Artex om 6.00, 8.00, 11.00, 14.00, 17.00 en 20.00 uur).
  • Deur 4 en/of deur 4a mag alleen open ten behoeve van het binnenklimaat in het bedrijf van Artex tussen 07.00 uur van de betreffende dag en het einde van de productietijd op die dag dan wel het moment waarop buiten een temperatuur wordt gemeten van minder dan 20°C.
  • Deur 4 en/of deur 4a mag alleen open ten behoeve van het binnenklimaat in het bedrijf van Artex met inachtneming van het protocol van Artex d.d. 5 november 2025 (productie 23 bij de brief van Artex van 7 november 2025).
6.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van de dakramen of de overige deuren in het bedrijf van Artex. Hierop is voorschrift 11.1.12 onverkort van toepassing. Poort 5 (die opent op een ruimte die in open verbinding staat met de productieruimte en daartoe wordt gerekend) heeft inmiddels een automatische roldeur met sensoren om onnodig openstaan tegen te gaan en mag alleen worden geopend voor het doorlaten van personen en goederen. De rechtbank is in de uitspraak van heden in de zaak SHE 23/244 van oordeel dat het college terecht heeft gesteld dat het openen en sluiten van poort 5 voor het doorlaten van personen en goederen geen overtreding van voorschrift 11.1.12 oplevert zolang de getroffen voorzieningen blijven gehandhaafd. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor poort 5 voorschrift 11.1.12 te wijzigen.
6.6.
De voorlopige voorziening betekent dus dat Artex voorlopig kan handelen als ware voorschrift 11.1.12 gewijzigd, dat wil zeggen, aangevuld met de voorwaarden van de voorlopige voorziening. De rechtbank zal voor de duidelijkheid bepalen dat de voorlopige voorziening in zoverre gelijk wordt gesteld met de wijziging van voorschrift 11.1.12. Als Artex handelt met inachtneming van de voorwaarden van de voorlopige voorziening, handelt zij formeel in strijd met voorschrift 11.1.12, maar biedt de voorlopige voorziening hiervoor een rechtvaardigingsgrond en is handhavend optreden niet evenredig. Als Artex handelt in strijd met de voorwaarden, gaat dit niet op en kan het college handhavend optreden wegens overtreding van voorschrift 11.1.12.
6.7.
De rechtbank bepaalt dat de voorlopige voorziening vervalt als het college een besluit heeft genomen op het verzoek van Artex of als het college een besluit heeft genomen op de aanvraag van Artex om een revisievergunning. De rechtbank gaat er in beide gevallen vanuit dat het college dan een toereikend voorschrift heeft gesteld over het openen van de deuren 4 en 4a. Mocht één van de partijen het dan niet eens zijn met dat voorschrift, kunnen zij - en ook eventueel nieuwe omwonenden - hiertegen een nieuw beroep instellen waarmee voldoende rechtsbescherming wordt geboden.
6.8.
Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet het college de door Artex betaalde griffierechten vergoeden. Artex krijgt ook een vergoeding van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 5.137 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 3 punten voor het verschijnen op de zittingen, 1 punt voor het indienen van twee reacties op adviezen van de StAB en 0,5 punt voor het indienen van een reactie op het aanvullend verweer van het college met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1). Het verzoek om vergoeding van de reiskosten van de gemachtigde van Artex wordt afgewezen omdat de reiskosten zijn inbegrepen in de forfaitaire vergoeding van proceskosten. Artex maakt verder aanspraak op vergoeding van deskundigenkosten van drie uur à € 162,63 per uur voor de nadere verklaring van de deskundige van Olfasense, van 28 oktober 2022 (productie 18 bij haar beroepschrift). De rechtbank acht dit redelijk en zal een bedrag van € 487,89 hiervoor toekennen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het verzoek van Artex van 3 juli 2018 inclusief de laatste wijziging van 7 november 2025, met inachtneming van deze uitspraak binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak;
  • verleent Artex bij wijze van voorlopige voorziening toestemming om deuren 4 en/of 4a in afwijking van voorschrift 11.1.12 van de revisievergunning van 25 november 2010 ook te openen onder de volgende voorwaarden:
o De deuren mogen (in afwijking van voorschrift 11.1.12 van de revisievergunning) ook worden geopend indien dit noodzakelijk is voor het binnenklimaat in het bedrijf van Artex op een bepaalde dag. Dit is uitsluitend het geval als de weersvoorspelling van windfinder Berkendonk voor de betreffende dag een temperatuur voorspelt van meer dan 20°C (bij te houden door Artex om 6.00, 8.00, 11.00, 14.00, 17.00 en 20.00 uur).
o Deur 4 en/of deur 4a mag alleen open ten behoeve van het binnenklimaat in het bedrijf van Artex tussen 07.00 uur van de betreffende dag en het einde van de productietijd op die dag dan wel het moment waarop buiten een temperatuur wordt gemeten van minder dan 20°C.
o Deur 4 en/of deur 4a mag alleen open ten behoeve van het binnenklimaat in het bedrijf van Artex met inachtneming van het protocol van Artex d.d. 5 november 2025 (productie 23 bij de brief van Artex van 7 november 2025).
  • bepaalt dat de voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met de wijziging van voorschrift 11.1.12;
  • bepaalt dat de voorlopige voorziening vervalt als het college een besluit heeft genomen op het verzoek van Artex of als het college een besluit heeft genomen op de aanvraag van Artex om een revisievergunning;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 350,00 aan Artex moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 5.624,89 aan proceskosten aan Artex.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. J.J.H. van Kempen, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak of de tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.