ECLI:NL:RBOBR:2026:647

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
01/197169-24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel door gevaarlijk rijgedrag en rijden onder invloed

Op 30 januari 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij een verkeersongeval op 18 augustus 2023 te Heeswijk-Dinther. De verdachte, een beginnend bestuurder, heeft een fietsster aangereden terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich roekeloos heeft gedragen door onvoldoende oplettend te zijn en niet tijdig te remmen, wat resulteerde in zwaar lichamelijk letsel voor het slachtoffer, waaronder wervel- en ribfracturen en een klaplong. De officier van justitie had een taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging geëist, maar de rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, omdat er onvoldoende bewijs was voor schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Wel zijn de feiten 1 subsidiair en 2 bewezen verklaard. De rechtbank heeft een geldboete van 500 euro opgelegd voor het gevaarlijk rijgedrag en 300 euro voor het rijden onder invloed, met een voorwaardelijke rijontzegging van drie maanden. De rechtbank heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn blijk van berouw en het feit dat hij geen eerdere strafbare feiten heeft gepleegd.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.197169.24
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2001] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 december 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 18 augustus 2023 te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Kanaaldijk Noord, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden na gebruik van en/of onder invloed van alcoholhoudende drank en/of onvoldoende oplettend op het overige verkeer op die weg te rijden en/of tegen een zich voor hem rijdende/bevindende fietsster aan te rijden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse wervel- en ribfracturen en/of een klaplong, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
t.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 18 augustus 2023 te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Kanaaldijk Noord, onvoldoende oplettend op het overige verkeer op die weg heeft gereden en/of tegen een zich voor hem rijdende/bevindende fietsster is aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
t.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 18 augustus 2023 te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 200 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van
de vervolging.
De bewijsvraag.
Inleidende vaststellingen.
Aan de orde is een verkeersongeval dat op 18 augustus 2023, omstreeks 14:40 uur, op de Kanaaldijk Noord te Heeswijk-Dinther heeft plaatsgevonden waarbij het fietsende slachtoffer van achteren werd aangereden door een door verdachte bestuurde personenauto. Het slachtoffer, de destijds 77-jarige [slachtoffer] , heeft door het ongeval wervel- en ribfracturen en een klaplong opgelopen. Verdachte, een beginnend bestuurder, bleek ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol te verkeren. De bij hem afgenomen ademanalyse gaf als resultaat ruim twee keer de toegestane hoeveelheid van 88 microgram ug/l aan, te weten 200 microgram ug/l.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft tot bewezenverklaringen van feit 1 primair en feit 2 gerekwireerd. In de visie van de officier van justitie is het door verdachte veroorzaakte verkeersongeval te wijten aan aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag van verdachte. Hij heeft het slachtoffer niet gezien en hij verkeerde ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol. Het door het slachtoffer opgelopen letsel kan volgens de officier van justitie als zwaar lichamelijk letsel gekwalificeerd worden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft op gronden als verwoord in zijn pleitnota vrijspraak van feit 1 primair bepleit, omdat - kort gezegd - op basis van het voorliggende dossier geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) kan worden bewezen. De raadsman heeft zich voor wat betreft feit 1 subsidiair en feit 2 aan het bewijstechnische oordeel van de rechtbank gerefereerd.
Het oordeel van de rechtbank.
het beoordelingskader
De vraag die de rechtbank in deze zaak (feit 1) moet beantwoorden, is of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat door zijn schuld een ongeval heeft plaatsgevonden waardoor
een ander zwaar lichamelijk werd toegebracht.
Voor schuld in de zin van artikel 6 van de WVW is (minimaal) een min of meer grove of aanmerkelijke mate van schuld vereist. Deze vorm van schuld wordt wel aangeduid als (aanmerkelijke) onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of onoplettendheid. Deze onvoorzichtigheid moet bovendien verwijtbaar zijn. Het gaat bij ‘schuld’ in deze zin dus in de kern om een ‘aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid’. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is voldoende voor het aannemen van schuld. Het gaat om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt, dan wel of het rijgedrag aanmerkelijk onder de maat is gebleven van wat van een bestuurder van een motorvoertuig kan worden geëist in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
Niet reeds uit de ernst van de
gevolgenvan verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Of sprake is van een dergelijke mate van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij is de weging en selectie van het beschikbare bewijsmateriaal voorbehouden aan de feitenrechter.
aanvullende feiten en omstandigheden
In aanvulling op de inleidende vaststellingen acht de rechtbank de volgende feiten
en omstandigheden voor de beoordeling van het verkeersongeval van belang.
De plaats van ongeval betreft een parallelweg van de N279. De Kanaaldijk Noord is een rechte smalle weg bestaande uit één rijbaan bestemd voor bestemmings- en landbouwverkeer en fietsers in tegengestelde richting. De ter plaatse geldende maximumsnelheid bedraagt 60 km per uur. Ten tijde van het ongeval was het zonnig weer en het zicht was goed.
verklaring verdachte
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in de kern een gelijkluidende verklaring afgelegd, als volgt.
Hij had een verkeerde afslag genomen en is vervolgens op de parallelweg gaan rijden. Het was rustig op de weg en hij zag in de verte een man aan de rechterkant van de weg fietsen. Er waren geen tegenliggers. Hij haalde deze fietser met een normale, gepaste snelheid in en stuurde na de inhaalmanoeuvre naar rechts. Op dat moment zag hij dat er voor de door hem ingehaalde fietser nog een fietsster reed. Hij probeerde te remmen, maar kon een aanrijding niet voorkomen. Zijn voertuig raakte de fietsster van achteren. Hij had deze fietsster niet eerder opgemerkt.
Verdachte heeft een beschrijving van de door hem ingehaalde eerste (mannelijke) fietser gegeven. De rechtbank ziet in de aanvullende stukken een bevestiging van de aanwezigheid ter plaatse van deze man kort na het ongeval. De rechtbank ziet verder in het verhandelde ter terechtzitting geen aanleiding om aan de verklaring van verdachte over de kort voor het ongeval uitgevoerde inhaalmanoeuvre te twijfelen.
Uit de verklaring van verdachte volgt verder dat hij in de voorafgaande avond/nacht
een aanzienlijke hoeveelheid alcohol had gedronken.
gebrekkig onderzoek.
De rechtbank is, zoals de raadsman heeft gesteld, van oordeel dat het een gemiste kans is dat de eerste fietser niet is gehoord over de feitelijke toedracht. Zo had hij duidelijkheid kunnen verschaffen over het algehele rijgedrag van verdachte, alsmede zijn eigen positie en afstand ten opzichte van de voor hem fietsende vrouw (slachtoffer). Met deze informatie had de rechtbank de verklaring van verdachte over de wijze waarop de inhaalmanoeuvre plaatsvond en het niet eerder opmerken van de aanwezigheid van de tweede fietsster (slachtoffer) kunnen toetsen en waarderen. Nu deze elementen evenmin in het forensisch onderzoek zijn betrokken, blijft een aantal voor de beoordeling van de mate van schuld cruciale omstandigheden ongewis.
alcoholpromillage
Naar het oordeel van de rechtbank is de overschrijding van het toegestane alcoholpromillage dusdanig, dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat deze overschrijding een zodanige negatieve invloed op het rijgedrag heeft gehad dat deze een bijdrage heeft geleverd aan het veroorzaken van het verkeersongeval. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden geen aanknopingspunten voor het tegendeel.
conclusie
De rechtbank komt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting tot de enkele vaststelling dat sprake is geweest van een bepaalde mate van onoplettendheid bij verdachte ten tijde van het ongeval. De rechtbank is niet in staat om hieraan een verdere invulling te geven. Niet is gebleken van onverantwoord rijgedrag anderszins voor of tijdens het ongeval. Bij deze stand van zaken kan niet worden bewezen dat er sprake is geweest van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Dit betekent dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van feit 1 primair. Het behoeft geen verdere uitleg dat feit 1 subsidiair en feit 2 wel worden bewezen, zoals hierna uitgeschreven.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:
t.a.v. feit 1 subsidiair:
op 18 augustus 2023 te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Kanaaldijk Noord, onvoldoende oplettend op het overige verkeer op die weg heeft gereden en tegen een zich voor hem rijdende fietsster is aangereden, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;
t.a.v. feit 2:
op 18 augustus 2023 te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 200 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen nader worden uitgewerkt in
een aanvulling op dit verkort vonnis als daartegen hoger beroep wordt ingesteld
(artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.(bijlage)
De officier van justitie heeft, uitgaande van een bewezenverklaring van feit 1 primair en
feit 2, een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis en een voorwaardelijke rijontzegging van 18 maanden met een proeftijd van een jaar gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft een matiging van de strafeis bepleit.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn draagkracht.
ernst van de feiten
Verdachte heeft door onoplettendheid een verkeersongeval veroorzaakt. Na het uitvoeren van een inhaalmanoeuvre van een eerste fietser heeft hij bij het naar rechts terugsturen het daarvoor fietsende slachtoffer te laat gezien en haar met zijn voertuig van achteren geraakt.
Het slachtoffer heeft door het ongeval wervel- en ribfracturen en een klaplong opgelopen. Het lichamelijke letsel heeft haar leven drastisch veranderd: van kwiek en mobiel naar afhankelijk en zorgbehoevend.
Verdachte had ten tijde van het ongeval bovendien een te hoog alcoholpromillage. Hoewel dit in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank niet lijkt te hebben bijgedragen aan het veroorzaken van het ongeval, is het een feit van algemene bekendheid dat alcohol het rijgedrag negatief beïnvloedt en daarmee de verkeersveiligheid in gevaar brengt.
De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
strafblad en persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft gezien dat verdachte nooit eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte geen problemen op leefgebieden kent. Hij woont bij zijn ouders en heeft een vaste baan en voldoende inkomen.
Daarnaast werkt hij in het café van familie.
matigende omstandigheden
Verdachte heeft de door hem gepleegde strafbare feiten van aanvang af volmondig toegegeven en ten volle zijn verantwoordelijkheid genomen, zo ook ter terechtzitting.
De door hem gepleegde strafbare feiten moeten gelet op de persoon van verdachte
gezien worden als een eenmalige misstap. Verdachte heeft er ook blijk van gegeven
dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed inziet en hij heeft
in de ogen van de rechtbank ook oprecht berouw getoond. Verder heeft hij direct na het ongeval, maar ook daarna naar het welzijn van het slachtoffer geïnformeerd en vervolgens contact met haar gezocht. Dit heeft tot een ontmoeting geleid die het slachtoffer en verdachte beiden als positief hebben ervaren. Ook mag niet onvermeld blijven dat sinds het
tijdstip waarop de door hem gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad circa 2,5 jaar
is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Tot slot stelt de rechtbank vast de redelijke termijn met
circa 5,5 maanden is overschreden. De rechtbank zal deze overschrijding in de strafoplegging verdisconteren zoals hieronder vermeld.
de straffen
Er zijn geen oriëntatiepunten voor gevaarlijk rijgedrag ex artikel 5 WVW voorhanden,
maar in vergelijkbare zaken wordt deze overtreding in zijn algemeenheid met een geldboete al dan niet gecombineerd met een rijontzegging afgedaan. Er bestaan wel oriëntatiepunten
voor het rijden onder invloed. Hiervoor geldt als uitgangspunt dat een beginnend bestuurder met een promillage van 200 ug/l met een geldboete van 390 euro wordt bestraft.
De rechtbank acht voor het bewezenverklaarde gevaarlijke rijgedrag (feit 1 subsidiair) een geldboete van 500 euro en een voorwaardelijke rijontzegging van drie maanden met een proeftijd van een jaar passend en geboden. De voorwaardelijke straf moet verdachte ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank acht voor het rijden onder invloed (feit 2) een geldboete van 390 euro op zijn plaats. De hoogte van deze geldboete wordt echter vanwege de overschrijding van de redelijke termijn verlaagd naar 300 euro.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank anders dan de officier van justitie feit 1 primair niet bewezen acht en verdachte daarvan zal vrijspreken en de rechtbank verder van oordeel is dat de straffen die de rechtbank zal opleggen de aard en ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de overtreding respectievelijk het misdrijf
t.a.v. feit 1 subsidiair:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
t.a.v. feit 2:
overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994
(200 µg/l)
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

t.a.v. feit 1 subsidiair:
-
een geldboeteter hoogte van 500,00 euro subsidiair 5 dagen hechtenis;
-
een ontzeggingvan de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van
3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Voorwaarde is, dat de veroordeelde
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
t.a.v. feit 2:
een geldboeteter hoogte van 300,00 euro subsidiair 3 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.F.A.M. de Graauw, voorzitter,
mr. J.G. Vos en mr. R. Grimbergen, leden,
in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,
en is uitgesproken op 30 januari 2026.