ECLI:NL:RBOBR:2026:65

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
23/244
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van een handhavingsverzoek met betrekking tot een omgevingsvergunning voor milieu

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant op 12 januari 2026, wordt het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun handhavingsverzoek tegen Artex beoordeeld. Eisers hebben verzocht om handhaving van voorschrift 11.1.12 van de omgevingsvergunning milieu, omdat zij stellen dat Artex dit voorschrift heeft overtreden. De rechtbank concludeert dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek in het bestreden besluit voldoende heeft onderbouwd dat Artex voorschrift 11.1.12 niet heeft overtreden. De rechtbank legt uit dat de eisers in hun handhavingsverzoek hebben aangevoerd dat er geuroverlast is en dat de openstaande deuren en ramen in de productieruimten in strijd zijn met het voorschrift. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden rondom de vergunning en de handhaving in detail onderzocht, inclusief eerdere besluiten en controles door het college. De rechtbank oordeelt dat het college voldoende heeft gecontroleerd en dat er geen overtredingen zijn vastgesteld. Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard, en zij krijgen geen griffierecht terug omdat hun beroep niet slaagt. De rechtbank benadrukt dat het college moet blijven toezien op de naleving van de regelgeving.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/244

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[eisers],uit [woonplaats],
(gemachtigde mr. T.I.P. Jeltema)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek

(gemachtigden: [naam] en [naam]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam]., uit [vestigingsplaats] ([naam])

(gemachtigde: mr. E.T. Sillevis Smitt).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van het college van hun verzoek om handhaving op een maatwerkvoorschrift van de omgevingsvergunning die aan Artex is verleend voor de activiteit “milieu”. De rechtbank concludeert dat in het bestreden besluit voldoende is onderbouwd dat Artex voorschrift 11.1.12 niet heeft overtreden en dat daarom het handhavingsverzoek van eisers terecht is afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 3 augustus 2021 hebben eisers een handhavingsverzoek bij het college ingediend. Daarin verzoeken zij het college om over te gaan tot handhaving van het voorschrift 11.1.12 van de revisievergunning.
2.1.
Het college heeft het handhavingsverzoek afgewezen met het besluit van 11 oktober 2021 (het afwijzingsbesluit). Met het bestreden besluit van 15 november 2022 op het bezwaar van eisers is het college bij die afwijzing gebleven.
2.2.
Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2024 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep van Artex gericht tegen de afwijzing van het verzoek om intrekking en/of wijziging van het voorschrift 11.1.12 van de revisievergunning. Dit beroep is geregistreerd onder nummer SHE 22/1141. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college vergezeld van ing. H.L. van Aarle en ir. T.F.A.M. Teunissen en de gemachtigde van Artex. Namens de door de rechtbank ingeschakelde Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) zijn verschenen ing. K.S. de Croon en ing. C.A. van Drimmelen. Op de zitting van 30 januari 2024 is besproken of, bij wijze van proef op de som, op warme dagen (> 20 °C) deuren 4 en 4a naar de productieruimtes mogen worden geopend in afwijking van voorschrift 11.1.12 van de revisievergunning.
2.5.
Partijen hebben zich vervolgens bereid verklaard om mee te werken aan de proef en hebben onder begeleiding van de StAB randvoorwaarden opgesteld. Deze zijn beoordeeld in een verslag van de StAB van 12 juni 2024. De proef is gehouden onder toezicht van de StAB. De StAB heeft hierover een verslag uitgebracht op 15 november 2024. Partijen hebben hierop gereageerd. In de reacties hebben partijen de bereidheid uitgesproken om in 2025 een tweede proef te organiseren waarbij tegemoet wordt gekomen aan de door de StAB gegeven kritiek op de resultaten van de eerste proef.
2.6.
Partijen hebben samen een begeleidend onderzoeksprotocol opgesteld en hebben over één onderdeel geen overeenstemming bereikt. Daarop heeft de rechtbank het onderzoeksprotocol vastgelegd in een (tweede) tussenuitspraak van 30 april 2025 en het college de gelegenheid gegeven een tweede proef uit te voeren in de periode 1 mei 2025 - 30 september.
2.7.
Na afloop van de proef heeft het college, zoals door de rechtbank verzocht, op 21 oktober 2025 een verslag opgemaakt van de resultaten van de proef. Artex en eisers hebben gereageerd.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 online op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaak SHE 22/1141. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van Artex, [naam] namens Artex, vergezeld van [naam].

Beoordeling

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
 Artex exploiteert sinds 1947 een woningtextielbedrijf (de inrichting) aan de Bosscheweg 79 te Aarle-Rixtel. Binnen de inrichting worden met name gordijn- en meubelstoffen en alternatieve raambekleding vervaardigd. Voor het weven, voorbehandelen, verven en bedrukken, drogen, impregneren, coaten en fixeren van textiel in de inrichting heeft het college aan Artex op 25 november 2010 een revisievergunning (de revisievergunning) verleend. De geurvoorschriften 11.4.1 en 11.4.2 van de revisievergunning schrijven een maximale geurimmissie van respectievelijk 98 en 99,99 percentiel voor. Verder is hierin het voorschrift 11.1.12 opgenomen dat luidt als volgt:
“Diffuse emissies en emissies die via de ruimteventilatie vrijkomen moeten zoveel mogelijk worden beperkt door good-housekeeping en preventieve maatregelen. Aanwezige ramen, deuren en luiken in productieruimten dienen tijdens de werktijden gesloten te zijn. Deuren mogen uitsluitend geopend worden voor het doorlaten van personen en goederen.”
 Op 7 april 2017 is een omgevingsvergunning voor een milieuneutrale wijziging verleend, die betrekking heeft op het bijplaatsen van een breed spanraam in de productieruimte waar de spanramen zijn opgesteld. Een deel van de productie is toen verplaatst naar dit nieuwe spanraam.
 De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (de Omgevingsdienst) heeft in opdracht van het college beoordeeld of (en zo ja hoeveel) geuremissies optreden vanwege de open ramen en deuren bij de productieruimte waar de spanramen staan. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het rapport “Inspectie van de geuremissies, Artex B.v., Bosscheweg 79 te Aarle-Rixtel”, van 14 juni 2017.
 In de zomer van 2018 heeft de Omgevingsdienst geconstateerd dat er in de inrichting ramen en luiken open stonden. Vervolgens heeft het college in maart 2019 een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van voorschrift 11.1.12.
 Op 3 juli 2018 heeft Artex bij het college een aanvraag ingediend voor het schrappen van voorschrift 11.1.12, dan wel voor het aanvullen van het voorschrift, waardoor er op warme dagen een uitzondering mogelijk is op het gesloten moeten houden van aanwezige ramen, deuren en luiken in productieruimten tijdens de werktijden. Dit verzoek is in latere brieven nader onderbouwd met een geurrapport van 14 juni 2017 en nadere rapporten waarbij is gereageerd op het controlerapport van de Omgevingsdienst.
 Op 28 augustus 2018 heeft het college een geluidrapport van KWA toegezonden.
 Eisers wonen in de directe omgeving van de inrichting op afstanden variërend tussen de 200 en 1.000 meter en stellen dat zij geuroverlast hebben van het bedrijf van Artex.
 In zijn besluit van 6 april 2022 heeft het college het verzoek van Artex voor het wijzigen of schrappen van maatwerkvoorschriften die zijn opgenomen in de revisievergunning (revisie) van 25 november 2010 afgewezen, omdat volgens het college - kort gezegd - het openen van deuren, ramen en luiken in productieruimtes niet in het belang van de bescherming van het milieu is.
 Hiertegen heeft Artex beroep bij deze rechtbank ingesteld. In haar tussenuitspraak van 27 januari 2023 heeft de rechtbank de StAB ingeschakeld en het college de gelegenheid geboden om een aantal gebreken van het besluit van 6 april 2022 te herstellen.
 Op 21 februari 2023 heeft de StAB een verslag ex artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgebracht. De StAB heeft in het verslag - samengevat - het geconstateerd dat op grond van milieukundig verantwoord management en good housekeeping in beginsel de deuren en ramen gesloten moeten zijn. De StAB is van mening dat de onderzoeken onvoldoende aantonen dat er geen emissie via de open dakramen plaatsvindt. Als ramen en deuren beiden open staan, is het aannemelijk dat er een natuurlijke trek naar boven ontstaat, waardoor lucht vanuit de productieruimte naar buiten zal treden. De werkwijze maakt dat het aannemelijk is dat de geurvracht van de diffuse emissie laag is, maar niet uit te sluiten valt dat deze geuremissie leidt tot overlast (ongeacht of de geurnorm hiermee wordt overschreden). Met betrekking tot geluid concludeert de StAB dat het open staan van deuren en ramen niet leidt tot een toename van de geluidsbelasting op de vergunningpunten.
 Op 3 augustus 2021 hebben eisers een handhavingsverzoek bij het college ingediend. Daarin verzoeken zij het college om over te gaan tot handhaving van het voorschrift 11.1.12 van de revisievergunning. Eisers wijzen er in hun handhavingsverzoek op dat zij vrijwel continu last hebben van stank. Voorschrift 11.1.12 beoogt stankoverlast (onder meer) te voorkomen. Bij het handhavingsverzoek en ook in bezwaar hebben eisers een groot aantal foto's overlegd die zijn gemaakt op verschillende dagen. Daarop is volgens eisers te zien dat dat (rol)deuren en productieruimten openstaan.
 In zijn brief, verzonden 16 september 2021, heeft het college eisers ervan op de hoogte gesteld dat het voornemens is het verzoek af te wijzen en eisers in de gelegenheid gesteld om op het voornemen te reageren. In hun brief van 29 september 2021 hebben eisers gereageerd.
 Vervolgens heeft het college het afwijzingsbesluit genomen. Daarin stelt het college zich op het standpunt dat het voorschrift 11.1.12 niet wordt overtreden, en dat de in het fotomateriaal getoonde ramen, deuren en/of luiken zich niet in de in het voorschrift bedoelde productieruimten bevinden.
 Vanaf februari 2021 heeft het college tien - zowel aangekondigde als drie onaangekondigde - controles uitgevoerd, waarvan rapporten zijn opgemaakt. De twee laatste controles dateren van 18 februari 2022 en 5 oktober 2022. Volgens het college is daarbij geen overtreding van voorschrift 11.1.12 geconstateerd.
Geen productieruimten
4. Eisers hebben in eerste instantie aangevoerd dat het college er ten onrechte vanuit gaat dat een aantal ruimten waaronder de ruimten “crushhal” en ‘”opmaak verhard“ en de verfkeuken geen productieruimten zijn in de zin van het voorschrift 11.1.12.
4.1.
Tijdens de tweede zitting hebben eisers aangegeven dat, wat hen betreft geen verschil van mening meer bestaat over de aanduiding van de productieruimten. Dit zijn de blauw omkaderde ruimten als aangegeven op de inrichtingstekening die Artex heeft vermeld in haar brief van 7 november 2025. De ruimten “crushhal” en “opmaak verhard” en de verfkeuken liggen niet binnen dit blauwe kader. De StAB heeft hetzelfde aangegeven en de rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.
5. Eisers hebben kritiek op de controles die het college voor en na het bestreden besluit hebben uitgevoerd. Het college komt vaak te laat na een klacht controleren. Desondanks is bij sommige controles een chemische lucht aangetroffen. Gelet op de vele klachten van eisers voor het bestreden besluit had het op de weg van het college gelegen om regelmatig zowel aangekondigd als onaangekondigd te controleren. Zij leggen een aantal foto’s van open deuren over.
6. Het college stelt dat veelvuldig is gecontroleerd
.Bij elke controle, aan- of onaangekondigd wordt gecontroleerd op het maatwerkvoorschrift, het luchtbehandelingssysteem en de daarbij behorende logboeken. Enkel geconstateerde overtredingen (geur) worden in controlerapporten opgenomen. Tijdens de controle van 28 mei 2021, bleek dat deur 5 geopend was. In het primaire besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat dit géén overtreding was en het verzoek van eisers afgewezen. In het bestreden besluit heeft het college bevestigd dat door de open verbinding met een productieruimte de ruimte achter poort 5 ook behoort tot de in maatwerkvoorschrift 11.12.1 benoemde productieruimten. Vervolgens verwijst het college naar het advies van de Omgevingsdienst (de controle van 5 oktober 2022). Hierin staat dat deur 5 inmiddels een automatische roldeur heeft met sensoren om het openstaan tegen te gaan.
6.1.
Het ligt op de weg van het bestuursorgaan om, afhankelijk van het klachtenpatroon, gedegen te onderzoeken of de door klagers gestelde overlast of hinder voorkomt en zo ja, te meten wat onder die omstandigheden de geluidsbelasting is. Daartoe kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn dat bij serieuze klachten in beginsel onverwijld toezichthouders naar de desbetreffende plaats worden gezonden.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat het college geurcontroles heeft laten verrichten door een toezichthouder van de Omgevingsdienst op meerdere momenten in 2021. Tijdens de controle van 28 mei 2021 is een overtreding van het voorschrift geconstateerd, omdat deur 5 geopend was. In het primaire besluit heeft het college dit niet onderkend. In het bestreden besluit verwijst het college naar het advies van de commissie bezwaarschriften. Tijdens de controle van 5 oktober 2022 is vastgesteld dat Artex daar inmiddels een automatische roldeur met sensoren heeft geplaatst om geurhinder tegen te gaan. De rechtbank begrijpt het college aldus dat, zolang de voorziening bij de roldeur 5 aanwezig is, deze roldeur alleen maar kan worden gebruikt om personen en goederen door te laten. Dat is toegelaten en levert geen overtreding op van voorschrift 11.1.12. Weliswaar is het bestreden besluit op dit punt niet erg duidelijk geformuleerd, maar het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er hierin geen aanleiding is om tot handhavend optreden over te gaan. De rechtbank stelt verder vast dat er geen verdere overtredingen van het voorschrift zijn geconstateerd.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond.
7.1.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eisers terecht hebben opgemerkt dat het college tijdens de proef op de som in 2024 en 2025 niet in staat is geweest om tijdig naar aanleiding van ingediende klachten ter plaatse te controleren. Het college erkent dit ook. Het college heeft geprobeerd dit op te vangen door onaangekondigde controles te houden. De rechtbank vertrouwt erop dat het college blijft controleren op de naleving van de geldende regelgeving en voorschriften en de voorwaarden van de in de andere uitspraak op het beroep van Artex met registratienummer SHE 21/2144 getroffen voorlopige voorziening.
7.2.
Eisers krijgen het griffierecht niet terug omdat hun beroep ongegrond is. Omdat in het bestreden besluit het onjuiste primaire besluit niet wordt herroepen en omdat de beroepsgronden tegen het bestreden besluit niet slagen, krijgen zij ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. J.J.H. van Kempen, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.