ECLI:NL:RBOBR:2026:663

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
02.004770.24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige ontuchtige handelingen met minderjarige

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor het meermalen plegen van ontuchtige handelingen, waaronder seksueel binnendringen, met een minderjarige die tussen de twaalf en zestien jaar oud was. De feiten vonden plaats tussen juni 2019 en november 2019 in Middelburg en/of Goes. Verdachte heeft de feiten bekend en is wettig en overtuigend bewezen verklaard.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, waaronder het feit dat het slachtoffer jong en kwetsbaar was, en dat verdachte leed aan een geslachtsziekte ten tijde van de feiten. Ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals zijn kwetsbare achtergrond, mantelzorgtaken en het volgen van behandeling, zijn meegewogen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en ambulante behandeling.

De vordering van de benadeelde partij tot materiële schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende voorbereidingstijd voor de verdediging, maar de immateriële schadevergoeding van €12.000 werd toegewezen met wettelijke rente. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling. De straf en maatregelen zijn gericht op het voorkomen van recidive en het bieden van begeleiding aan verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en moet €12.000 immateriële schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 02.004770.24
Datum uitspraak: 02 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1987] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 december 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 1 september 2020 te Middelburg en/of Goes, met [slachtoffer] , geboren op [2005] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de mond en/of anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;
T.a.v. feit 2:
hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 1 september 2020 te Middelburg en/of Goes, met [slachtoffer] , geboren op [2005] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte de penis van die [slachtoffer] in zijn mond genomen en/of die [slachtoffer] zijn penis in de anus van verdachte laten duwen/brengen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank. [1]
Evenals de officier van justitie acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Omdat verdachte de feiten heeft bekend en zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank ziet gelet op de bewijsmiddelen aanleiding de pleegperiode aanzienlijk in te korten tot 1 november 2019. Voor het overige gedeelte van de pleegperiode zal verdachte partieel worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
- Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 17 augustus 2023, dossierpagina’s 10-35;
- De verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie d.d. 21 december 2023 en ter terechtzitting van 19 januari 2026.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van feit 1:
meermalen, in de periode van 1 juni 2019 tot en met 1 november 2019, te Middelburg en/of Goes, met [slachtoffer] , geboren op [2005] , die de leeftijd van twaalf jaren
maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die
[slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de mond en/of anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht.
Ten aanzien van feit 2:
meermalen, in de periode van 1 juni 2019 tot en met 1 november 2019, te Middelburg en/of Goes, met [slachtoffer] , geboren op [2005] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte de penis van die [slachtoffer] in zijn mond genomen en die [slachtoffer] zijn penis in de anus van verdachte laten duwen/brengen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsadvies van 19 september 2024.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft gevraagd om af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is sociaal te kwetsbaar voor de gevangenis en dat is niet de plek voor hem. De raadsman heeft verder gevraagd de proceshouding van verdachte in zijn voordeel mee te wegen. Verdachte is eerlijk geweest en heeft een wijze les geleerd. Hij heeft zelf hulp en behandeling gezocht voor zijn problemen. Verdachte is mantelzorger voor zijn moeder. Ook heeft hij vroeger seksueel misbruik en geweld thuis moeten ondergaan, hetgeen hem heeft gevormd. Tot slot heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het gegeven dat de feiten al van enkele jaren geleden zijn. De raadsman heeft gevraagd te volstaan met een taakstraf en daarnaast een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tot twee maal toe plegen van vergaande ontuchtige handelingen met het slachtoffer. Het slachtoffer was ten tijde van de feiten 14 jaren oud, had niet eerder seks gehad, en bevond zich – ook los van zijn jonge leeftijd – in een kwetsbare periode in zijn leven. De eerste maal betrof het bovendien onbeschermde seks. Verdachte leed op dat moment, zo bleek nadien, aan een (ernstige) geslachtsziekte en stelde aanvankelijk nota bene het jonge slachtoffer hiervoor verantwoordelijk. Dit heeft bij het slachtoffer grote angst- en paniekgevoelens veroorzaakt, die hij alleen, zonder steun van zijn omgeving, heeft moeten doorstaan.
Door zijn handelen heeft verdachte de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer op zeer grove wijze geschonden. Verdachte heeft zich laten leiden door zijn eigen lustgevoelens, zonder te denken aan het welzijn van het jonge slachtoffer. Dat het slachtoffer zijn eigen seksualiteit wilde ontdekken, ermee instemde om verdachte te ontmoeten en dat de gepleegde seksuele handelingen vooraf zijn besproken, maakt dat niet anders, nu de strafbaarstelling mede is ingegeven door het tegen zichzelf beschermen van minderjarigen jonger dan 16 jaar. Verdachte heeft uit het oog verloren dat dergelijk handelen kan zorgen voor psychische schade bij een minderjarige en een normale seksuele ontwikkeling in de weg kan staan. Dit geldt ook in deze zaak, zoals blijkt uit de op de terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring.
Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank heeft op het strafblad van verdachte gezien dat hij niet eerder is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies
van 19 september 2024 over verdachte. Hierin is onder meer het volgende vermeld:
“We signaleren risico verhogende signalen op de leefgebieden relatie partner, gezin en familie, seksualiteit en het psychosociaal functioneren. Betrokkene groeide op met een vader die niet altijd aandacht voor zijn gezin had. Deze situatie werd nog ingewikkelder nadat zijn vader een herseninfarct kreeg en hersenletsel hieraan overhield. Tot op heden lijkt betrokkene voor zijn ouders (voornamelijk zijn moeder) te willen zorgen, door sinds 2020 de rol van fulltime mantelzorger op zich te nemen.
(…)
Betrokkene had nimmer een langdurige (liefdes)relatie. Hoewel betrokkene jarenlang als vrijwilliger bij (…) werkte, was er tevens nooit sprake van een betaalde baan
en zodoende heeft betrokkene nooit een eigen inkomen verworven.
(…)
Betrokkene is nadat er aangifte tegen hem werd gedaan in behandeling gegaan. Betrokkene volgt behandeling bij de Waag. We vinden het positief dat betrokkene deze behandeling volgt omdat hij, naar zijn zeggen, nooit meer in een dergelijke situatie wil belanden.
De Waag richtte zich onder andere op een delictanalyse en risicotaxatie. Zij herkennen onze zorgen en zien een man die weinig ingebed lijkt te zijn in de maatschappij. Betrokkene komt vlak op ons over: er geen zijn echte emoties zichtbaar. We sluiten overige psychosociale problematiek niet uit. De Waag zou nader diagnostisch onderzoek willen doen naar de aanwezigheid van een autisme spectrum stoornis en/of PTSS, hetgeen wij geïndiceerd achten.
Het risico op recidive schatten wij op de korte termijn in als laag, echter namen wij ook een specifieke zedentaxatie af. Betrokkene scoort matig op de supervisie- en behandelcategorie. We vinden een forensisch kader geïndiceerd. We denken dat er een meerwaarde ligt in het opleggen van een reclasseringstoezicht, al dan niet in combinatie met een behandeling wanneer zou blijken dat de huidige behandeling niet afdoende is.
(…)
Tijdens een reclasseringstoezicht kan aandacht worden besteed aan het vergroten van de leefwereld van betrokkene, zodat hij niet in een gat zal komen te vallen wanneer zijn ouders in de toekomst wegvallen. Tevens kan er aandacht worden besteed aan de wijze waarop betrokkene relaties aangaat, het verkrijgen van dagbesteding (en daarbij een inkomen) maar ook hobby's.
Redelijke termijn.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM met een maand is overschreden (gerekend vanaf het eerste verhoor van verdachte op
21 december 2023). Gelet op de geringe overschrijding zal de rechtbank in de onderhavige zaak volstaan met die constatering.
De op te leggen straf.
De rechtbank ziet onder ogen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte en zijn omgeving zeer ingrijpend zal zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf nodig is om de ernst van de gepleegde feiten voldoende tot uitdrukking te brengen.
Bij het bepalen van de hoogte van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank de volgende omstandigheden meegewogen.
De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het gegeven dat hij openheid van zaken heeft gegeven en dat hij oprecht spijt lijkt te hebben van zijn handelen. Verdachte is schuldbewust en heeft ter terechtzitting tegenover het slachtoffer de volledige verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Ook heeft hij zelf hulp bij De Waag gezocht voor zijn problematiek en heeft hij daar langdurig behandeling gevolgd.
Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat verdachte een ernstig belaste jeugd heeft gehad en mede hierdoor een kwetsbare, beschadigde man is. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het lang heeft geduurd voordat de zaak inhoudelijk op zitting is gepland.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsadvies van 19 september 2024.
De voorwaardelijke gevangenisstraf en de bijzondere voorwaarden legt de rechtbank op om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten gaat plegen en om ervoor te zorgen dat verdachte de behandeling, begeleiding en het toezicht krijgt die nodig wordt geacht.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 28.086,79, bestaande uit € 16.086,79 aan materiële schade en € 12.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geen standpunt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij ingenomen, omdat hij de vordering niet goed heeft kunnen bestuderen, nu sprake is van een uitgebreide, complexe vordering en de vordering op een laat moment is ingediend.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de verdediging onvoldoende tijd heeft gehad om zich hiertegen te verweren, hetgeen leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding. Subsidiair heeft de raadsman de vordering integraal betwist en meer subsidiair gevraagd de immateriële schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 3.000,00 en het overige van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank.Ten aanzien van de gevorderde materiële schade (€ 16.086,79) overweegt de rechtbank als volgt.
De vordering is pas op donderdag 15 januari 2026 ingediend en heeft de raadsman van verdachte aan het einde van die middag bereikt, waardoor hij de vordering (gelet op reeds geplande werkzaamheden op vrijdag) pas in het weekend kon bestuderen. Dit terwijl de vordering ruim van te voren is aangekondigd, zo blijkt uit het dossier. De vordering met bijlagen beslaat 54 pagina’s. Weliswaar is de vordering formeel op tijd ingediend, de rechtbank is met de verdediging van oordeel dat gelet op de omvang en complexiteit van de vordering, de verdediging onvoldoende tijd heeft gehad om zich hier naar behoren op voor te bereiden.
Nu de raadsman van verdachte geen tijd heeft gehad om de vordering voldoende te kunnen voorbereiden, deze onvoldoende heeft kunnen bespreken met verdachte en als gevolg daarvan geen onderbouwd standpunt heeft kunnen formuleren ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde materiële schadeposten, terwijl de vordering ruim € 16.000,00 bedraagt, meent de rechtbank dat geen sprake is van ‘equality of arms’ en dat deze gang van zaken in strijd is met artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De behandeling van het materiële gedeelte van de vordering van de benadeelde partij levert daarom volgens de rechtbank een onevenredige belasting van het strafproces op, omdat dit zou betekenen dat de strafzaak zou moeten worden aangehouden om de raadsman van verdachte voldoende voorbereidingstijd te gunnen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het materiële gedeelte van de vordering. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Naar het oordeel van de rechtbank ligt dit anders ten aanzien van de gevorderde immateriële schade. De gevorderde immateriële schadevergoeding is eenvoudig te doorgronden en de verdediging heeft zich daarover voldoende kunnen uitlaten.
De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengeld en met de Rotterdamse schaal (onder punt 15.2 onder b), naar billijkheid integraal toewijzen tot een bedrag van
€ 12.000,00.
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, de vordering gedeeltelijk toewijsbaar tot een bedrag van € 12.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2019 tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de
tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2019 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 2:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf en maatregel
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering:
Veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na zijn invrijheidstelling persoonlijk of telefonisch om een afspraak te maken bij Reclassering Nederland op het adres Vrijlandstraat 33, 4337 EA Middelburg, telefoonnummer 088 804 1505. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Aanmelden voor individuele begeleiding kan onderdeel uitmaken van een toezicht bij de reclassering, indien dit door de reclassering nodig wordt geacht.
Ambulante behandeling:
Veroordeelde werkt mee aan diagnostisch onderzoek en laat zich indien geïndiceerd behandelen door de Waag, Forensische Zorg Zeeland (FZZ) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na onderzoek en positieve indicatie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 12.000,00. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Maatregel van schadevergoeding.
Legt aan de veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer] , van een bedrag van € 12.000,00. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 85 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelde is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.M. Hettinga, voorzitter,
mr. S.A.E.M. Rampaart en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers, griffier,
en is uitgesproken op 02 februari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Zeeland West-Brabant, Team Zeden, genummerd ZBRBC23129 / PL2000-2023184164 / Djibouti, sluitingsdatum 5 januari 2024, aantal doorgenummerde pagina’s 1-373.