ECLI:NL:RBOBR:2026:671

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
11900880
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:461 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing en wijziging van mentorschap wegens noodzaak voortzetting

Betrokkene verzocht de rechtbank om het mentorschap op te heffen omdat hij zich bekwaam en zelfstandig acht om zijn persoonlijke en dagelijkse belangen te behartigen. Tevens vroeg hij mondeling om ontslag van zijn ouders als mentoren en benoeming van een professionele mentor indien het mentorschap niet zou worden opgeheven.

De mentoren, betrokkene's ouders, stelden dat betrokkene een licht verstandelijke beperking heeft en lijdt aan een bipolaire stoornis met psychotische periodes, waardoor het mentorschap noodzakelijk blijft. In goede periodes functioneert betrokkene redelijk zelfstandig, maar in mindere periodes vertoont hij problematisch gedrag dat snelle interventie vereist.

De kantonrechter oordeelde dat de noodzaak tot voortzetting van het mentorschap aanwezig is en dat er geen gewichtige reden is om de mentoren te ontslaan. Het belang van betrokkene bij korte communicatielijnen en snelle interventie weegt zwaar. Daarom werden zowel het verzoek tot opheffing als tot wijziging van het mentorschap afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot opheffing en wijziging van het mentorschap wordt afgewezen vanwege noodzaak voortzetting en belang van korte communicatielijnen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats Eindhoven
zaaknummer : 11900880 TE VERZ 25-1155
dossiernummer : [beschikkingsnummer]
datum : 27 januari 2026
[initialen van de griffier]

beschikking op een verzoek tot opheffing van mentorschap

op verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
met als mentoren [naam mentor 1] en [naam mentor 2]
beiden wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 30 september 2025;
- de schriftelijke reactie van de mentoren, ontvangen op 17 oktober 2025.
Het verzoek is mondeling behandeld op 13 januari 2026. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. Op de zitting zijn betrokkene, de mentoren en de bewindvoerder van betrokkene verschenen.

beoordeling

Betrokkene vraagt om opheffing van het mentorschap. Aan het verzoek ligt – kort samengevat – ten grondslag dat betrokkene zich voldoende bekwaam en zelfstandig voelt om zijn persoonlijke en dagelijkse belangen te behartigen. Het mentorschap belemmert hem in zijn persoonlijke vrijheid en de wijze waarop hij zijn leven wil inrichten. Tijdens de zitting heeft betrokkene het mondelinge verzoek gedaan om zijn ouders te ontslaan als mentoren en om een professionele mentor te benoemen wanneer het mentorschap niet zal worden opgeheven. De reden hiervan is dat als er iets moet worden besproken in het FACT-team zijn ouders hiervan ook op de hoogte zijn.
De mentoren hebben zowel schriftelijk als ter zitting aangegeven dat betrokkene een mentor dringend nodig heeft. Betrokkene heeft een licht verstandelijke beperking en daarbij de stoornis bipolair met psychotische periodes. In goede periodes kan betrokkene redelijk goed voor zichzelf zorgen, houdt zich aan afspraken en neemt trouw zijn medicatie. De rol van mentor is dan eigenlijk overbodig, dan zijn de mentoren ook gewoon ouders. In minder goede periodes verandert zijn gedrag, de laatste keer halverwege 2025 nog. Er worden dan grote aankopen gedaan, betrokkene komt in opstand, heeft conflicten met zijn omgeving en komt dan niet meer met vragen maar met eisen. Zijn houding verandert, ook tegenover de mentoren. Op zo’n moment nemen de mentoren contact op met de casemanager om de zorgen te delen en met de vraag om alert te zijn. Wanneer het mentorschap wordt overgedragen aan een professionele mentor is de kans groot dat er te laat wordt ingegrepen waardoor het misgaat. Als familie wordt veel van wat betrokkene doet gezien waardoor snel kan worden ingegrepen en de lijntjes kort zijn. De mentoren hebben desgevraagd aangegeven hun taak als mentor voort te willen zetten.
Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de kantonrechter van oordeel dat de noodzaak tot voortzetting van het mentorschap nog bestaat. De kantonrechter zal het verzoek tot opheffen van het mentorschap daarom afwijzen.
Ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de mentor overweegt de kantonrechter als volgt. Op grond van artikel 1: 461 Burgerlijk Wetboek dient er sprake te zijn van een gewichtige reden tot ontslag. De kantonrechter is van oordeel dat deze er niet is. Er zijn onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat de mentoren hun taak niet naar behoren hebben uitgevoerd of dat er sprake is van een dermate verstoorde verstandhouding dat het mentorschap niet op een zinvolle wijze kan worden voortgezet. Verder overweegt de kantonrechter dat het niet in het belang van betrokkene is als er een professionele mentor wordt benoemd. In het geval van betrokkene is het belangrijk dat er korte lijntjes zijn. In minder goede periodes handelt betrokkene zonder daarvan de mentor op de hoogte te stellen en het is niet altijd duidelijk of betrokkene de waarheid spreekt. Bovendien heeft een professional minder tijd ter beschikking dan de huidige mentoren waardoor er minder zicht is op betrokkene. De kantonrechter zal om voornoemde redenen ook het verzoek tot wijziging van de mentor afwijzen.

beslissing

De kantonrechter:
- wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.H. Schormans, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.