ECLI:NL:RBOBR:2026:685

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
82.294034.22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 51 SrArt. 56 SrArt. 57 SrArt. 225 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan accijnsfraude via valse documenten

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte schuldig bevonden aan het feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen van een rechtspersoon die zich schuldig maakte aan accijnsfraude door het stelselmatig opmaken, vervalsen en gebruiken van valse documenten, waaronder elektronische administratieve documenten (e-AD’s), vrachtbrieven (CMR’s) en facturen.

Het onderzoek toonde aan dat de rechtspersoon, actief in de import en export van alcoholische dranken, valse transportbewegingen in het EMCS-systeem registreerde om accijns te ontduiken. Verdachte was medeoprichter, aandeelhouder en feitelijk leidinggever, ook na zijn formele uitschrijving als bestuurder, en had kennis van en betrokkenheid bij de fraude. Diverse bewijsmiddelen, waaronder communicatie, getuigenverklaringen en vondsten van valse documenten, ondersteunden dit.

De rechtbank verklaarde verdachte schuldig aan het opzettelijk opmaken van valse geschriften, het vervalsen van de bedrijfsadministratie en het gebruik van valse documenten. De feiten werden als voortgezette handelingen beschouwd. Gezien de ernst, de internationale samenwerking en het ondermijnende karakter van de fraude, legde de rechtbank een gevangenisstraf op van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank hield rekening met een overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 14 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens feitelijk leidinggeven aan accijnsfraude met valse documenten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 82.294034.22
Datum uitspraak: 3 februari 2026.
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1974] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 januari 2026, 7 januari 2026 en 27 januari 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

1.De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 juni 2024.
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis is de tekst van de tenlastelegging hieronder samengevat. De gehele tekst is opgenomen in Bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.
Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij:
Ten aanzien van feit 1 (primair):
feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk opmaken van valse geschriften door [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] );
Ten aanzien van feit 1 (subsidiair):
zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk opmaken van valse geschriften;
Ten aanzien van feit 2 (primair):
feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk vervalsen van de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] door de in feit 1 bedoelde valse geschriften door [medeverdachte 1] op te laten nemen in die bedrijfsadministratie;
Ten aanzien van feit 2 (subsidiair):
zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervalsen van de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] door de in feit 1 bedoelde valse geschriften door [medeverdachte 1] op te laten nemen in die bedrijfsadministratie;
Ten aanzien van feit 3 (primair):
feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk gebruik maken van het valse geschriften door [medeverdachte 1] ;
Ten aanzien van feit 3 (subsidiair):
zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van het valse geschriften.

2.De formele voorvragen.

2.1.
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van feit 3.
De rechtbank overweegt dat e-AD’s en CMR’s documenten zijn die zeer specifieke informatie bevatten. De documenten hebben namelijk uitsluitend het doel om de Europese douane-instanties te informeren over vervoersbewegingen van accijnsgoederen binnen de Europese Unie.
De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen hierna onder 3.3.2. wordt overwogen, geen ander doel dat [medeverdachte 1] redelijkerwijs kon hebben om valse e-AD’s en CMR’s voorhanden te hebben dan het (eventueel als medepleger) misleiden van (Europese) Douane-instanties en eventueel, bij controles, de Belastingdienst. Dergelijk handelen is strafbaar gesteld in artikel 10:5 lid 1 sub b van Pro de Algemene Douanewet waar het de Douane betreft, en artikel 69 lid 1 van Pro de AWR waar het de Belastingdienst betreft. In de situatie dat een verdachte kan worden vervolgd voor deze feiten en voor het commune strafbare feit van het voorhanden hebben van valse documenten (225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) is vervolging voor het commune strafbare feit uitgesloten.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de artikelen 69 lid 4 van de AWR en 10:5, zesde lid, van de Algemene Douanewet van toepassing zijn. Het Openbaar Ministerie wordt ten aanzien van onderdelen a) en b) van feit 3 op de tenlastelegging dan ook niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
De overige formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging van feiten 1, 2 en onderdeel c) van feit 3 worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

3.De bewijsbeslissing.

3.1
Het standpunt van de officier van justitie.
Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden en de toelichting daarop ter terechtzitting van 5 januari 2026 heeft de officier van justitie geconcludeerd dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota beschreven gronden en de toelichting daarop ter terechtzitting heeft de verdediging integrale vrijspraak ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten bepleit. Hiertoe heeft de verdediging – zakelijk weergegeven en onder meer – bepleit dat verdachte geen wetenschap had van de door [medeverdachte 1] verrichte verboden gedragingen en aan die gedragingen ook geen feitelijk leiding heeft gegeven. De misstanden binnen [medeverdachte 1] waren, aldus de verdediging, uitsluitend het gevolg van een vooropgezet plan en het uitvoeren daarvan door medeverdachte [medeverdachte 2] .
3.3
Het oordeel van de rechtbank.
3.3.1.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage (bijlage II). De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank hierna niet op die verweren zal responderen, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor de afzonderlijke feiten heeft gebruikt en zoals die in de bij dit vonnis behorende bewijsbijlage zijn opgenomen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.
3.3.2.
Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.
Nu verdachte ten aanzien van alle feiten wordt vervolgd als zijnde de feitelijk leidinggever aan dan wel medepleger van de door [medeverdachte 1] verrichte gedragingen zal de rechtbank eerst vaststellen of [medeverdachte 1] zich als rechtspersoon schuldig heeft gemaakt aan een verboden gedraging.

De inleiding.
Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
[medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) werd op 8 december 2017 opgericht. Haar activiteiten bestonden uit het exploiteren van een loods voor de in-, uit- en opslag van accijnsgoederen, waaronder wijn en bier. De loods van [medeverdachte 1] fungeerde als een accijnsgoederenplaats (hierna: AGP). Een AGP is een plaats in Nederland waar accijnsgoederen onder schorsing van accijns mogen worden opgeslagen, ontvangen en/of verzonden. Buiten Nederland worden soortgelijke plaatsen aangeduid als “belastingentrepots”.
De accijnstarieven in de lidstaten van de Europese Unie zijn verschillend. Wanneer een onderneming een vergunning als AGP heeft, kan zij producten van en naar de AGP (laten) vervoeren onder een zogenoemde accijnsschorsingsregeling. De accijns hoeven pas te worden betaald in de lidstaat waar de accijnsgoederen uiteindelijk in de (commerciële) markt terecht komen en worden verbruikt. Om de transportbewegingen van accijnsgoederen te kunnen volgen en te kunnen controleren ontwikkelde de Europese Unie het Excise Movement and Control System (hierna: EMCS).
In de loop van 2019 is [medeverdachte 1] , onder meer op basis van ontvangen risico-informatie uit Denemarken, in beeld gekomen bij de Nederlandse douane. De Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) heeft dit onderzoek overgenomen. Op basis van het onderzoek van de FIOD is het Openbaar Ministerie overgegaan tot vervolging ten aanzien van valsheid in geschrift. De stukken die vals zouden zijn opgemaakt bestaan, aldus de tenlastelegging, uit a) elektronisch administratieve documenten (hierna: e-AD’s), b) vrachtbrieven (hierna: CMR’s) en c) facturen. Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank de achtergrond van e-AD’s en CMR’s nader duiden.
Een e-AD is een document dat op grond van Nederlandse wetgeving en/of op grond van wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Unie moet worden opgemaakt ten behoeve van het onder een accijnsschorsingsregeling overbrengen van accijnsgoederen. Het e-AD heeft door middel van de gelogde handelingen in EMCS voortdurend een actuele status. Op deze manier kunnen de Europese Douane-instanties zien of accijnsgoederen binnen de EU zijn vervoerd, afgeleverd, en/of zijn uitgevoerd.
Naast het e-AD dienen verzenders, transporteurs en ontvangers van de goederen bijbehorende CMR-documenten te tekenen en te bewaren. Een CMR is een vrachtbrief die tijdens het transport van goederen aanwezig moet zijn als begeleiding van het transport. Een CMR bestaat uit 4 exemplaren. In het geval van een legitiem transport van accijnsgoederen worden deze 4 exemplaren als volgt verdeeld. Exemplaar 1 blijft bij de afzender van de goederen. Exemplaar 2 is bestemd voor de ontvanger van de goederen. Exemplaren 3 en 4 zijn bestemd voor de vervoerder en worden door de ontvanger van de goederen ondertekend.

De fictieve invoer en uitvoer van accijnsgoederen bij [medeverdachte 1] .
Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer dat [medeverdachte 1] administratieve handelingen heeft verricht in EMCS die niet overeenkwamen met de werkelijkheid. [medeverdachte 1] heeft samen met andere bedrijven in Europa een valse papieren werkelijkheid gecreëerd ten behoeve van het plegen van accijnsfraude. [medeverdachte 1] heeft als ontvanger en/of verzender van de goederen administratief doen voorkomen in EMCS dat accijnsgoederen zouden zijn ontvangen door [medeverdachte 1] en/of zouden zijn vertrokken vanaf de loods van [medeverdachte 1] in Rucphen terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was. Ten behoeve van deze zendingen zijn ook vervoersdocumenten, CMR’s, opgemaakt en uitgewisseld tussen de verschillende bedrijven in Europa.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt daarnaast zonder meer dat [medeverdachte 1] , zoals hierna per feit wordt beschreven, steeds als medepleger nauw en bewust heeft samengewerkt met andere bedrijven om de valse documenten op te maken. De bijdrage van [medeverdachte 1] aan de strafbare feiten, zoals blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, is steeds van voldoende gewicht om te spreken van het medeplegen van die feiten.

De beoordeling van feit 1: het opzettelijk opmaken van valse stukken.
Onderdeel a) Heeft [medeverdachte 1] valse e-AD’s opgemaakt?
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat alle onder a) ten laste gelegde e-AD’s opzettelijk valselijk zijn opgemaakt. De beschreven vervoersbewegingen van accijnsgoederen hebben nooit daadwerkelijk plaatsgevonden. [medeverdachte 1] heeft (telkens) als ontvanger en/of verzender van de goederen administratieve handelingen verricht in EMCS waarvan zij wist dat deze niet overeenkwamen met de werkelijkheid. Door deze handelingen te verrichten zijn de bijbehorende e-AD’s telkens opzettelijk door [medeverdachte 1] valselijk opgemaakt.
Onderdeel b) Heeft [medeverdachte 1] valse CMR’s opgemaakt?
Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de ten laste gelegde CMR’s (mede) door [medeverdachte 1] opzettelijk valselijk zijn opgemaakt.
Ten aanzien van de CMR’s die ten laste zijn gelegd onder de eerste zes gedachtestreepjes geldt dat exemplaren 2, 3 en 4 in het geval van legitieme transporten niet in het bezit van [medeverdachte 1] hadden kunnen zijn maar bij de vervoerder en/of ontvanger in bezit hadden moeten zijn. Zij zijn echter door de FIOD aangetroffen in een doos in de loods van [medeverdachte 1] in Rucphen en in de auto van medeverdachte [verdachte] . De omstandigheid dat deze exemplaren daar überhaupt zijn aangetroffen is voldoende om, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, aan te nemen dat de onderliggende transporten nooit hebben plaatsgevonden. Een andere uitleg is door de verdediging ook niet bepleit.
Ten aanzien van de CMR die afkomstig is van [bedrijf 5] (zoals ten laste gelegd onder het zevende gedachtestreepje) blijkt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen dat het onderliggende transport nooit heeft plaatsgevonden. [medeverdachte 1] heeft bij het opmaken van de CMR als medepleger een bijdrage van voldoende gewicht geleverd door deze af te stempelen en bovendien in EMCS boekingen te verrichten waarvan het e-AD-nummer op de CMR is geplaatst. Het e-AD waar deze CMR naar verwijst (19FRG0074000440684400) ziet namelijk op een fictieve inslag van goederen die door [medeverdachte 1] in EMCS is geboekt.
[medeverdachte 1] wist ten tijde van het opmaken van alle bovenstaande CMR’s dat het om fictieve transportbewegingen ging en heeft derhalve dan ook telkens opzettelijk haar bijdrage geleverd aan die fictie. Deze bijdrage is ook telkens essentieel geweest om een papieren werkelijkheid te creëren en de achterliggende accijnsfraude mogelijk te maken en derden te misleiden.
Onderdeel c) Heeft [medeverdachte 1] valse facturen opgemaakt?
Ten aanzien van de facturen zoals deze onder het eerste ( [naam 1] ) en het tweede gedachtestreepje ( [bedrijf 1] SL) ten laste zijn gelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat deze facturen vals zijn. Anders dan de hiervoor besproken e-AD’s en CMR’s zien de betreffende facturen niet op een (fictief) transport, maar op doorberekening van door de (fictieve) ontvanger betaalde accijnzen. Op basis van het dossier lijkt het voor de hand te liggen dat de door de opmaker van de factuur genoemde accijnzen daadwerkelijk zijn betaald en vervolgens zijn doorberekend aan [medeverdachte 1] . De modus operandi van [medeverdachte 1] en haar medeverdachten lijkt te zijn geweest dat goederen fictief werden vervoerd naar een land met een (relatief) laag accijnstarief. Daar werd de uitslag van de goederen in EMCS geboekt, waarna een laag accijnstarief betaald werd . Feitelijk werden de goederen afgezet op de zwarte markt in een land met een (relatief) hoog accijnstarief. Het bedrag aan accijns waar de factuur naar verwijst zal dan daadwerkelijk betaald zijn.
Dit alles betekent dat de rechtbank ten aanzien van de facturen zoals beschreven onder de eerste twee gedachtestreepjes, niet bewezen acht dat deze facturen vals of vervalst zijn.
De rechtbank komt ten aanzien van het derde gedachtestreepje ( [naam 3] ) wel tot het oordeel dat deze factuur valselijk door [medeverdachte 1] is opgemaakt. Deze factuur heeft betrekking op een fictieve zending van goederen vanaf [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] brengt met deze factuur twee bedragen voor “warehouse handling” in rekening. Nu er geen transport heeft plaatsgevonden kan worden aangenomen dat [medeverdachte 1] geen fysieke werkzaamheden heeft verricht die zien op het op- of overslaan van goederen in de loods in Rucphen, waar de term ”warehouse handling” naar het oordeel van de rechtbank wel op ziet. Deze factuur is dus opzettelijk valselijk opgemaakt. Anders dan door de raadsvrouw is bepleit, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] geen enkele feitelijke grondslag had om deze kostenposten als “warehouse handling” te factureren aan [naam 3] .

Beoordeling feit 2: het opzettelijk vervalsen van haar bedrijfsadministratie door de in feit 1 genoemde stukken hierin op te nemen
Partiële vrijspraak: ten aanzien van de CMR’s.
De rechtbank is van oordeel dat de CMR’s zoals beschreven in onderdeel b) niet zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] . Deze CMR’s (telkens betreffende exemplaren 2, 3 en 4) zijn namelijk aangetroffen in een doos in de loods in Rucphen (eerste vijf gedachtestreepjes) of in de auto van [verdachte] (zesde gedachtestreepje) of per e-mail aan [medeverdachte 1] toegezonden en weer geretourneerd (zevende gedachtestreepje). Uit het dossier kan de rechtbank geen actieve handeling van [medeverdachte 1] opmaken waaruit blijkt dat zij deze stukken aan haar bedrijfsadministratie heeft toegevoegd. De CMR’s in de doos en in de auto lijken juist bewust
buitende bedrijfsadministratie te zijn gehouden.
Tussenconclusie feit 2: ten aanzien van de e-AD’s en de facturen.
De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 1] de overige stukken, zoals deze hierna onder het kopje “De bewezenverklaring” onder feit 2 nader zullen worden omschreven, heeft opgenomen in haar bedrijfsadministratie. Door deze stukken op te nemen heeft [medeverdachte 1] haar bedrijfsadministratie over de gehele periode vervalst. Nu deze bedrijfsadministratie meerdere kwartalen en/of boekjaren betreft komt de rechtbank tot het oordeel dat de bedrijfsadministratie meermalen is vervalst.

Beoordeling feit 3: het opzettelijk gebruiken van valse geschriften.
Zoals hiervoor is overwogen is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de valse geschriften zoals ten laste gelegd onder onderdelen a) (e-AD’s) en b) (CMR’s).
Ten aanzien van onderdeel c) (facturen) is de rechtbank van oordeel dat, zoals hiervoor is overwogen, alleen de factuur van [medeverdachte 1] gericht aan [naam 3] als vals is aan te merken. De rechtbank acht ten aanzien van de overige facturen niet bewezen dat deze vals of vervalst waren. Dit betekent dat verdachte ook ten aanzien van dit feit partieel wordt vrijgesproken, namelijk waar het gaat om de facturen zoals ten laste gelegd onder het eerste en tweede gedachtestreepje.
Van de valse factuur aan [naam 3] heeft [medeverdachte 1] opzettelijk gebruik gemaakt door deze (na het opmaken daarvan) daadwerkelijk te versturen aan [naam 3] . Om die reden komt de rechtbank ten aanzien van deze factuur wel tot een bewezenverklaring.

Kunnen de strafbare feiten worden toegerekend aan [medeverdachte 1] ?
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang met wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen plaatsvonden in de sfeer van [medeverdachte 1] . De gedragingen pasten ook in de normale bedrijfsvoering van [medeverdachte 1] .
Dankzij de vergunning als AGP van [medeverdachte 1] konden zendingen van en naar [medeverdachte 1] in EMCS werden ingevoerd, zowel feitelijke als fictieve. De enige werknemer van [medeverdachte 1] en de feitelijk leidinggevers waren actief betrokken bij de fraude. De frauduleuze gedragingen zijn dienstig geweest aan het door [medeverdachte 1] uitgeoefende bedrijf: de inkomsten van de fraude kwamen op de bankrekening van [medeverdachte 1] binnen. De strafbare feiten kunnen dan ook aan [medeverdachte 1] worden toegerekend.

Heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedragingen van [medeverdachte 1] ?
Gelet op de hiervoor gegeven conclusies komt de rechtbank toe aan de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan dan wel medepleger is van de verboden gedragingen van [medeverdachte 1] als rechtspersoon.
De rol van verdachte binnen [medeverdachte 1] .
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte heeft samen met [medeverdachte 2] de rechtspersoon [medeverdachte 1] opgericht op 8 december 2017. Verdachte en [medeverdachte 2] waren tot 25 november 2019 ieder (via een eigen holding) voor 50% aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 1] . Op 25 november 2019 is verdachte als (indirect) bestuurder uitgeschreven. Verdachte is de gehele ten laste gelegde periode één van de twee aandeelhouders (50%) geweest van [medeverdachte 1] , samen met [medeverdachte 2] .
Niet ter discussie staat dat verdachte in “de beginperiode” van [medeverdachte 1] , een actieve rol als bestuurder en leidinggever heeft vervuld. Zo heeft verdachte zelf verklaard dat hij [getuige] als werknemer heeft aangenomen. [getuige] verklaart dat hij verdachte in deze beginperiode ook als zijn baas zag.
De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte in deze beginperiode ook degene was die de administratieve handelingen binnen [medeverdachte 1] beheerste en voor zijn rekening nam. Hoewel hij dat zelf ontkent, hebben zowel medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige [getuige] verklaard dat verdachte degene was die wist hoe het EMCS-systeem werkte en die op de in de loods de administratieve werkzaamheden verrichtte.
Anders dan door de verdediging aangevoerd, staat naar het oordeel van de rechtbank evenzeer vast dat verdachte, ook na zijn uitschrijving als bestuurder, actief is gebleven in een leidinggevende rol binnen [medeverdachte 1] . Verdachte is gedurende de hele ten laste gelegde periode de enige persoon geweest die toegang had tot de bankrekening van [medeverdachte 1] en dus ook de betalingen verrichtte. Daarnaast onderhield hij als enige het contact met de boekhouder. Toen [getuige] , ver na de uitschrijving van verdachte, medische klachten kreeg en daardoor minder werkzaamheden kon verrichten, was het verdachte die zijn zwager als ZZP’er aannam. Tijdens de geobserveerde periode, ver na de uitschrijving van verdachte, was verdachte twee à drie keer per week aanwezig in de loods van [medeverdachte 1] . Toen er onverwacht douanecontrole plaatsvond en [getuige] alleen aanwezig was, ook ver na de uitschrijving van verdachte, belde [getuige] niet [medeverdachte 2] maar verdachte. Verdachte onderhield blijkens de bewijsmiddelen, wederom ver na de uitschrijving, contacten met een transporteur. De verklaring van de verdediging dat de rol van verdachte binnen [medeverdachte 1] vanaf het begin zeer beperkt is geweest en na uitschrijving minimaal, schuift de rechtbank dan ook terzijde.
De rol van verdachte bij de fictieve zendingen
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet als feitelijk leidinggevende binnen [medeverdachte 1] kan worden gezien en zeker niet ten aanzien van de verboden gedragingen Hij zou van deze gedragingen nooit weet hebben gehad. De verklaringen van verdachte op dit punt acht de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank komt tot dit oordeel nu deze verklaring strijdig is met de inhoud van getuigenverklaringen en objectieve onderzoeksgegevens waaruit blijkt dat verdachte wel degelijk kennis heeft gehad van de fictieve zendingen en bijbehorende valsheden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De meest in het oog springende communicatie in het dossier, waaruit naar het oordeel van de rechtbank zonder meer blijkt van wetenschap van en betrokkenheid bij de fictieve zendingen, betreffen de contacten die er plaatsvinden tussen verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] en contact “ [naam 4] ” van belastingentrepot [bedrijf 2] uit Spanje, wanneer er een douanecontrole is aangekondigd bij het Spaanse bedrijf. “ [naam 4] ” geeft aan [medeverdachte 2] aan dat hij met grote spoed de “ontbrekende” CMR’s nodig heeft. [medeverdachte 2] stuurt de berichten vanuit Spanje door aan verdachte en verdachte doet een voorstel voor een bericht aan [naam 4] over de toezending van de CMR’s. Het is ook verdachte die de ontbrekende CMR’s in een doos aanbiedt aan DHL voor verzending naar Spanje. Geconfronteerd met deze bevindingen komt verdachte niet verder dan dat hij zich berichten “niet meer kan herinneren” en dat hij “niet wist” wat er in de doos zat die hij verstuurde. De rechtbank acht dit volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank kan de communicatie niet anders lezen dan dat zendingen, die wel in EMCS zijn ingevoerd en waar wel CMR’s voor zijn opgemaakt, niet hebben plaatsgevonden; anders zouden de CMR’s zich in Spanje hebben bevonden. Daarnaast blijkt dat verdachte op de hoogte is dat een Spaans belastingentrepot ontbrekende CMR’s wil hebben vanwege een ophanden zijnde douanecontrole. Daaruit blijkt ook dat verdachte op de hoogte is van en betrokken is bij het maken van de afspraken die zien op de onderbouwing voor de Spaanse douane van de fictieve zendingen.
Ook bij het contact met het Spaanse bedrijf “ [bedrijf 1] ”, blijkens de geldstroom vanuit [medeverdachte 1] een belangrijke ontvanger van fictieve zendingen van [medeverdachte 1] , is verdachte actief betrokken geweest. Op 29 november 2019 betaalt verdachte twee facturen aan [bedrijf 1] , nadat medeverdachte [medeverdachte 2] deze met de tekst “make him happy!” naar verdachte heeft gestuurd. Wanneer [medeverdachte 1] van “ [bedrijf 1] ” een mailbericht ontvangt waarin zij herinnerd worden aan het maximaal nog te sturen “documenten” die week - het mogen maximaal 15 ladingen per week zijn en er zijn er al 13 gestuurd – stuurt verdachte deze mail door naar [medeverdachte 2] en plaatst daar een opmerking bij: “
Wat een jankert zeg week is net begonnenen was 20 toch.”De rechtbank is van oordeel dat de mailwisseling en de afsluitende opmerking van verdachte niet anders begrepen kunnen worden dan dat verdachte op de hoogte is van de afspraken tussen [medeverdachte 1] en “ [bedrijf 1] ” én dat die afspraken zagen op “documenten” en niet op het daadwerkelijke transport van accijnsgoederen. “ [bedrijf 1] ” is door verdachte en [medeverdachte 2] ook fysiek bezocht, zo heeft ook verdachte zelf erkend. Reden voor het bezoek was, aldus de verklaring van [medeverdachte 2] , het bespreken van het administratieve proces rondom de fictieve transportbewegingen tussen “ [bedrijf 1] ” en [medeverdachte 1] . Bij die besprekingen is verdachte, zo heeft [medeverdachte 2] verklaard, aanwezig geweest. Dat verdachte alleen is meegereisd voor de gezelligheid en niet heeft geweten dat er fictieve zendingen naar [bedrijf 1] plaatsvonden, zoals hij zelf heeft verklaard, acht de rechtbank mede in het licht van de hiervoor aangehaalde correspondentie volstrekt ongeloofwaardig.
Naast deze belastende berichten zijn er meer bewijsmiddelen die duiden op wetenschap van, en betrokkenheid bij, de fictieve zendingen en bijbehorende valsheid in geschrifte. Er zijn CMR’s delen 2, 3 en 4 van uitgaande zendingen aangetroffen in de auto van verdachte: zoals hiervoor reeds overwogen hadden die nooit meer in het bezit van [medeverdachte 1] kunnen zijn bij feitelijke verzending van de goederen. Er zijn uitdraaien uit het EMCS-systeem bij verdachte thuis aangetroffen. Er zijn e-mailberichten over de fictieve zendingen die behoren bij de tenlastegelegde valse documenten, verstuurd van en naar het mailadres dat specifiek aan verdachte toebehoorde, [e-mailadres] . Ook is er een opdrachtgever van een fictieve zending die hoort bij een tenlastegelegd vals document, die in zijn e-mailbericht refereert aan een telefoongesprek over de (fictieve) zendingen met “ [verdachte] ”.
Daarnaast is er sprake geweest van omstandigheden binnen het bedrijf die maken dat het niet anders kan dan dat verdachte op de hoogte is geweest van de binnen het bedrijf steeds groter groeiende stroom van fictieve zendingen.
De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] zich zeer structureel en in toenemende mate heeft beziggehouden met het faciliteren van accijnsfraude. Het opmaken van de ten laste gelegde valse documenten heeft daar telkens in besloten gelegen. Op enig punt heeft het frauduleuze proces binnen [medeverdachte 1] zelfs de overhand genomen ten opzichte van de legitieme werkzaamheden, gelet op de verhouding tussen de waargenomen en niet waargenomen vervoersbewegingen binnen de observatieperiode. Terwijl de omzet gigantisch steeg, is de loods of het personeelsbestand niet in (vergelijkbare mate) uitgebreid. Dit moet verdachte, nu hij zicht had op de bankrekeningen van [medeverdachte 1] en hij, zoals hiervoor is overwogen, nog steeds feitelijk als bestuurder en leidinggevende actief was binnen het bedrijf, bekend zijn geweest.
Verdachte heeft ook verklaard dat de aflossingen van de leningen van [medeverdachte 2] aan hem meegroeiden met de door [medeverdachte 1] gerealiseerde omzet. Er vloeide dus ook steeds meer geld naar verdachte toe vanuit [medeverdachte 1] . Daarbij komt nog dat verdachte degene was die wist hoe EMCS werkte en geregeld achter de computer in de loods zat. Tijdens de geobserveerde periode van 15 september 2020 tot en met 11 november 2020 is verdachte twaalf keer met zijn auto het terrein van de loods in Rucphen opgereden. Verdachte moet ook toen zijn geconfronteerd met het feit dat de loods vrijwel leeg moet hebben gestaan in weerwil van de grote activiteit in EMCS. Immers vonden in die gehele periode slechts 35 legitieme vervoersbewegingen plaats terwijl er voor 744 valse vervoersbewegingen valse stukken zijn opgemaakt.
De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat het niet anders kan dan dat ook verdachte wetenschap had van, en betrokkenheid had bij, de fictieve zendingen die van en naar [medeverdachte 1] werden gestuurd, en de valse documenten die in dat kader werden opgemaakt. Dat past naadloos bij de verklaring zoals afgelegd door medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige in de zaak van verdachte, inhoudende dat verdachte op de hoogte is geweest van de fictieve zendingen binnen het bedrijf, en daar net als [medeverdachte 2] aan heeft meegewerkt en mee heeft ingestemd. Zoals hiervoor is overwogen, wordt deze verklaring ook ondersteund door diverse bewijsmiddelen. Dit staat haaks op de verklaring van verdachte dat hij nergens vanaf heeft geweten en nooit iets zou hebben gedaan.
De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte vanaf meet af wetenschap had van het faciliteren van accijnsfraude door [medeverdachte 1] en hierop, samen met [medeverdachte 2] , heeft aangestuurd.
De valsheid in geschrifte, zoals ten laste gelegd onder de feiten 1, 2 en 3, zijn een essentieel onderdeel van die accijnsfraude. Anders gezegd: het plegen van fraude was mogelijk door het opmaken van de genoemde valse documenten. Dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat de opzet van verdachte ook op het feitelijk leidinggeven aan deze valsheden heeft gezien. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, acht de rechtbank niet van belang of uit het dossier blijkt dat verdachte van elke afzonderlijke zending op de hoogte is geweest: het gaat erom dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] leiding heeft gegeven aan een binnen [medeverdachte 1] bestaande “werkstroom” van fictieve zendingen, waar de op de tenlastelegging opgenomen valse documenten onderdeel van uitmaakten. Verdachte heeft geprofiteerd van deze verboden gedragingen en op geen enkel moment maatregelen getroffen om de verboden gedragingen te voorkomen of te beëindigen, terwijl dit wel in zijn macht had gelegen.
Conclusie met betrekking tot het feitelijk leidinggeven door verdachte.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode, samen met [medeverdachte 2] , als feitelijk leidinggever van de hierna bewezenverklaarde verboden gedragingen van [medeverdachte 1] kan worden aangemerkt.

Slotconclusie.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten bewezen zoals hierna zal worden omschreven. De rechtbank komt niet toe aan de subsidiair ten laste gelegde feiten die uitgaan van medeplegen door verdachte.

4.De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 1:
[medeverdachte 1] , op tijdstippen in de periode van 10 september 2018 tot en met 10 maart 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
a.
a) een of meerdere elektronisch(e) administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) met e-AD/ARC nummer/code

20FRG0074000586946417 en/of,

20NL97680492674587535 en/of,

20FRG0074000584843087 en/of,

20NL12919392410772110 en/of,

20NL26717309076647020 en/of,

20NL56390831700445370 en/of,

20NL83300117543365183 en/of,

20FRG0074000588074252 en/of,

18FRG0074000369099998 en/of,

18FRG0074000384357482 en/of,

19FRG0074000439673440 en/of,

19FRG0074000440684400 en/of,
b) een of meerdere Convention Relative au Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven, bestaande uit exemplaar/deel 1 en/of 2 en/of 3 en/of 4 met

als outtake nummer 2697 en ontvanger [bedrijf 3] en/of

als outtake nummer 2699 en ontvanger [bedrijf 3] en/of

als outtake nummer 2799 en ontvanger [bedrijf 1] SL en/of

als outtake nummer 2800 en ontvanger [bedrijf 1] SL, en/of

als outtake nummer 2991 en ontvanger [bedrijf 1] SL, en/of

CMR’s/(internationale) vrachtbrieven met als outtake nummer 2989 en/of 3002 en/of 3003 en ontvanger [bedrijf 4] en/of

CMR’s/(internationale) vrachtbrieven bestemd voor [medeverdachte 1] , gestuurd door [bedrijf 5] en/of
c) een factuur, te weten

een factuur van [medeverdachte 1] aan [naam 3] ,
valselijk hebben opgemaakt en/of doen opmaken,
immers hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk — immers opzettelijk in strijd met de waarheid —)
ad a) deze geschriften opgemaakt/doen opmaken terwijl deze transporten niet hebben plaatsgevonden en/of het transport niet door de aangegeven transporteur is uitgevoerd en/of
ad b) de transporten niet hebben plaatsgevonden en/of
ad c) op deze factuur warehouse handling fees in rekening gebracht
zulks telkens met het oogmerk om voormeld geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken, aan welke verboden gedragingen verdachte (telkens) leiding heeft gegeven.
ten aanzien van feit 2:
[medeverdachte 1] , op tijdstippen in de periode van 10 september 2018 tot en met 10 maart 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] valselijk heeft opgemaakt door een of meerdere valse elektronische administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) en een factuur hier in op te nemen, te weten:
a.
a) een of meerdere elektronisch(e) administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) met e-AD/ARC nummer/code

20FRG0074000586946417 en/of,

20NL97680492674587535 en/of,

20FRG0074000584843087 en/of,

20NL12919392410772110 en/of,

20NL26717309076647020 en/of,

20NL56390831700445370 en/of,

20NL83300117543365183 en/of,

20FRG0074000588074252 en/of,

18FRG0074000369099998 en/of,

18FRG0074000384357482 en/of,

19FRG0074000439673440 en/of,

19FRG0074000440684400 en/of,
c) een factuur, te weten

een factuur van [medeverdachte 1] aan [naam 3] ,
immers hebben verdachte en haar mededaders (telkens) valselijk — immers opzettelijk in strijd met de waarheid —
ad a) deze geschriften opgemaakt/doen opmaken terwijl deze transporten niet hebben plaatsgevonden en/of het transport niet door de aangegeven transporteur is uitgevoerd en/of
ad c) op deze factuur warehouse handling fees in rekening gebracht
zulks (telkens) met het oogmerk om voormeld geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken, aan welke verboden gedragingen verdachte (telkens) leiding heeft gegeven.
ten aanzien van feit 3:
[medeverdachte 1] in de periode van 26 oktober 2018 tot en met 10 maart 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware deze echt en onvervalst, te weten een factuur van [medeverdachte 1] aan [naam 3] bestaande die valsheid hierin dat in strijd met de waarheid op deze factuur warehouse handling fees in rekening zijn gebracht, aan welke verboden gedraging verdachte leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

5.De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
7. De oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
De officier van justitie heeft kenbaar gemaakt voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de volgens de verdediging gestelde beperkte rol van verdachte en met het gegeven dat hij niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast kan verdachte niet gemist worden binnen het door hem gevoerde familiebedrijf, [bedrijf 6]
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten.
[medeverdachte 1] heeft zich als professionele partij in de wereld van de import en export van alcoholische dranken schuldig gemaakt aan het stelselmatig opmaken van valse documenten, de opname van valse documenten in de bedrijfsadministratie en het gebruik maken van valse documenten. Dit is telkens gedaan met het doel om accijnsfraude mogelijk te maken. Europese bedrijven met een vergunning als accijnsgoederenplaats hebben het administratief, in het digitale systeem EMCS, doen voorkomen alsof zij zendingen alcoholhoudende dranken naar [medeverdachte 1] stuurden, waarna [medeverdachte 1] deed alsof zij deze ontving en op haar beurt doorstuurde naar bedrijven met een vergunning als accijnsgoederenplaats elders in Europa, met een (relatief) laag accijnstarief. In realiteit werden de zendingen, waarschijnlijk, afgezet in landen met een (relatief) hoog accijnstarief, zonder dat dat hoge accijnstarief werd betaald. Op zeer geraffineerde wijze en in een omvangrijk internationaal samenwerkingsverband is samengewerkt met diverse Europese bedrijven om de douaneautoriteiten van de verschillende landen te misleiden. Daarbij is telkens misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in vergunninghouders wordt gesteld. Het vrije verkeer van goederen binnen de EU is misbruikt ten behoeve van financieel gewin.
[medeverdachte 1] heeft eraan bijgedragen dat binnen de EU over vele ladingen alcoholische dranken niet het juiste accijnstarief betaald is. Daarmee is het democratisch bepaalde accijnstarief van de desbetreffende lidstaat telkens ondermijnd. Het belang dat deze accijnstarieven dienen, namelijk onder meer om burgers te ontmoedigen (vele) alcoholische dranken te nuttigen, is hier eveneens mee ondermijnd. Ook zijn bonafide bedrijven, die wel steeds het juiste accijnstarief betaalden, door het handelen van verdachte steeds ten onrechte gedwongen om met de prijzen van een frauduleuze partij te concurreren.
In totaal heeft de Belastingdienst voor € 1.101.806,24 naheffingsaanslagen opgelegd aan [medeverdachte 1] . De verdediging heeft aangevoerd dat het uiteindelijk te betalen bedrag wellicht lager zou kunnen uitvallen, omdat er nog procedures lopen. Anderzijds merkt de rechtbank op dat het totale bedrag aan onterecht niet-betaalde accijnzen binnen de Europese Unie (wat door [medeverdachte 1] mede mogelijk is gemaakt) zich moeilijk laat schatten maar logischerwijs veel hoger zal moeten liggen. Gelet op de aard, ernst en duur van de bewezenverklaarde feiten alsmede de mate waarin (internationaal) intensief is samengewerkt kan daarop naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door de officier van justitie en de verdediging is bepleit, niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een straf.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen kleine rol heeft gespeeld in het geheel van de verboden gedragingen van [medeverdachte 1] . Zoals hiervoor uiteen is gezet zijn er vele indicaties dat verdachte, ook na zijn formele uitschrijving als bestuurder, zich volop heeft bemoeid met de bedrijfsvoering van [medeverdachte 1] . Dit betekent ook dat [medeverdachte 1] zich, mede onder leiding van verdachte, steeds meer heeft beziggehouden met het faciliteren van accijnsfraude. Verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor financieel gewin. De rechtbank rekent het verdachte dan ook aan dat hij in toenemende mate fraude heeft gefaciliteerd maar hiervoor ter terechtzitting op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen.
De samenloop van de feiten.
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1, feit 2 en feit 3 zoals deze bewezen zijn verklaard, sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verschillende bewezen verklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen hangen (ook met betrekking tot de desbetreffende wilsbesluiten) zo nauw met elkaar samen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt (het vervalsen, bewaren en gebruiken van documenten ten behoeve van het faciliteren van accijnsfraude). De strekking van de desbetreffende strafbepalingen loopt bovendien niet uiteen.
De overschrijding van de redelijke termijn.
Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het recht van elke verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, is geschonden. De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd in de periode van 10 september 2018 tot en met 10 maart 2021. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop tot aan dit vonnis geheel of gedeeltelijk aan de verdediging is toe te rekenen. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt.
De rechtbank neemt de doorzoekingen op 10 maart 2021 als aanvangsmoment voor de redelijke termijn. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn met 2 jaar, 10 maanden en 25 dagen. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met deze forse termijnoverschrijding.
De persoon van verdachte.
De rechtbank heeft voor wat betreft de persoon van de verdachte acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 10 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de ter terechtzitting door verdachte toegelichte persoonlijke omstandigheden.
De strafmodaliteit.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met de ernst van de gepleegde feiten, de mate waarin internationaal is samengewerkt en het ondermijnende karakter van de gepleegde feiten niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf die vrijheidsbeneming meebrengt. De rechtbank zal bepalen dat een deel van de op te leggen gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil hiermee enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte ter voorkoming van het opnieuw plegen van een strafbaar feit door verdachte.
De straf.
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. Dit betekent dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou het onvoorwaardelijke gedeelte van deze straf twee maanden langer zijn geweest.

8.Het beslag.

De rechtbank zal, zoals door de officier van justitie is gevorderd, de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen.

9.De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
47, 51, 56, 57, 225 van het Wetboek van Strafrecht.

10.DE UITSPRAAK

De rechtbank:
-
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vervolgingten aanzien van onderdelen a) en b) zoals beschreven onder feit 3 van de tenlastelegging;
-
verklaarthet ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
-
verklaartniet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
-
verklaartdat het bewezenverklaarde oplevert
de voortgezette handelingvan de misdrijven:
ten aanzien van feit 1:
feitelijk leidinggeven aan medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon
ten aanzien van feit 2:
feitelijk leidinggeven aan medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon
ten aanzien van feit 3:
feitelijk leidinggeven aan medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in art. 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon
-
verklaartverdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
Een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
-
gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederenzoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen en niet- teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijk beslagtitel van 10 december 2025.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.C. Palmboom, voorzitter,
mr. M. Langstraat en mr. G.F.A.M. de Graauw, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,
en is uitgesproken op 3 februari 2026.
BIJLAGE I: DE TENLASTELEGGING
ten aanzien van feit 1:[medeverdachte 1] , op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 september 2018 tot en met 10 maart 2021 te Rucphen en/of Brielle en/of Tinte en/of Oostvoorne, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
a)
een of meerdere elektronisch(e) administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) met e-AD/ARC nummer/code

20FRG0074000586946417 (DOC-015-01) en/of

20NL97680492674587535 (DOC-026-03) en/of

20FRG0074000584843087 (DOC-027-04) en/of

20NL12919392410772110 (DOC-018-02) en/of

20NL26717309076647020 (DOC-022-02) en/of

20NL56390831700445370 (DOC-021-02) en/of

20NL83300117543365183 (DOC-017-02) en/of

20FRG0074000588074252 (DOC-016-01) en/of

18FRG0074000369099998 (DOC-034-01) en/of

18FRG0074000384357482 (DOC-036-01) en/of

19FRG0074000439673440 (DOC-037-01) en/of

19FRG0074000440684400 (DOC-038-01) en/of

een of meer andere elektronische administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) (zoals beschreven in ZD-001-1)
b)
een of meerdere Convention Relative au Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven, bestaande uit exemplaar/deel 1 en/of 2 en/of 3 en/of 4 met

als outtake nummer 2697 en ontvanger [bedrijf 3] (DOC-060-01, DOC-060-02) en/of

als outtake nummer 2699 en ontvanger [bedrijf 3] (DOC-062-01, DOC-062-02) en/of

als outtake nummer 2799 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-064-01, DOC-064- 02), en/of

als outtake nummer 2800 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-065-01, DOC-065-02), en/of

als outtake nummer 2991 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-069-01, DOC-069-02) en/of

CMR’s/(internationale) vrachtbrieven met als outtake nummer 2989 en/of 3002 en/of 3003 en ontvanger [bedrijf 4] (DOC-058-01) en/of

CMR’s/(internationale) vrachtbrieven bestemd voor [medeverdachte 1] , gestuurd door [bedrijf 5] (DOC-038-16) en/of

een of meer andere Convention Relative au Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven (zoals beschreven in ZD-001-01 en AMB-031-01)
c)
een (of meerdere) factu(u)r(en) te weten

een (of meerdere( factu(u)r(en) van [naam 1] , te weten DOC-060-03 en/of DOC-061-03 en/of DOC-062-03) en/of

een (of meerdere) factu(u)r(en) van [bedrijf 1] SL, te weten DOC-063-03 en/of DOC-064-03 en/of DOC-065-03 en/of DOC-066-03 en/of DOC-067-03 en/of DOC- 068-03 en/of DOC-069-03 en/of

een (of meerdere) factu(u)r(en) van [medeverdachte 1] aan [naam 3] , te weten DOC-035-08

een (of meerdere) andere factu(u)r(en) (zoals beschreven in ZD-001-01 en/of AMB-031-01)
valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben doen opmaken en/of heeft/hebben vervalst en/of heeft/hebben doen vervalsen immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk — immers opzettelijk in strijd met de waarheid —
ad a) deze geschriften opgemaakt/doen opmaken terwijl deze transporten niet hebben plaatsgevonden en/of niet zijn aangekomen/ontvangen op de in het document aangegeven plaats van bestemming en/of het transport niet door de aangegeven transporteur is uitgevoerd en/of
ad b) dat deze geschriften niet voor ontvangst zijn ondertekend door de ontvanger van de goederen en/of het transport niet hebben begeleid en/of de transporten niet hebben plaatsgevonden en/of
ad c) dat op deze factu(u)r(en) taxes en/of servicekosten en/of beheerskosten en/of warehouse handling fees en/of importkosten en/of leveringskosten in rekening zijn gebracht zulks (telkens) met het oogmerk om voormeld(e) geschrift (en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit (en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) leiding heeft gegeven
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
Hij, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 september 2018 tot en met 10 maart 2021 te Rucphen en/of Brielle en/of Tinte en/of Oostvoorne, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
a)
een of meerdere elektronisch(e) administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) met e-AD/ARC nummer/code

20FRG0074000586946417 (DOC-015-01) en/of

20NL97680492674587535 (DOC-026-03) en/of

20FRG0074000584843087 (DOC-027-04) en/of

20NL12919392410772110 (DOC-018-02) en/of

20NL26717309076647020 (DOC-022-02) en/of

20NL56390831700445370 (DOC-021-02) en/of

20NL83300117543365183 (DOC-017-02) en/of

20FRG0074000588074252 (DOC-016-01) en/of

18FRG0074000369099998 (DOC-034-01) en/of

18FRG0074000384357482 (DOC-036-01) en/of

19FRG0074000439673440 (DOC-037-01) en/of

19FRG0074000440684400 (DOC-038-01) en/of

een of meer andere elektronische administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) (zoals beschreven in ZD-001-1);
b)
een of meerdere Convention Relative au Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven, bestaande uit exemplaar/deel 1 en/of 2 en/of 3 en/of 4 met

als outtake nummer 2697 en ontvanger [bedrijf 3] (DOC-060-01, DOC-060-02) en/of

als outtake nummer 2699 en ontvanger [bedrijf 3] (DOC-062-01, DOC-062-02) en/of

als outtake nummer 2799 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-064-01, DOC-064- 02), en/of

als outtake nummer 2800 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-065-01, DOC-065- 02), en/of

als outtake nummer 2991 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-069-01, DOC-069-02) en/of

CMR’s/(internationale) vrachtbrieven met als outtake nummer 2989 en/of 3002 en/of 3003 en ontvanger [bedrijf 4] (DOC-058-01) en/of CMR’s/(internationale) vrachtbrieven bestemd voor [medeverdachte 1] , gestuurd door [bedrijf 5] (DOC-038-16) en/of

een of meer andere Convention Relative au Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven (zoals beschreven in ZD-001-01 en AMB-031-01)
c)
een (of meerdere) factu(u)r(en) te weten

een (of meerdere( factu(u)r(en) van [naam 1] , te weten DOC-060-03 en/of DOC-061-03 en/of DOC-062-03) en/of

een (of meerdere) factu(u)r(en) van [bedrijf 1] SL, te weten DOC-063-03 en/of DOC-064-03 en/of DOC-065-03 en/of DOC-066-03 en/of DOC-067-03 en/of DOC- 068-03 en/of DOC-069-03 en/of

een (of meerdere) factu(u)r(en) van [medeverdachte 1] aan [naam 3] , te weten DOC-035-08 een (of meerdere) andere factu(u)r(en) (zoals beschreven in ZD-001-01 en/of AMB-031-01)
valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben doen opmaken en/of heeft/hebben vervalst en/of heeft/hebben doen vervalsen immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk — immers opzettelijk in strijd met de waarheid —
ad a) deze geschriften opgemaakt/doen opmaken terwijl deze transporten niet hebben plaatsgevonden en/of niet zijn aangekomen/ontvangen op de in het document aangegeven plaats van bestemming en/of het transport niet door de aangegeven transporteur is uitgevoerd en/of
ad b) dat deze geschriften niet voor ontvangst zijn ondertekend door de ontvanger van de goederen en/of het transport niet hebben begeleid en/of de transporten niet hebben plaatsgevonden en/of
ad c) dat op deze factu(u)r(en) taxes en/of servicekosten en/of beheerskosten en/of warehouse handling fees en/of importkosten en/of leveringskosten in rekening zijn gebracht zulks (telkens) met het oogmerk om voormeld(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken
Ten aanzien van feit 2:
[medeverdachte 1] , op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 september 2018 tot en met 10 maart 2021 te Rücphen en/of Brielle en/of Tinte en/of Oostvoorne, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de (bedrijfs)administratie van [medeverdachte 1] valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken door een of meerdere valse en/of vervalste elektronische administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) en/of CMR's/(internationale) vrachtbrieven en/of factu(u)r(en) hier in op te nemen en/of doen opnemen, te weten:
a)
een of meerdere elektronisch(e) administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) met e-AD/ARC nummer/code

20FRG0074000586946417 (DOC-015-01) en/of

20NL97680492674587535 (DOC-026-03) en/of

20FRG0074000584843087 (DOC-027-04) en/of

20NL12919392410772110 (DOC-018-02) en/of

20NL26717309076647020 (DOC-022-02) en/of

20NL56390831700445370 (DOC-021-02) en/of

20NL83300117543365183 (DOC-017-02) en/of

20FRG0074000588074252 (DOC-016-01) en/of

18FRG0074000369099998 (DOC-034-01) en/of

18FRG0074000384357482 (DOC-036-01) en/of

19FRG0074000439673440 (DOC-037-01) en/of

19FRG0074000440684400 (DOC-038-01) en/of

een of meer andere elektronische administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) (zoals beschreven in ZD-001-1)
b)
een of meerdere Convention Relative au Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven, bestaande uit exemplaar/deel 1 en/of 2 en/of 3 en/of 4 met

als outtake nummer 2697 en ontvanger [bedrijf 3] (DOC-060-01, DOC-060-02) en/of

als outtake nummer 2699 en ontvanger [bedrijf 3] (DOC-062-01, DOC-062-02) en/of

als outtake nummer 2799 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-064-01, DOC-064-02), en/of

als outtake nummer 2800 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-065-01, DOC-065-02), en/of

als outtake nummer 2991 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-069-01, DOC-069-02) en/of

CMR’s/(internationale) vrachtbrieven met als outtake nummer 2989 en/of 3002 en/of 3003 en ontvanger [bedrijf 4] (DOC-058-01) en/of

CMR’s/(internationale) vrachtbrieven bestemd voor [medeverdachte 1] , gestuurd door [bedrijf 5] (DOC-038-16) en/of

een of meer andere Convention Relative au Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven (zoals beschreven in ZD-001-01 en AMB-031-01)
c)
een (of meerdere) factu(u)r(en) te weten

een (of meerdere( factu(u)r(en) van [naam 1] , te weten DOC-060-03 en/of DOC-061-03 en/of DOC-062-03) en/of

een (of meerdere) factu(u)r(en) van [bedrijf 1] SL, te weten DOC-063-03 en/of DOC-064-03 en/of DOC-065-03 en/of DOC-066-03 en/of DOC-067-03 en/of DOC-068-03 en/of DOC-069-03 en/of

een (of meerdere) factu(u)r(en) van [medeverdachte 1] aan [naam 3] , te weten DOC-035-08

een (of meerdere) andere factu(u)r(en) (zoals beschreven in ZD-001-01 en/of AMB-031-01)
immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk — immers opzettelijk in strijd met de waarheid —
ad a) deze geschriften opgemaakt/doen opmaken terwijl deze transporten niet hebben plaatsgevonden en/of niet zijn aangekomen/ontvangen op de in het document aangegeven plaats van bestemming en/of het transport niet door de aangegeven transporteur is uitgevoerd en/of
ad b) dat deze geschriften niet voor ontvangst zijn ondertekend door de ontvanger van de goederen en/of het transport niet hebben begeleid en/of de transporten niet hebben plaatsgevonden en/of
ad c) dat op deze factu(u)r(en) taxes en/of servicekosten en/of beheerskosten en/of warehouse handling fees en/of importkosten en/of leveringskosten in rekening zijn gebracht zulks (telkens) met het oogmerk om voormeld(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) leiding heeft gegeven
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
Hij, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 september 2018 tot en met 10 maart 2021 te Rucphen en/of Brielle en/of Tinte en/of Oostvoorne, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te
dienen, te weten de (bedrijfs)administratie van [medeverdachte 1] valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken door een of meerdere valse en/of vervalste elektronische administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) en/of CMR's/(internationale) vrachtbrieven en/of factu(u)r(en) hier in op te nemen en/of doen opnemen, te weten:
a)
een of meerdere elektronisch(e) administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) met e-AD/ARC nummer/code

20FRG0074000586946417 (DOC-015-01) en/of

20NL97680492674587535 (DOC-026-03) en/of

20FRG0074000584843087 (DOC-027-04) en/of

20NL12919392410772110 (DOC-018-02) en/of

20NL26717309076647020 (DOC-022-02) en/of

20NL56390831700445370 (DOC-021-02) en/of

20NL83300117543365183 (DOC-017-02) en/of

20FRG0074000588074252 (DOC-016-01) en/of

18FRG0074000369099998 (DOC-034-01) en/of

18FRG0074000384357482 (DOC-036-01) en/of

19FRG0074000439673440 (DOC-037-01) en/of

19FRG0074000440684400 (DOC-038-01) en/of

een of meer andere elektronische administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) (zoals beschreven in ZD-001-1)
b)
een of meerdere Convention Relative au Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven, bestaande uit exemplaar/deel 1 en/of 2 en/of 3 en/of 4 met

als outtake nummer 2697 en ontvanger [bedrijf 3] (DOC-060-01, DOC-060-02) en/of

als outtake nummer 2699 en ontvanger [bedrijf 3] (DOC-062-01, DOC-062-02) en/of

als outtake nummer 2799 en ontvanger [bedrijf 1] (DOC-064-01, DOC-064- 02), en/of

als outtake nummer 2800 en ontvanger [bedrijf 1] (DOC-065-01, DOC-065- 02), en/of

als outtake nummer 2991 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-069-01, DOC-069-02) en/of

CMR's/(internationale) vrachtbrieven met als outtake nummer 2989 en/of 3002 en/of 3003 en ontvanger [bedrijf 4] (DOC-058-01) en/of

CMR’s/(internationale) vrachtbrieven bestemd voor [medeverdachte 1] , gestuurd door [bedrijf 5] (DOC-038-16) en/of een of meer andere Convention Relative au Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven (zoals beschreven in ZD-001-01 en AMB-031-01)
c)
een (of meerdere) factu(u)r(en) te weten

een (of meerdere( factu(u)r(en) van [naam 1] , te weten DOC-060-03 en/of DOC-061-03 en/of DOC-062-03) en/of

een (of meerdere) factu(u)r(en) van [bedrijf 1] SL, te weten DOC-063-03 en/of DOC-064-03 en/of DOC-065-03 en/of DOC-066-03 en/of DOC-067-03 en/of DOC- 068-03 en/of DOC-069-03 en/of

een (of meerdere) factu(u)r(en) van [medeverdachte 1] aan [naam 3] , te weten DOC-035-08

een (of meerdere) andere factu(u)r(en) (zoals beschreven in ZD-001-01 en/of AMB-031-01)
immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk — immers opzettelijk in strijd met de waarheid —
ad a) deze geschriften opgemaakt/doen opmaken terwijl deze transporten niet hebben plaatsgevonden en/of niet zijn aangekomen/ontvangen op de in het document aangegeven plaats van bestemming en/of het transport niet door de aangegeven transporteur is uitgevoerd en/of
ad b) dat deze geschriften niet voor ontvangst zijn ondertekend door de ontvanger van de goederen en/of het transport niet hebben begeleid en/of de transporten niet hebben plaatsgevonden en/of
ad c) dat op deze factu(u)r(en) taxes en/of servicekosten en/of beheerskosten en/of warehouse handling fees en/of importkosten en/of leveringskosten in rekening zijn gebracht
zulks (telkens) met het oogmerk om voormeld (e) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken
ten aanzien van feit 3:
[medeverdachte 1] , op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 september 2018 tot en met 10 maart 2021 te Rucphen en/of Brielle en/of Tinte en/of Oostvoorne, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware deze echt en onvervalst door
a)
een of meerdere elektronisch(e) administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) met e-AD/ARC nummer/code

20FRG0074000586946417 (DOC-015-01) en/of

20NL97680492674587535 (DOC-026-03) en/of

20FRG0074000584843087 (DOC-027-04) en/of

20NL12919392410772110 (DOC-018-02) en/of

20NL26717309076647020 (DOC-022-02) en/of

20NL56390831700445370 (DOC-021-02) en/of

20NL83300117543365183 (DOC-017-02) en/of

20FRG0074000588074252 (DOC-016-01) en/of

18FRG0074000369099998 (DOC-034-01) en/of

18FRG0074000384357482 (DOC-036-01) en/of

19FRG0074000439673440 (DOC-037-01) en/of

19FRG0074000440684400 (DOC-038-01) en/of

een of meer andere elektronische administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) (zoals beschreven in ZD-001-1)
b)
een of meerdere Convention Relative an Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven, bestaande uit exemplaar/deel 1 en/of 2 en/of 3 en/of 4 met

als outtake nummer 2697 en ontvanger [bedrijf 3] (DOC-060-01, DOC-060-02) en/of

als outtake nummer 2699 en ontvanger [bedrijf 3] (DOC-062-01, DOC-062-02) en/of

als outtake nummer 2799 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-064-01, DOC-064- 02), en/of

als outtake nummer 2800 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-065-01, DOC-065- 02), en/of

als outtake nummer 2991 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-069-01, DOC-069-02) en/of

CMR’s/(internationale) vrachtbrieven met als outtake nummer 2989 en/of 3002 en/of 3003 en ontvanger [bedrijf 4] (DOC-058-01) en/of

CMR’s/(internationale) vrachtbrieven bestemd voor [medeverdachte 1] , gestuurd door [bedrijf 5] (DOC-038-16) en/of

een of meer andere Convention Relative au Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven (zoals beschreven in ZD-001-01 en AMB-031-01)
c) een (of meerdere) factu(u)r(en) te weten

een (of meerdere( factu(u)r(en) van [naam 1] , te weten DOC-060-03 en/of DOC-061-03 en/of DOC-062-03) en/of

een (of meerdere) factu(u)r(en) van [bedrijf 1] SL, te weten DOC-063-03 en/of DOC-064-03 en/of DOC-065-03 en/of DOC-066-03 en/of DOC-067-03 en/of DOC- 068-03 en/of DOC-069-03 en/of

een (of meerdere) factu(u)r(en) van [medeverdachte 1] aan [naam 3] , te weten DOC-035-08

een (of meerdere) andere factu(u)r(en) (zoals beschreven in ZD-001-01 en/of AMB-031-01)
heeft/hebben afgeleverd aan de Douane en/of Belastingdienst en/of voorhanden, heeft/hebben gehad bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin dat in strijd met de waarheid
ad a) deze transporten niet hebben plaatsgevonden en/of niet zijn aangekomen/ontvangen op de in het document aangegeven plaats van bestemming en/of het transport niet door de aangegeven transporteur is uitgevoerd en/of
ad b) dat deze geschriften niet voor ontvangst zijn ondertekend door de ontvanger van de goederen en/of het transport niet hebben begeleid en/of de transporten niet hebben plaatsgevonden en/of
ad c) dat op deze factu(u)r(en) taxes en/of servicekosten en/of beheerskosten en/of warehouse handling fees en/of importkosten en/of leveringskosten in rekening zijn gebracht
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) leiding heeft gegeven
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
Hij, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 september 2018 tot en met 10 maart 2021 te Rucphen en/of Brielle en/of Tinte en/of Oostvoorne, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware deze echt en onvervalst door
a)
een of meerdere elektronisch(e) administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) met e-AD/ARC nummer/code

20FRG0074000586946417 (DOC-015-01) en/of

20NL97680492674587535 (DOC-026-03) en/of

20FRG0074000584843087 (DOC-027-04) en/of

20NL12919392410772110 (DOC-018-02) en/of

20NL26717309076647020 (DOC-022-02) en/of

20NL56390831700445370 (DOC-021-02) en/of

20NL83300117543365183 (DOC-017-02) en/of

20FRG0074000588074252 (DOC-016-01) en/of

18FRG0074000369099998 (DOC-034-01) en/of

18FRG0074000384357482 (DOC-036-01) en/of

19FRG0074000439673440 (DOC-037-01) en/of

19FRG0074000440684400 (DOC-038-01) en/of

een of meer andere elektronische administratieve document(en) (e-AD) en/of elektronisch(e) accijns geleide document(en) (zoals beschreven in ZD-001-1)
b)
een of meerdere Convention Relative au Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven, bestaande uit exemplaar/deel 1 en/of 2 en/of 3 en/of 4 met

als outtake nummer 2697 en ontvanger [bedrijf 3] (DOC-060-01, DOC-060-02) en/of

als outtake nummer 2699 en ontvanger [bedrijf 3] (DOC-062-01, DOC-062-02) en/of

als outtake nummer 2799 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-064-01, DOC-064- 02), en/of

als outtake nummer 2800 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-065-01, DOC-065- 02), en/of

als outtake nummer 2991 en ontvanger [bedrijf 1] SL (DOC-069-01, DOC-069-02) en/of

CMR’s/(internationale) vrachtbrieven met als outtake nummer 2989 en/of 3002 en/of 3003 en ontvanger [bedrijf 4] (DOC-058-01) en/of

CMR's/(internationale) vrachtbrieven bestemd voor [medeverdachte 1] , gestuurd door [bedrijf 5] (DOC-038-16) en/of

een of meer andere Convention Relative au Contrat de Transport International de Merchandises par Route (CMR) (internationale) vrachtbrieven (zoals beschreven in ZD-001-01 en AMB-031-01)
c) een (of meerdere) factu(u)r(en) te weten

een (of meerdere( factu(u)r(en) van [naam 1] , te weten DOC-060-03 en/of DOC-061-03 en/of DOC-062-03) en/of

een (of meerdere) factu(u)r(en) van [bedrijf 1] SL, te weten DOC-063-03 en/of DOC-064-03 en/of DOC-065-03 en/of DOC-066-03 en/of DOC-067-03 en/of DOC-068-03 en/of DOC-069-03 en/of

een (of meerdere) factu(u)r(en) van [medeverdachte 1] aan [naam 3] , te weten DOC-035-08

een (of meerdere) andere factu(u)r(en) (zoals beschreven in ZD-001-01 en/of AMB-031-01)
heeft/hebben afgeleverd aan de Douane en/of Belastingdienst en/of voorhanden heeft/hebben gehad bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin dat in strijd met de waarheid
ad a) deze transporten niet hebben plaatsgevonden en/of niet zijn aangekomen/ontvangen op de in het document aangegeven plaats van bestemming en/of het transport niet door de aangegeven transporteur is uitgevoerd en/of
ad b) dat deze geschriften niet voor ontvangst zijn ondertekend door de ontvanger van de goederen en/of het transport niet hebben begeleid en/of de transporten niet hebben plaatsgevonden en/of
ad c) dat op deze factu(u)r(en) taxes en/of servicekosten en/of beheerskosten en/of warehouse handling fees en/of importkosten en/of leveringskosten in rekening zijn gebracht