ECLI:NL:RBOBR:2026:703

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
01/022324-25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 6 WVW 1994Art. 7 WVW 1994Art. 8 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens roekeloos rijgedrag met ongeval en weigering ademonderzoek

Op 23 februari 2024 veroorzaakte verdachte een verkeersongeval op de Raambrug te Bladel door roekeloos rijgedrag onder invloed van alcohol, waarbij hij op de verkeerde weghelft reed en frontaal botste op een tegemoetkomend voertuig. Mevrouw slachtoffer 1 liep letsel op waardoor zij tijdelijk haar normale bezigheden niet kon uitvoeren en nog steeds klachten heeft. Verdachte weigerde medewerking aan een ademonderzoek en reed zonder geldig rijbewijs. Na het ongeval verliet hij de plaats zonder zijn gegevens achter te laten.

De rechtbank achtte verdachte wettig en overtuigend schuldig aan roekeloos rijden met letsel, weigering ademonderzoek, rijden zonder geldig rijbewijs en het verlaten van de plaats van het ongeval. Verdachte toonde een stuitend gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, mede gezien eerdere veroordelingen binnen de proeftijd. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 8 maanden op, met aftrek van voorarrest, en een rijontzegging van 3 jaar.

De vorderingen van de benadeelde partijen werden gedeeltelijk toegewezen: materiële schadevergoeding van respectievelijk €360,43 en €376,81, vermeerderd met wettelijke rente. Immateriële schadevorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard en dienen bij de burgerlijke rechter te worden ingediend. De rechtbank legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op ten behoeve van de Staat.

De uitspraak benadrukt de ernst van het gedrag van verdachte en het belang van normhandhaving in het verkeer, waarbij de straf hoger is dan de eis van de officier van justitie vanwege de kwalificatie van roekeloosheid.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf en 3 jaar rijontzegging wegens roekeloos rijden met letsel en overige verkeersovertredingen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.022324.25
Datum uitspraak: 04 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1980] ,
gebruikmakende van postadres [adres] .
Dit vonnis is bij op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 oktober 2025 en 21 januari 2026.
Verdachte is op 30 oktober 2025 ter terechtzitting verschenen. Het onderzoek ter terechtzitting is destijds in het verdedigingsbelang geschorst en verdachte is aangezegd om zonder nadere oproeping op 21 januari 2026 aanwezig te zijn. Verdachte is op 21 januari 2026 niet ter terechtzitting verschenen en heeft zijn raadsvrouw niet gemachtigd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 september 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
hij, op of omstreeks 23 februari 2024, te Bladel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Raambrug
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
-te rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en/of (aldus) door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (voorlopig) ongeschikt is bevonden om een voertuig te besturen,
- te rijden na het gebruik van alcohol,
- (plotseling) naar links uit te wijken,
- (vervolgens) geheel of gedeeltelijk te rijden op de voor hem tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg en/of
- (vervolgens) tegen een tegemoetkomende personenauto te botsen/rijden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten ingezakte rugwervels, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair:
hij op of omstreeks 23 februari 2024 te Bladel als bestuurder van een voertuig (personenauto),
daarmee rijdende op de weg, Raambrug,
- heeft gereden met een ongeldig verklaard rijbewijs en/of (aldus) door het Centraal Bureau

Rijvaardigheidsbewijzen (voorlopig) ongeschikt is bevonden om een voertuig te besturen,

- heeft gereden na het gebruik van alcohol,
- (plotseling) naar links heeft uitgeweken,
- (vervolgens) geheel of gedeeltelijk heeft gereden op de voor hem tegemoetkomend verkeer

bestemde weggedeelte van die weg en/of

- (vervolgens) tegen een tegemoetkomende personenauto heeft gebotst/gereden, door welke
gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden
veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd
T.a.v. feit 2:
hij, op of omstreeks 23 februari 2024, te Eindhoven, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;
T.a.v. feit 3:
hij, op of omstreeks 23 februari 2024, te Bladel, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Raambrug, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
T.a.v. feit 4:
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Bladel op/aan Raambrug, op of omstreeks 23 februari 2024
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] )
letsel en/of schade was toegebracht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de bestuurder was van de bij het ongeval betrokken Skoda Fabia en dat de feiten 1 primair
(zeer onvoorzichtig rijgedrag), 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het oordeel van de rechtbank.
Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Feiten en omstandigheden.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 23 februari 2024 vindt een ongeval plaats op de Raambrug te Bladel. Bij dit ongeval zijn twee personenauto’s betrokken. Een Skoda Fabia met een Pools kenteken en een personenauto bestuurd door de heer [slachtoffer 2] , met mevrouw [slachtoffer 1] als passagier.
De Skoda staat voorafgaand aan het ongeval bij een kruising voorgesorteerd voor een afslag naar links. Nadat de verkeerslichten op groen springen, slaat de Skoda niet linksaf maar rijdt deze rechtdoor de kruising over. Op de Raambrug wijkt de Skoda plotseling uit naar links. Hierdoor rijdt de Skoda op de verkeerde weghelft, die voor hem tegemoetkomend verkeer bestemd is. De Skoda raakt vervolgens met het voertuig een stoeprand, slingert terug de weg op en rijdt frontaal op een tegemoetkomend voertuig met daarin de heer [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 1] .
Als gevolg van de frontale botsing heeft de heer [slachtoffer 2] kneuzingen aan de ribben en pols, een hersenschudding en een blauwe plek op het achterhoofd. Mevrouw [slachtoffer 1] heeft een kneuzing aan de ribben. Ook blijkt uit medisch onderzoek dat mevrouw [slachtoffer 1] twee ingezakte ruggenwervels heeft, maar niet kan worden vastgesteld of deze zijn veroorzaakt door het ongeval. Vijftien maanden na het ongeval heeft mevrouw [slachtoffer 1] nog steeds last van haar rug. Ze kan niet meer de dingen (zoals het huishouden of een fietsvakantie) doen die ze voor de aanrijding wel kon doen. Ook heeft mevrouw [slachtoffer 1] enkele maanden last gehad van herbelevingen. Hiervoor heeft ze EMDR-behandelingen bij een psycholoog gevolgd, met als doel om weer zelfstandig auto te kunnen rijden.
Getuigen wijzen verdachte aan als de bestuurder van de Skoda. Meerdere getuigen benoemen dat zij een alcohollucht rond verdachte roken en ook dat hij onvast ter been was en zwierend weg liep. Na het ongeval is verdachte het nabijgelegen industrieterrein opgelopen. Hij heeft daarbij geen persoonsgegevens achtergelaten. Later heeft een verbalisant verdachte zien lopen en is de verbalisant naar hem toegelopen. Verdachte ontkent de bestuurder van de Skoda Fabia te zijn geweest. In de Skoda Fabia wordt een poststuk op naam van verdachte aangetroffen.
Verbalisanten constateren vervolgens dat verdachte onvast ter been is, dat hij naar alcoholhoudende drank ruikt, dat hij bloeddoorlopen ogen heeft en dat hij met een dubbele tong spreekt. Ter plekke is verdachte gevorderd en vervolgens bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994. Tevens is aan verdachte meegedeeld dat hij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten dienste van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Vervolgens is de verdachte medegedeeld, dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert. Verdachte heeft geen gevolg aan dit bevel gegeven en heeft de ademanalyse geweigerd.
Verdachte was in het bezit van een rijbewijs, afgegeven in Groot-Brittannië. Medio 2021 is er een vordering geweest met betrekking tot het rijbewijs, waarvoor verdachte mee moest werken aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik en de daarmee samenhangende kosten moest voldoen. Verdachte heeft niet volledig aan die verplichting voldaan. Verdachte heeft hij in het politieverhoor verklaard dat hij niet over een geldig rijbewijs beschikt.
De rechtbank zal deze feiten en omstandigheden als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de bewijsvraag. Daar wordt hierna per feit op ingegaan.
Feit 1: veroorzaken verkeersongeval.
Bestuurder
De rechtbank is van oordeel dat verdachte de bestuurder was van de bij het ongeval betrokken Skoda Fabia. Hoewel verdachte heeft verklaard dat ‘een vriend’ van hem het voertuig zou hebben bestuurd, vindt dat geen steun in de bewijsmiddelen. Uit de ter terechtzitting besproken camerabeelden volgt dat er één persoon in het voertuig aanwezig was. Een verbalisant heeft de foto die van verdachte op het politiebureau is gemaakt gelegd naast de camerabeelden waarop de bestuurder van de Skoda Fabia te zien is en heeft geconstateerd dat het om dezelfde persoon gaat. Ook hebben de slachtoffers en omstanders verklaard dat zij verdachte uit de auto zagen stappen. Tot slot is er in het voertuig een brief aangetroffen met daarop de persoonsgegevens van verdachte. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte de bestuurder was van het voertuig.
Schuldvraag
De rechtbank is van oordeel dat verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van het ongeval op 23 februari 2024 en dat deze schuld bestaat uit roekeloosheid. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
In het algemeen geldt dat onder 'schuld' als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in Pro samenhang met artikel 6 WVW Pro 1994 is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW 1994 kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW 1994 beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft".
a. Schending van de verkeersregels.
Verdachte heeft één van de in artikel 5a WVW 1994 genoemde verkeersregel overtreden. Verdachte heeft tegen de verkeersrichting ingereden.
In welke mate verdachte onder invloed was van alcohol is niet vast komen te staan, omdat bij verdachte geen ademanalyse is afgenomen. Dat verdachte onder invloed van alcohol was, staat naar het oordeel van de rechtbank echter wel vast, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van alcoholgebruik die door diverse personen bij verdachte is waargenomen, de waargenomen alcohollucht en het feit dat hij een ademanalyse heeft geweigerd. Dit alcoholgebruik draagt bij aan de ernst van de overtreding van de verkeersregels.
b. In ernstige mate.
Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Verdachte heeft onder invloed van alcohol tegen het verkeer ingereden, een stoep geraakt en geslingerd over de weg. Vanwege het hiervoor omschreven samenstel van gedragingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden.
c. Opzettelijk.
Voor een overtreding van artikel 5a WVW moet het opzet van verdachte zowel gericht zijn op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Daarbij moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.
Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet heeft gereden. Zodoende is uit de verklaring van verdachte niet af te leiden of hij opzettelijk de verkeersregels schond.
De rechtbank leidt uit het gedrag van verdachte voorafgaand aan het ongeval af dat hij zich weinig om de verkeersregels bekommerde. Zo reed hij rechtdoor een kruising over, terwijl hij voorgesorteerd stond op een rijstrook naar links. Gelet op de aard en de ernst van de hiervoor genoemde verkeersovertreding van het tegen de verkeersrichting in rijden, zijn daarbij slingerende rijgedrag, het niet afremmen en het frontaal op een andere auto rijden, in combinatie met de staat waarin verdachte verkeerde zoals bedoeld in artikel 8 WVW Pro, is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet had op het overtreden van de verkeersregels en zich bovendien bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn handelen een ernstige schendig van de verkeersregels tot gevolg zal hebben, maar dat hij deze kans op de koop heeft toegenomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat opzet aanwezig was voor het schenden van de verkeersregels en om dit in ernstige mate te doen.
d. Gevaar te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
Door de gedragingen van verdachte was gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten. Verdachte reed op een openbare weg, week plotseling naar links uit en reed verder op de voor hem tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte, terwijl hij kon zien dat daarop andere weggebruikers reden. Hij is vervolgens niet uitgeweken voor hem tegemoetkomend verkeer en heeft ook niet geremd. Een frontale botsing waarbij gevaar te duchten was voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen was dan ook te verwachten.
Dat de slachtoffers niet daadwerkelijk het leven hebben gelaten of dat zij geen zwaar lichamelijk letsel aan de frontale botsing hebben overgehouden, maakt het oordeel niet anders.
Letsel
De mate van letsel is echter wel van belang voor de toepassing van artikel 6 WVW Pro. De rechtbank is, gelet op de hiervoor omschreven klachten van mevrouw [slachtoffer 1] , van oordeel dat door het verkeersongeval mevrouw [slachtoffer 1] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Conclusie ten aanzien van feit 1.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezenverklaard.
Feit 2: Weigeren meewerken ademanalyse.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verbalisanten bij de aanhouding van verdachte zagen dat hij onvast ter been was, dat zij een alcoholgeur bij hem roken en dat zij zagen dat hij bloeddoorlopen ogen had.
Verdachte is gevorderd en later bevolen mee te werken aan een ademanalyse, waarbij ook is medegedeeld dat het weigeren hiervan een misdrijf oplevert. Vast staat dat verdachte niet heeft meegewerkt aan een ademanalyse. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een bevel om zich te onderwerpen aan een ademanalyse als bedoeld in artikel 163 lid 2 WVW Pro.
Gelet hierop acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezenverklaard.
Feit 3: rijden met ongeldig verklaard rijbewijs.
Het CBR heeft op 30 september 2021 een aangetekende brief aan verdachte verzonden, waarin staat dat zijn rijbewijs per 7 oktober 2021 ongeldig is verklaard. Verdachte heeft in zijn verhoor ook verklaard dat hij niet over een geldig rijbewijs beschikt. Gelet hierop acht de rechtbank het onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4: Verlaten plaats van ongeval.
Uit de verklaringen van slachtoffers en omstanders volgt dat verdachte na het ongeval is weggelopen zonder zijn persoonsgegevens achter te laten. Verbalisanten hebben verdachte later in de buurt van het ongeval zien lopen en hem aangesproken. Verdachte heeft op dat moment ontkend dat hij de bestuurder van de Skoda Fabia was.
Gelet op de frontale botsing en de schade die daardoor is ontstaan aan de voertuigen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat een ander gewond was geraakt en/of dat schade was toegebracht bij het ongeval. Feit 4 acht de rechtbank daarom ook wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezenverklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1 primair:
op 23 februari 2024, te Bladel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Raambrug,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,
-te rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en aldus door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (voorlopig) ongeschikt is bevonden om een voertuig te besturen,
- te rijden na het gebruik van alcohol,
- plotseling naar links uit te wijken,
- vervolgens geheel te rijden op de voor hem tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg en
- vervolgens tegen een tegemoetkomende personenauto te rijden,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

T.a.v. feit 2:
op 23 februari 2024, in Nederland als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
T.a.v. feit 3:
op 23 februari 2024, te Bladel, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Raambrug, als bestuurder een motorrijtuig (personenauto) van die categorie heeft bestuurd.
T.a.v. feit 4:
als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Bladel op Raambrug, op 23 februari 2024
de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan een ander te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] letsel en/of schade was toegebracht.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft op 23 februari 2024 als bestuurder van een auto een verkeersongeval veroorzaakt dat aan zijn roekeloosheid te wijten is. Door zijn gedrag in het verkeer heeft verdachte de verkeersveiligheid zeer ernstig in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. Verdachte is immers, zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs en onder invloed van alcohol, plotseling op de verkeerde weghelft gaan rijden en vervolgens tegen de hem tegemoetkomende auto met daarin de twee slachtoffers gereden. Eén van de slachtoffers heeft daarbij dusdanig letsel opgelopen dat zij tijdelijk haar normale dagelijkse bezigheden niet kon uitvoeren. Uit de door het slachtoffer afgelegde slachtofferverklaring bleek dat zij tot op heden nog last heeft van de psychische gevolgen van het ongeval en van rugpijn, zodat zij nog dagelijks wordt herinnerd aan het ongeval. Het andere slachtoffer hield hier een gekneusde ribben en een gekneusde pols aan over.
De persoon van verdachte
Na het veroorzaken van het ongeval heeft verdachte die plek verlaten. Verdachte heeft zich agressief opgesteld tegenover de politie en ontkende de bestuurder van de auto te zijn geweest. Dit terwijl door de slachtoffers en een getuige ter plaatse het tegendeel werd aangegeven. Verdachte heeft op geen enkel moment zijn verantwoordelijkheid richting de slachtoffers genomen.
Op 17 maart 2022 werd verdachte door de politierechter veroordeeld vanwege het weigeren mee te werken aan een ademonderzoek. Verdachte kreeg toen onder meer een gedeeltelijk voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd. De feiten waarvoor verdachte nu wordt veroordeeld zijn gepleegd binnen de proeftijd van dat vonnis. De politierechter heeft verdachte op 21 april 2023 schuldig verklaard aan het rijden onder invloed.
De rechtbank maakt zich ernstig zorgen over het feit dat verdachte zich door een ongeldig verklaring van zijn rijbewijs en eerdere veroordelingen voor vergelijkbare feiten niet heeft laten weerhouden om na alcoholgebruik in de auto te stappen en aan het verkeer deel te nemen. Verdachte toont daarmee een stuitend gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel en respect voor de verkeersregels en verkeersveiligheid.
Strafmodaliteit.
De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Omdat voor de schuldvariant ‘roekeloosheid’ geen oriëntatiepunt bestaat, heeft de rechtbank gekeken naar de schuldvariant ‘zeer hoge mate van schuld’ in de hoogste categorie alcoholgebruik. Hiervoor is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf van zeven maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaar. Nu sprake is van de zwaardere schuldvariant roekeloosheid, zal de rechtbank een verhoging ten opzichte van het genoemde oriëntatiepunt toepassen. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de hiervoor genoemde andere omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de na te melden duur.
Voorts zal de rechtbank een langdurige onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen aan verdachte opleggen om verkeersdeelnemers te beveiligen tegen het onverantwoorde gedrag van verdachte in het verkeer.
Conclusie
Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren.
De rechtbank legt hiermee een zwaardere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het onder 1 primair ten laste gelegde feit kwalificeert als “roekeloosheid” van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank oplegt de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair).

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar wat betreft de gevorderde materiële schade. Ten aanzien van de ter zitting aanvullend gevorderde, maar niet nader geconcretiseerde, immateriële schadevergoeding refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
Mevrouw [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd. Zij vordert materiële schadevergoeding ter hoogte van € 365,00 (eigen risico ziektekostenverzekering) en € 66,00 (reiskosten). Daarnaast heeft mevrouw ter zitting een (ten opzichte van door de verzekering reeds uitbetaalde) aanvullende, maar niet geconcretiseerde, immateriële schadevergoeding gevorderd.
De rechtbank acht de vergoeding voor de kosten van het eigen risico voor de ziektekostenverzekering toewijsbaar tot een (opgeteld) bedrag van € 360,43. Voor het meer gevorderde (€ 4,57) zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren nu dit buiten het resterende eigen risico valt en de benadeelde partij hiervoor verzekerd was.
De gevorderde reiskosten acht de rechtbank geheel toewijsbaar.
De materiële schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (23 februari 2024) tot aan de dag van algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de ter zitting aanvullend gevorderde, niet geconcretiseerde immateriële schadevergoeding.
Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 4).

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar wat betreft de gevorderde materiële schade. Ten aanzien van de ter zitting aanvullend gevorderde, maar niet nader geconcretiseerde, immateriële schadevergoeding refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De heer [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd. Hij vordert materiële schadevergoeding ter hoogte van € 377,00 (eigen risico ziektekostenverzekering).
De rechtbank acht de vergoeding voor de kosten eigen risico ziektekostenverzekering toewijsbaar tot een (opgeteld) bedrag van € 376,81. Voor het meer gevorderde (€ 0,19) zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren nu dit buiten het resterende eigen risico valt en de benadeelde partij hiervoor verzekerd was.
De materiële schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (23 februari 2024) tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de ter zitting aanvullend gevorderde, niet geconcretiseerde immateriële schadevergoeding.
Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 57 Wetboek van Strafrecht;
6, 7, 9, 163, 175, 176, 177, 179 Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
T.a.v. feit 2:
overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994
T.a.v. feit 3:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994
T.a.v. feit 4:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar legt op de volgende straffen en maatregelen:
T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4:
 Een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
 Een
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigente besturen voor de duur van
3 jaren.
T.a.v. feit 1 primair:
 Een maatregel tot schadevergoeding. De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 360,43 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 360,43 euro materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
T.a.v. feit 4:
 Een maatregel tot schadevergoeding. De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 376,81 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 376,81 euro materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 360,43 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 376,81 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. C.W.H. Houg en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,
en is uitgesproken op 04 februari 2026.