ECLI:NL:RBOBR:2026:706

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:0000468569:B001 NL:TZ:0000431951:M001
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking over opheffing bewind en mentorschap en benoeming opvolgend bewindvoerder

De kantonrechter behandelt een verzoek tot opheffing van het bewind en mentorschap van betrokkene en ontslag van de huidige bewindvoerder en mentor, Marion van de Vorst B.V. De zus van betrokkene woont met hem samen en wil benoemd worden tot opvolgend bewindvoerder en mentor, maar de kantonrechter heeft hiertegen bezwaren vanwege haar gezondheid en de gezamenlijke woonplaats.

De huidige bewindvoerder stelt dat de zus geen medewerking verleent, waardoor het bewind en mentorschap niet uitvoerbaar zijn, terwijl de zus aangeeft dat zij al sinds 1999 voor betrokkene zorgt en dat een mentor meer voor de hand ligt dan een bewindvoerder. De kantonrechter constateert dat betrokkene niet zelf zijn belangen kan behartigen en dat opheffing van de maatregelen niet aan de orde is. Wel acht hij het redelijk het ontslag van de huidige bewindvoerder en mentor te verlenen vanwege diens onwil om voort te zetten.

De kantonrechter ziet bezwaren tegen benoeming van de zus vanwege haar gezondheidsproblemen en de complexiteit van het onderscheiden van zorg en budgetten binnen hetzelfde huishouden. Daarom wordt de zus in de gelegenheid gesteld om samen met betrokkene een professionele bewindvoerder en mentor te zoeken en de benodigde documenten uiterlijk 1 april 2026 in te dienen. De verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Ontslag van de huidige bewindvoerder en mentor wordt verleend, maar benoeming van de zus als opvolgend bewindvoerder en mentor wordt uitgesteld en zij krijgt gelegenheid een professionele opvolger te zoeken.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummers
:
NL:TZ:0000468569:B001 NL:TZ:0000431951:M001
dossiernummers
:
BM50953 en MB2534
datum
:
23 januari 2026

tussenbeschikking op een verzoek tot opheffing van bewind en mentorschap

op verzoek van:
Marion van de Vorst B.V.,
Postbus 2071, 6020 AB Budel,
Kamer van Koophandel-nummer 69152500,
hierna te noemen: verzoeker,
met betrekking tot:

[naam] ,geboren te [woonplaats] op [datum] ,wonende te [adres] ,hierna te noemen: betrokkene.

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoek, ontvangen op 6 november 2025.
Het verzoek is behandeld via een Teams-verbinding op de zitting van 13 januari 2026. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. Ter zitting zijn betrokkene, [de zus van betrokkene] , bijgestaan door mr. M.M.G. Senssen-Franssen, en verzoeker gehoord.

beoordeling

1. Verzoeker vraagt om opheffing van het bewind en het mentorschap ten behoeve van betrokkene, dan wel ontslag als bewindvoerder en mentor.
1.1
Aan het verzoek wordt, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
Betrokkene woont in één huis met zijn zus, [naam] . Verzoeker stelt dat hij niet in staat is zijn werkzaamheden als bewindvoerder en mentor uit te voeren en dat de verwachting is dat dit ook niet zal veranderen. De reden hiervoor is dat [de zus van betrokkene] geen enkele medewerking verleent aan het van de grond komen van het bewind en mentorschap. Verzoeker wordt door haar de toegang tot de woning van haar en betrokkene ontzegd. In voorkomende gevallen mag verzoeker met betrokkene “buitenshuis” afspreken, zo heeft [de zus van betrokkene] na de zitting van 30 september 2025 medegedeeld. Daarin is daarna geen verandering gekomen. Ook werkt zij niet mee aan het voorspoedig laten verlopen van de relatie met het zorgkantoor, die nodig is voor de betaling van de verleende en te verlenen zorg uit het persoonsgebonden budget van betrokkene. Zonder medewerking van [de zus van betrokkene] is het bewind en het mentorschap feitelijk niet uitvoerbaar. Verzoeker acht echter voortzetting van het bewind en het mentorschap wel noodzakelijk.
2. Op de zitting heeft [de zus van betrokkene] aangevoerd dat hoger beroep is ingesteld tegen zowel de onderbewindstelling als tegen het ontslag van [de zus van betrokkene] als mentor. Het hoger beroep in de bewindzaak staat voor verweerschrift en de mentorschapszaak voor dagbepaling. De argumenten zijn in beide zaken hetzelfde. Deze argumenten gelden ook voor de onderliggende zaak. [de zus van betrokkene] verzorgt betrokkene sinds 1999 en dat gaat prima. Er is geen bewindvoerder en mentor nodig. Betrokkene ontvangt momenteel zorg van familie, vrienden en een professionele zorgverlener. [de zus van betrokkene] stelt zich op het standpunt dat de noodzaak van een mentor meer voor de hand liggend is dan voor een bewindvoerder. Het bewind is pas recent ingesteld. Jaren geleden is het bewind juist opgeheven omdat de noodzaak niet meer aanwezig was.
2.1
Op de zitting heeft [de zus van betrokkene] verder aangegeven dat zij opheffing van het bewind en het mentorschap wil, dan wel dat zij benoemd wordt tot opvolgend bewindvoerder en mentor van betrokkene. Zij voelt zich door verzoeker buitenspel gezet, terwijl was toegezegd dat alles in overleg zou gaan. Ook heeft verzoeker zich op de zitting van 30 september 2025 negatief uitgelaten over de thuissituatie van haar en betrokkene, terwijl verzoeker zich hierover, toen hij bij hen thuis op bezoek was, juist positief had uitgesproken. Hierdoor is haar vertrouwen (en die van betrokkene) in verzoeker dusdanig geschaad dat zij een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk acht.
3. De kantonrechter overweegt als volgt.
3.1
Op zichzelf is niet in geschil dat betrokkene niet zelf zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen kan behartigen. De kantonrechter heeft eerder reden gezien om een professioneel mentor en bewindvoerder te benoemen en in de (gezondheids)situatie van betrokkene zijn geen noemenswaardige veranderingen opgetreden. Voor opheffing van de maatregelen ziet de kantonrechter dan ook geen aanleiding.
3.2
Verzoeker heeft zich aanvankelijk bereid verklaard het bewind en mentorschap uit te oefenen en de kantonrechter gaat er dan ook van uit dat verzoeker de nodige inspanningen levert om het mentorschap en bewind tot een succes te maken. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat ook gebeurd. Daarna kan ook van een professioneel mentor en/of bewindvoerder niet verlangd worden dat hij zijn taken voortzet tegen zijn wil. Gegeven de situatie zoals die in het verzoek is geschetst en ook ter zitting tot uitdrukking is gekomen, ligt het dus in de rede om het gevraagde ontslag te verlenen.
3.3
De vraag die voorligt is hoe verder moet worden voorzien in waarneming van zowel de vermogensrechtelijke als niet-vermogensrechtelijke belangen van betrokkene. [de zus van betrokkene] heeft aangegeven in staat en bereid te zijn deze taken uit te oefenen. Zij is het er nog altijd niet mee eens dat zij in 2025 is ontslagen als mentor, het is haar niet duidelijk waarom dit ontslag is gegeven. Het hoger beroep tegen deze beslissing van de kantonrechter loopt nog bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, evenals hoger beroep tegen de onderbewindstelling van betrokkene.
3.4
De kantonrechter begrijpt dat [de zus van betrokkene] het mentorschap en het bewind ten behoeve van haar broer zelf zou willen uitoefenen en lijkt daartoe op het eerste oog ook in staat. De kantonrechter ziet daartegen toch bezwaren in de omstandigheid dat niet alleen betrokkene maar ook [de zus van betrokkene] zelf kampt met gezondheidsproblemen. Los van de vraag of [de zus van betrokkene] daardoor belemmerd zou worden in het uitoefenen van deze verantwoordelijkheid, wijst de kantonrechter erop dat betrokkene en [de zus van betrokkene] in hetzelfde huis wonen en dat er ten behoeve van zowel [de zus van betrokkene] als betrokkene een aanzienlijk persoonsgebonden budget voor de inkoop van zorg beschikbaar is gesteld. Die situatie kan het moeilijk(er) maken om in te kopen zorg voor betrokkene te onderscheiden van zorg voor [de zus van betrokkene] en er onafhankelijk op toe te zien dat het aan betrokkene toegekende budget juist wordt besteed als deze inkoop wordt gedaan door [de zus van betrokkene] . De problemen die verzoeker nu al heeft om het persoonsgebonden budget van betrokkene tot uitbetaling te laten komen ziet de kantonrechter als een aanwijzing daarvoor. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het in het belang van betrokkene is dat een onafhankelijke en professionele partij de vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen van betrokkene behartigt.
4. Gegeven de situatie ligt het voor de hand dat de kantonrechter ambtshalve een nieuwe bewindvoerder en mentor benoemt. De kantonrechter is evenwel van oordeel dat een goede samenwerking tussen [de zus van betrokkene] , en een mentor/bewindvoerder essentieel is om de belangen van betrokkene goed te kunnen behartigen. Gelet hierop zal de kantonrechter eerst [de zus van betrokkene] desgewenst in de gelegenheid stellen om – samen met betrokkene – op zoek te gaan naar een nieuwe professionele bewindvoerder en mentor. De kantonrechter verzoekt [de zus van betrokkene] de bereidverklaringen, het plan van aanpak en het mentorschapsplan van de beoogd opvolgend bewindvoerder en mentor uiterlijk 1 april 2026 in te dienen.

beslissing

De kantonrechter:
- bepaalt dat [de zus van betrokkene] de gelegenheid krijgt om vóór 1 april 2026 de
bereidverklaringen, het plan van aanpak en het mentorschapsplan in te dienen van een door
haar voor te stellen professionele bewindvoerder en mentor;
- houdt voor het overige iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.T.C. Wijsman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.