ECLI:NL:RBOBR:2026:755
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning met vergelijkingsmethode bevestigd
De rechtbank Oost-Brabant heeft op 6 februari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de WOZ-waarde van een twee-onder-een-kapwoning uit 1989. De heffingsambtenaar had de waarde van de woning vastgesteld op €652.000 voor het kalenderjaar 2025, wat eiser betwistte met een lagere taxatie van €611.000.
De heffingsambtenaar onderbouwde de vastgestelde waarde met een waardematrix waarin de vergelijkingsmethode werd toegepast, waarbij drie vergelijkingsobjecten in dezelfde plaats werden gebruikt. Eiser bracht eveneens een waardematrix in, maar deze bleek onvoldoende inzichtelijk, met name door het ontbreken van een duidelijke onderbouwing van prijsverschillen per m² en een niet-onderbouwd totaalbedrag voor bijgebouwen en grondwaarde.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en dat eiser met zijn taxatie geen twijfel zaait over de juistheid daarvan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €652.000 wordt ongegrond verklaard.