ECLI:NL:RBOBR:2026:764

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
01/008005-23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot zware mishandeling met personenauto na aanrijding brommobiel

Op 5 januari 2023 reed verdachte in 's-Hertogenbosch met een personenauto achter een brommobiel waarin twee inzittenden zaten. Verdachte reed zeer dicht op de brommobiel, met de bedoeling de bestuurder bang te maken, wat leidde tot een aanrijding waarbij de brommobiel kantelde. De rechtbank oordeelde dat er geen aanmerkelijke kans was op een fatale afloop, waardoor poging tot doodslag niet bewezen werd, maar wel poging tot zware mishandeling.

De officier van justitie eiste een veroordeling voor poging tot zware mishandeling, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte vanwege lage rijsnelheden en onduidelijkheid over wie wie aanreed. De rechtbank verwierp de verweren en achtte het rijgedrag van verdachte bewust gevaarlijk en strafbaar.

De strafmaat werd bepaald op 94 dagen gevangenisstraf waarvan 90 dagen voorwaardelijk, een taakstraf van 240 uur, een voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden en verbeurdverklaring van de gebruikte personenauto. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €1.000 immateriële schadevergoeding aan een van de slachtoffers, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank hield rekening met het tijdsverloop, persoonlijke omstandigheden van verdachte en de ernst van het feit.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling met deels voorwaardelijke gevangenisstraf, taakstraf, rijontzegging en verbeurdverklaring auto; vrijspraak poging tot doodslag.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.008005.23
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1981] ,
wonende te [adres ] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 december 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 januari 2023 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, (op De Bossche Pad) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto
- zeer dicht op en/of naast een voor hem, verdachte, rijdende brommobiel (45 kilometer
auto), met als inzittenden voormelde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , is gaan rijden en/of is blijven
rijden en/of
- heeft getracht voornoemde brommobiel in te halen en/of
- tegen de achterzijde van voornoemde brommobiel is aangereden en/of gebotst
tengevolge waarvan voornoemde brommobiel is gaan kantelen en/op de zijkant terecht is gekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 januari 2023 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland,
(op De Bossche Pad) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto
- zeer dicht op en/of naast een voor hem, verdachte, rijdende brommobiel (45 kilometer
auto), met als inzittenden voormelde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , is gaan rijden en/of is blijven
rijden en/of
- heeft getracht voornoemde brommobiel in te halen en/of
- tegen de achterzijde van voornoemde brommobiel is aangereden en/of gebotst
tengevolge waarvan voornoemde brommobiel is gaan kantelen en/op de zijkant terecht is gekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 januari 2023 te ’s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland,
(op De Bossche Pad) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto
- zeer dicht op en/of naast een voor hem, verdachte, rijdende brommobiel (45 kilometer
auto), met als inzittenden voormelde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , te gaan rijden en/of te blijven
rijden en/of
- voornoemde brommobiel trachten in te halen en/of
- tegen de achterzijde van voornoemde brommobiel aan te rijden en/of te botsen

tengevolge waarvan voornoemde brommobiel is gaan kantelen en/op de zijkant terecht is gekomen.

De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Inleiding.
Vaststaat dat verdachte op 5 januari 2023 in ’s-Hertogenbosch een personenauto heeft bestuurd en tijdens zijn rit de brommobiel van [slachtoffer 1] heeft herkend. In die brommobiel zaten op dat moment [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Verdachte is vervolgens achter de brommobiel aan gaan rijden. Uiteindelijk heeft er een aanrijding tussen beide voertuigen plaatsgevonden waarbij de brommobiel is gekanteld. De vraag is of verdachte tijdens de achtervolging zodanig heeft gehandeld dat hij schuldig is aan een poging tot doodslag, een poging tot zware mishandeling dan wel bedreiging van beide inzittenden van de brommobiel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de
primairten laste gelegde poging tot doodslag. Volgens de officier van justitie bevat het dossier te weinig aanknopingspunten voor een aanmerkelijke kans op een fatale afloop. Op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de inzittenden van het brommobiel bestond in de gegeven omstandigheden wel een aanmerkelijke kans. De officier van justitie heeft daarom gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de
subsidiairten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het
primairen van het
subsidiairten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de redenering van de officier van justitie ten aanzien van de poging tot doodslag ook op de poging tot zware mishandeling van toepassing is. Er bestond vanwege de lage rijsnelheden geen aanmerkelijke kans op de dood en evenmin op zwaar lichamelijk letsel. Daarenboven kan volgens de raadsman op basis van het procesdossier niet vastgesteld worden wie tegen wie aan is gereden. De raadsman heeft zich ten aanzien van de
meer subsidiairten laste gelegde bedreiging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar alleen voor zover deze bedreiging is geuit door het zeer dicht achter de brommobiel rijden.
Bewijsbijlage.
De bewijsmiddelen die de rechtbank bij de beoordeling heeft gebruikt, zijn opgenomen in de bewijsbijlage die deel uitmaakt van dit vonnis. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Bewijsverweren.
Voor zover de verdediging ter terechtzitting verweren heeft gevoerd waarop de rechtbank hierna niet expliciet ingaat, heeft de rechtbank deze als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt en zoals die in de bewijsbijlage zijn opgenomen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de juistheid van de inhoud van die bewijsmiddelen.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank komt tot het oordeel dat er op 5 januari 2023 in de gegeven omstandigheden tijdens de achtervolging van de brommobiel door verdachte, en de aanrijding waarmee die achtervolging eindigde, geen aanmerkelijke kans bestond op een fatale afloop voor de inzittenden van de brommobiel. Wel kan een poging tot zware mishandeling worden bewezen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Gebleken is dat verdachte in de middag van 5 januari 2023 in ’s-Hertogenbosch langere tijd en over een behoorlijke afstand, namelijk gaande over de Maastrichtseweg, Het Bossche Pad en tot slot de Rijnstraat met zijn personenauto zeer kort achter de brommobiel heeft gereden. Een brommobiel is een kwetsbaarder voertuig dan de personenauto waarin verdachte reed. Uit zijn verklaring en het dossier blijkt verder dat verdachte doelbewust achter de brommobiel is gaan rijden om in ieder geval de bestuurder daarvan bang te maken. Met die bedoeling, in combinatie met de geëmotioneerde toestand waarin verdachte naar eigen zeggen verkeerde, heeft de achtervolging plaatsgevonden. Getuigen hebben het rijgedrag beschreven als belachelijk rijgedrag dat niet goed kon aflopen. Dit is ook gebleken doordat verdachte op de Rijnstraat met zijn voorbumper de achterbumper van de brommobiel heeft geraakt. Voor zover er twijfel zou bestaan over de vraag wie nu precies wie heeft geraakt, oordeelt de rechtbank dat het hoe dan ook aan het rijgedrag van verdachte te wijten is dat de aanrijding heeft plaatsgevonden. Hij heeft immers de zeer onveilige omstandigheden gecreëerd door te bumperkleven gedurende langere tijd en door zijn pogingen naast de brommobiel te komen. Hierdoor bestond de aanmerkelijke kans op een aanrijding en dat daarbij de inzittenden van de brommobiel zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Verdachte heeft die kans bewust aanvaard door te volharden in zijn gevaarlijke rijgedrag.
De rechtbank acht het overigens ongeloofwaardig dat verdachte niet heeft gezien dat naast de bestuurder nog een, voor hem ook bekende, inzittende in de brommobiel zat.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de (in de bewijsbijlage) uitgewerkte bewijsmiddelen, en dat wat hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
op 5 januari 2023 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto
- zeer dicht op en naast een voor hem, verdachte, rijdende brommobiel (45 kilometer
auto), met als inzittenden voormelde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , is gaan rijden en is blijven
rijden en
- tegen de achterzijde van voornoemde brommobiel is aangereden
ten gevolge waarvan voornoemde brommobiel is gaan kantelen en op de zijkant terecht is gekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.(
bijlage)
De officier van justitie heeft, rekwirerend tot bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling, de volgende strafeis geformuleerd:
- een gevangenisstraf van 94 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaar-
delijk, met een proeftijd van één jaar;
- een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis;
- een voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden, met een proeftijd van één jaar en
- verbeurdverklaring van de personenauto.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich verzet tegen de oplegging van een taakstraf. Volgens de raadsman
doen een voorwaardelijke gevangenisstraf en een voorwaardelijke rijontzegging tezamen voldoende recht aan de feiten. De raadsman heeft hierbij gewezen op het tijdsverloop, de voorgeschiedenis tussen (de families van) verdachte en de inzittenden van de brommobiel en op de medeschuld van de bestuurder van die brommobiel.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gevaarlijk rijgedrag, een “kat-en-muisspel”, eindigend in een aanrijding waarbij het andere voertuig met twee inzittenden is gekanteld. Door zijn gedrag heeft verdachte een groot gevaar voor anderen veroorzaakt. Hij heeft zich daar niets van aan getrokken, maar juist bewust in ieder geval één inzittende van het andere voertuig angst willen aanjagen. Het is niet aan verdachte te danken dat de inzittenden uiteindelijk met alleen de schrik uit hun benarde positie zijn gekomen.
De dreigende situatie en de aanrijding moeten een grote indruk op de inzittenden hebben gemaakt. Uit de slachtofferverklaring van inzittende [slachtoffer 2] , die ten tijde van de aanrijding pas 14 jaar oud was, blijkt dat dit ook het geval is. Zij ondervindt niet alleen nog steeds lichamelijke klachten, maar raakt ook nog steeds in paniek als er een auto hard aan komt rijden of gaat bumperkleven. Ook inzittende [slachtoffer 1] ervaart volgens de toelichting op zijn vordering benadeelde partij sinds het incident een blijvend gevoel van onveiligheid. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Uitgangspunt
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Die oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In geval van het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen (zoals een auto), wordt uitgegaan van 7 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het vertrekpunt bij een poging is twee derde deel van de straf bij een voltooid delict. Vervolgens is het maatwerk en dus afhankelijk van alle omstandigheden van het geval.
Persoonlijke omstandigheden
Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van de feiten inziet. Hij heeft tijdens de terechtzitting verklaard dat het nooit had moeten gebeuren. Verdachte heeft ook zijn medewerking verleend aan het onderzoek.
Het strafblad van verdachte is voorts niet blanco, maar er is sinds 2006 geen sprake meer van veroordelingen voor een (gewelds)misdrijf. Verdachte is na het incident op 5 januari 2023 ook niet meer met justitie in aanraking gekomen.
Uit het reclasseringsadvies blijkt verder dat er sprake is van meerdere steunende factoren in het leven van verdachte. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij een pittige periode achter de rug heeft, maar nu weer werk, een nieuwe vriendin en een woning heeft.
Overschrijding redelijke termijn
Iedere verdachte heeft het recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat tegenover verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In deze zaak oordeelt de rechtbank dat deze termijn op 7 januari 2023 bij de aanhouding en het verhoor van verdachte is aangevangen. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar stelt de rechtbank vast dat deze termijn met ruim een jaar is overschreden. Dit maakt, mede gelet op het voorgaande, dat de rechtbank geen
onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest zal opleggen.
De straffen
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 94 dagen met aftrek van voorarrest. De rechtbank zal van deze straf echter 90 dagen voorwaardelijk opleggen, ook om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Verdachte krijgt dus per saldo een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest van 4 dagen. Dat betekent dat de rechtbank het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis zal opheffen. Vanwege het tijdsverloop zal de rechtbank de duur van de proeftijd van het voorwaardelijke strafdeel beperken tot een jaar.
De rechtbank acht daarnaast een voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden, eveneens met een proeftijd van een jaar, passend en geboden. Verdachte heeft zich immers in het verkeer ten opzichte van twee mensen misdragen en zijn auto daarbij als wapen gebruikt.
Tot slot acht de rechtbank, anders dan de raadsman heeft bepleit, ook de oplegging van een taakstraf van de maximale duur op zijn plaats. Dit als voelbare sanctie naast de hiervoor genoemde voorwaardelijke straffen, gelet op de ernst van de feiten.
Beslag.
De officier van justitie heeft verbeurdverklaring van de aan verdachte toebehorende personenauto gevorderd. De raadsman van verdachte heeft hierover geen standpunt ingenomen.
De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen personenauto vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals ook blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – het feit met behulp van deze personenauto is begaan en deze auto op dat moment aan verdachte toebehoorde. Dit is een bijkomende straf.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.500,00 als immateriële schadevergoeding (smartengeld) gevorderd. Er is namelijk sprake van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) vanwege de uiterst ernstige normschending, de directe en concrete levensbedreigende situatie en de blijvende aantasting van het veiligheidsgevoel en de lichamelijke integriteit van benadeelde partij. De nadelige gevolgen liggen zo voor de hand dat een aantasting in de persoon in dit geval ook zonder objectief vast te stellen psychisch letsel kan worden aangenomen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal kan worden toegewezen met daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, telkens vermeerderd met de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten hoogste een bedrag van € 750,00
toewijsbaar is als vergoeding voor immateriële schade (smartengeld).
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, meebrengen dat van de in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze sprake is. De aard en de ernst van de normschending (poging tot zware mishandeling) brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit blijkt uit de onderbouwing van de vordering, maar ook uit het feit dat verdachte bewust een voor de benadeelde partij zeer dreigende situatie heeft gecreëerd. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, wijst de rechtbank een bedrag van € 1.000,00 toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (5 januari 2023) tot aan de dag van algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het hoger gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank is dit deel van de vordering niet eenvoudig vast te stellen. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een nadere behandeling vereisen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de behandeling van deze onderdelen van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag van algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 45, 57, 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder
primairis ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart hetsubsidiairten laste gelegde bewezenzoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen:
-
een gevangenisstrafvoor de duur van 94 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Heft ophet tegen verdachte verleende (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
-
een taakstrafvoor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
-
een ontzeggingvan de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van
12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
-
verbeurdverklaringvan de inbeslaggenomen personenauto Renault Clio ( [kenteken] ).
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2023 tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel.
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 1.000,00. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting
nietop.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.G. Vos, voorzitter,
mr. R. Grimbergen en mr. G.F.A.M. de Graauw, leden,
in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,
en is uitgesproken op 30 januari 2026.