ECLI:NL:RBOBR:2026:778

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
01.151724.24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs brandstichting en ontploffing

Op 21 april 2024 vonden twee incidenten plaats: een ontploffing nabij een woning in Helmond en een brandstichting van een auto in Eindhoven. Verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij beide feiten. De politie baseerde het onderzoek mede op mastgegevens die een telefoon van verdachte in de buurt van beide incidenten toonden.

Tijdens de rechtszittingen op 21 juli 2025, 23 oktober 2025 en 23 januari 2026 werd vastgesteld dat er geen wettig en overtuigend bewijs was om verdachte te verbinden aan de feiten. Camerabeelden waren onduidelijk en getuigen konden geen herkenbare signalementen geven. Verdachte maakte gebruik van zijn zwijgrecht en een vermeende bekennende opmerking werd niet als zodanig erkend.

De rechtbank oordeelde dat het enkele feit dat de telefoon van verdachte zendmasten nabij de incidentlocaties aanstraalde onvoldoende bewijs is voor betrokkenheid. Verdachte werd daarom vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid bij ontploffing, brandstichting en vernieling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.151724.24
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2005] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 21 juli 2025, 23 oktober 2025 en 23 januari 2026.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 september 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij, op of omstreeks 21 april 2024, te Helmond,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht door een stuk zwaar vuurwerk (cobra 6), tegen/nabij de woning gelegen aan de [adres 2] te plaatsen/gooien en/of dit stuk vuurwerk aan te steken/te ontsteken,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor voor goederen, te weten gevaar voor voornoemde woning en/of de omringende/nabijgelegen woningen en/of de in die woningen aanwezige goederen, inboedel en/of inventaris en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

te duchten was

T.a.v. feit 2 primair:
hij, op of omstreeks 21 april 2024, te Eindhoven,
opzettelijk
brand heeft gesticht in en/of tegen een (personen)auto door open vuur in aanraking te brengen met die personenauto, ten gevolge waarvan voornoemde auto geheel of gedeeltelijk is verbrand
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
voor voornoemde auto en/of
voor de in die auto aanwezige goederen en/of
voor één of meer op de openbare weg geparkeerde auto's en/of
de aldaar bevindende goederen te duchten was
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 21 april 2024, te Eindhoven,
opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto, in elk geval enig goed, dat geheel
of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield,
beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten, zoals ook de officier van justitie heeft aangevoerd, niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op 21 april 2024 zijn de bewoners van het appartement gelegen aan de [adres 2] ‘s-nachts opgeschrikt door een harde knal. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat die nacht vuurwerk (vermoedelijk een Cobra 6) tegen het slaapkamerraam van die woning is gegooid. Op dat moment lag één van de bewoners, [slachtoffer 1] , daar te slapen. De andere bewoner, [slachtoffer 2] , bevond zich elders in de woning. Omwonenden hebben ten tijde van dit incident een scooter met daarop twee jongens zien wegrijden. Later die nacht kreeg de politie de melding dat in Eindhoven de auto van de broer van genoemde [slachtoffer 2] in brand was gestoken.
Van het incident zijn camerabeelden aanwezig. De personen die te zien zijn op deze camerabeelden zijn echter onherkenbaar. Ook getuigen hebben geen duidelijk signalement van de daders kunnen geven.
Hoe komt de politie uiteindelijk bij verdachte terecht?
Het vermoeden bestond dat het vuurwerkincident in Helmond en de (vermoedelijke) brandstichting in Eindhoven bij beide broers niet op zichzelf stonden. Daarom heeft de politie de mastgegevens opgevraagd van beide locaties rondom het tijdstip van het plegen van de beide incidenten. Uit de analyse van deze gegevens bleek dat één telefoon de zendmasten in de buurt van de beide locaties, dus zowel in Helmond als in Eindhoven, aanstraalde op de tijdstippen dat de incidenten plaatsvonden. Dit bleek een telefoon op naam van verdachte te zijn. Verder onderzoek aan deze telefoon van verdachte heeft niets opgeleverd en verdachte heeft zich bij zijn verhoren op zijn zwijgrecht beroepen.
Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele gegeven dat de telefoon van verdachte op de tijdstippen dat de incidenten plaatsvonden, zendmasten in de buurt van de betreffende locaties aanstraalde, in dit geval onvoldoende om te concluderen dat verdachte hierbij betrokken was. Dat hij daadwerkelijk bij het plegen van de feiten betrokken is geweest, blijkt verder nergens uit. Voor zover de rechtbank al van oordeel zou zijn dat enige betrokkenheid van verdachte kan worden vastgesteld, dan nog kan zij niet vaststellen wat zijn rol precies is geweest en welke handelingen hij zou hebben verricht.
De rechtbank heeft bij haar oordeel ook het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] betrokken. Daarin schrijft [verbalisant] dat verdachte op 11 oktober 2024 bij de teruggave van zijn telefoon tegen [verbalisant] heeft gezegd dat hij (verdachte) een dag eerder was gehoord als verdachte en dat hij op de vraag waar hij zich schuldig aan heeft gemaakt, heeft geantwoord: “Oh een vuurwerkbom en brandstichting”. Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen verdachte (ogenschijnlijk terloops) tegen [verbalisant] heeft gezegd niet worden aangemerkt als een bekennende verklaring. Het is onduidelijk wat de precieze context van de opmerking van verdachte is geweest. Bovendien was verdachte een dag eerder verhoord, is toen geconfronteerd met de feiten die hem werden verweten, en heeft hij zich beroepen op zijn zwijgrecht. Dat verdachte vervolgens een dag later tegenover [verbalisant] over een vuurwerkbom en brandstichting spreekt, valt in het licht van dat eerdere verhoor te verklaren.
Ook in onderlinge samenhang beschouwd levert het bovenstaande geen wettig en overtuigend bewijs op van betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

T.a.v. feit 1, feit 2 primair, feit 2 subsidiair:
verklaart het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,
mr. S.H.C. Merkx en mr. R. Grimbergen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,
en is uitgesproken op 6 februari 2026.