ECLI:NL:RBOBR:2026:781

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
01.205742.25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 312 SrArt. 317 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal in vereniging met geweld van auto met toewijzing beperkte schadevergoeding

Op 5 juli 2025 werd het slachtoffer in Budel door drie mannen, waaronder verdachte, met pepperspray bespoten en met een machete geslagen en gesneden. De daders namen de auto van het slachtoffer mee en vertrokken richting Rotterdam. Verdachte was bestuurder van de gestolen auto en medepleger van de diefstal met geweld.

De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs was voor het primair ten laste gelegde feit van dwang, omdat niet duidelijk was dat het slachtoffer zijn spullen vrijwillig afgaf. Wel werd bewezen verklaard dat de auto met geweld werd weggenomen. Verdachte werd vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en veroordeeld voor het subsidiaire feit.

Verdachte voerde psychische overmacht aan, maar dit werd verworpen. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de rol van verdachte als medepleger en zijn eerdere veroordelingen. De straf werd vastgesteld op 3 jaar gevangenisstraf. De immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer werd vastgesteld op €1.500, lager dan gevorderd, conform de Rotterdamse Schaal.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf voor diefstal in vereniging met geweld en toegekende immateriële schadevergoeding van €1.500 aan slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.205742.25
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte ] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2004] ,
wonende te [adres 1]
thans gedetineerd te P.I. Grave.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 20 oktober 2025, 12 januari 2026 en 23 januari 2026.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 september 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 5 juli 2025 te Budel, gemeente Cranendonck,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een personenauto en/of een telefoon en/of een portemonnee en/of een rugtas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n),
door tegen die [slachtoffer] te zeggen - zakelijk weergegeven - dat hij zijn auto en/of al zijn spullen af moest geven en/of die [slachtoffer] meermalen met een machete, althans een snijdend voorwerp, te slaan en/of te snijden en/of die [slachtoffer] te bespuiten met pepperspray;
T.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 5 juli 2025 te Budel, gemeente Cranendonck,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een personenauto en/of een telefoon en/of een portemonnee en/of een rugtas, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door die [slachtoffer] meermalen met een machete, althans een snijdend voorwerp, te slaan en/of te snijden en/of die [slachtoffer] te bespuiten met pepperspray.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijswaardering.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, omdat onvoldoende is gebleken dat sprake zou zijn van ‘dwang’.
Het subsidiair ten laste gelegde, de diefstal met geweld in vereniging, kan volgens de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft betoogd dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt en dat daarom vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit dient te volgen.
Subsidiair heeft de verdediging een beroep gedaan op psychische overmacht.
Het oordeel van de rechtbank.
A.
De bewijsmiddelen
In bijlage I heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
B.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Bewezenverklaring: diefstal in vereniging (feit 1, subsidiair):
De rechtbank zal omwille van de leesbaarheid van dit vonnis de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte ] telkens bij hun achternaam noemen. Hetzelfde geldt voor aangever [slachtoffer] .
De rechtbank gaat op basis van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten.
Op 5 juli 2025 kregen verbalisanten [verbalisant] het verzoek om naar Budel te gaan. Hier zou een man (rechtbank: [slachtoffer] ) om hulp roepen. De verbalisanten troffen [slachtoffer] aan. Hij had een dikke, bloedende neus, blauwe plekken op zijn voorhoofd en striemen (snijwonden) op zijn linker arm en been. Ook roken zij een vreemde geur die een branderig gevoel gaf in de keel en neus. Zij herkenden de geur en het branderige gevoel als het effect van pepperspray. [slachtoffer] verklaarde dat hij door twee mannen was bespoten met pepperspray. Ook zouden zijn auto en enkele andere spullen zijn gestolen.
Nader onderzoek leidde de politie naar een woning aan de [adres 2] . Deze woning zat vol met bloedsporen en sporen van vermoedelijk pepperspray. Daarnaast worden bloedsporen op het raam aan de buitenkant van de badkamer aangetroffen. In eerste instantie verklaarde [slachtoffer] dat hij niet in genoemde woning was geweest. Later veranderde hij zijn verklaring en verklaarde hij inderdaad in de woning te zijn geweest, dat hij daar bespoten was met pepperspray en geslagen was met een machete die onder het matras van een bed lag. [slachtoffer] verklaarde verder – kort weergegeven – dat hij met drie andere mannen in de woning was, dat één van de mannen hem bespoot met pepperspray, dat de andere man hem sloeg en sneed met een machete, dat hij – terwijl hij op de grond lag – werd getrapt door de twee mannen, dat de derde man niets deed, maar wel getuige was en dat de twee mannen zijn auto hebben gestolen. Aangever is door het raam van de badkamer gevlucht.
Aan de hand van een ANPR-hit werd de auto van [slachtoffer] enkele uren later gezien in de buurt van Rotterdam. Direct nadat de politie een volgteken gaf, maakte de auto een scherpe stuurbeweging naar rechts. De auto voldeed niet aan het volgteken. Het vermoeden ontstond dat de bestuurder zich wilde onttrekken aan de staandehouding. Uiteindelijk is de auto ingesloten en tot stilstand gebracht, met verdachte [verdachte ] als bestuurder en verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als bijrijders.
In de auto zijn onder andere een machete en een busje pepperspray (dat leeg aanvoelde) aangetroffen. Op allerlei kledingstukken van de drie verdachten en op het lemmet van de machete zijn bloedsporen aangetroffen die, na DNA-onderzoek, matchen met het DNA van [slachtoffer] .
Toen door de politie foto’s van de verdachten aan [slachtoffer] werden getoond, verklaarde hij – samengevat – als volgt. Verdachte [medeverdachte 1] heeft het meeste gedaan. Hij heeft [slachtoffer] geslagen met de machete. Verdachte [medeverdachte 2] heeft hem daarna ook geslagen met de machete. Verdachte [verdachte ] heeft niks gedaan. Hij weet niet wat de relatie is tussen [verdachte ] en de andere twee verdachten.
In eerdere verhoren bij de rechter-commissaris en de politie hebben verdachten op inhoudelijke vragen niet willen verklaren. Ter terechtzitting van 23 januari 2026 zijn de verdachten voor het eerst met verklaringen gekomen. Deze verklaringen komen in grote lijnen met elkaar overeen en schetsen een alternatief scenario, namelijk – kort weergegeven – dat [slachtoffer] bij verdachte [verdachte ] aan de [adres 2] voor de deur stond. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren op dat moment ook in de woning van [verdachte ] . [medeverdachte 2] zou sinds kort met zijn toestemming en zonder medeweten van de verhuurder in die woning wonen. [slachtoffer] zou € 5.000,- eisen van [medeverdachte 2] , omdat hij daar illegaal zou verblijven en [slachtoffer] dit anders zou verraden. [medeverdachte 2] was het daar niet mee eens. Volgens [medeverdachte 2] begonnen hij en [slachtoffer] vervolgens te stoeien, waarbij [slachtoffer] achterover op zijn rug is gevallen. Daarna pakte [medeverdachte 2] van onder een matras de machete en de pepperspray. Hij gebruikte de pepperspray en begon [slachtoffer] vervolgens te slaan en te snijden met de machete. [medeverdachte 2] wilde vervolgens vluchten, pakte de autosleutels van [slachtoffer] , gooide deze naar [verdachte ] , waarna de verdachten zijn vertrokken. Vervolgens zijn de verdachten nog eens teruggekomen bij de woning en hebben zij persoonlijke spullen in de auto van [slachtoffer] geladen, waarna zij vertrokken richting Rotterdam.
De rechtbank acht deze ter terechtzitting afgelegde verklaringen op zichzelf bezien op meerdere punten ongeloofwaardig. Allereerst kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat de verklaringen van de verdachten op elkaar zijn afgestemd. Verder overweegt de rechtbank over de betrouwbaarheid van de verklaringen als volgt. Verdachten hebben verklaard dat de confrontatie met [slachtoffer] onverwacht was en waarbij [slachtoffer] een geldbedrag van [medeverdachte 2] zou eisen. Deze lezing van de gebeurtenissen wordt op geen enkel punt in het dossier ondersteund. Dat in de woning reeds een machete en een bus pepperspray voor het grijpen lagen en dat deze ook zijn gebruikt, duidt daarentegen eerder op een zekere mate van planmatig handelen. Daar komt bij dat [slachtoffer] heeft verklaard een dag eerder te zijn gebeld om chauffeur te zijn in verband met een verhuizing van [verdachte ] . Verder bestond voor het buitensporige geweld tegen [slachtoffer] geen enkele aanleiding. Daarnaast ging het om een situatie waarin één ongewapend persoon (slachtoffer) tegenover drie andere personen stond waarvan twee personen gebruik maakten van geweldsmiddelen. Het is bovendien onduidelijk waar de veronderstelde angst van [medeverdachte 2] om ‘zijn’ woning kwijt te raken vandaan kwam. Niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] een bedreiging vormde voor zijn woonsituatie. [medeverdachte 2] heeft ook verklaard dat hij heel veel bloed zag en vervolgens van de situatie wilde wegvluchten. Dit zou dan moeten verklaren waarom zij de auto van [slachtoffer] hebben genomen. De verdachten schetsen hiermee een situatie waarin zij in alle haast zouden zijn vertrokken. Deze geschetste situatie komt echter niet overeen met de feitelijke gedragingen van verdachten. Uit het dossier blijkt namelijk dat de verdachten eerst allerlei tassen met (persoonlijke) spullen in de auto hebben geladen en vervolgens met de auto zijn weggereden. Na enkele minuten zijn verdachten weer terug naar de woning teruggekeerd. Er wordt dan nog iets in de achterbak van de auto gelegd waarna de auto de oprit weer verlaat. Daarna worden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] nog gezien in een straat nabij [adres 2] . Volgens de verklaring van verdachten zijn ze dan nogmaals teruggekeerd om spullen te zoeken. Verdachte [verdachte ] zit dan achter het stuur in de auto elders op een oprit. Pas daarna vertrekken de verdachten richting Rotterdam. Deze feitelijke gedragingen spreken de verklaring van [medeverdachte 2] over het in allerijl uit de woning vluchten naar het oordeel van de rechtbank tegen. De rechtbank gaat daarom ook niet mee met het betoog van de raadsman dat het geweld tegen [slachtoffer] losstaat van de diefstal van de auto.
Het is de rechtbank niet ontgaan dat [slachtoffer] wisselend heeft verklaard. Toch acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] over de gebeurtenissen in de woning geloofwaardig, omdat zijn verklaring op meerdere punten verankering in de overige bewijsmiddelen vindt. Die bewijsmiddelen komen er in de kern op neer dat [slachtoffer] in de woning aan de [adres 2] door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is bespoten met pepperspray en met een machete is geslagen en gesneden, dat zijn autosleutels afhandig zijn gemaakt, dat verdachten gezamenlijk de auto van [slachtoffer] hebben ingeladen met hun eigen spullen, dat verdachten er in eerste instantie vandoor zijn gegaan, dat zij zijn teruggekeerd, waarna zij persoonlijke spullen hebben ingeladen en uiteindelijk gezamenlijk naar Rotterdam zijn vertrokken met [verdachte ] als bestuurder van de auto. Laatstgenoemde heeft zich tot slot nog aan zijn staandehouding door de politie proberen te onttrekken.
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden tot welk strafbaar feit dit dient te leiden.
Dwang?
De rechtbank is van oordeel dat, zoals ook de officier van justitie heeft gesteld, onvoldoende is gebleken van dwang (primair tenlastegelegde). Het ‘dwingen’ in de zin van artikel 317 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) veronderstelt dat het slachtoffer zonder het op hem toegepaste dwangmiddel niet tot de afgifte van het goed of de goederen zou zijn overgegaan. In de tenlastelegging is de door de verdachten vermeende uitgeoefende dwang omschreven als zeggen dat [slachtoffer] zijn auto/al zijn spullen af moest geven, [slachtoffer] (meermalen) met een machete slaan/snijden en hem bespuiten met pepperspray. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij de woning binnen ging, dat de verdachten meteen zeiden dat hij zijn autosleutels en andere spullen af moest geven en dat ze hem toen meteen begonnen te mishandelen. Het is niet duidelijk geworden of [slachtoffer] de spullen ook daadwerkelijk zelf heeft afgegeven of dat verdachten hem deze spullen (met geweld) hebben afgenomen. De rechtbank acht dat laatste aan de orde. Daarom is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat [slachtoffer] zijn spullen heeft afgegeven als gevolg van dwang, zodat de verdachten van het primair ten laste gelegde feit zullen worden vrijgesproken.
Weggenomen goederen.
Wel kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachten de auto van [slachtoffer] hebben weggenomen met gebruikmaking van de sleutels (subsidiair tenlastegelegde). De verdachten zijn uiteindelijk met deze auto staande gehouden in de buurt van Rotterdam.
Naar het oordeel van de rechtbank kan verder niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachten de telefoon, portemonnee en rugtas van [slachtoffer] hebben meegenomen. Bij de staandehouding van de verdachten zijn in de auto weliswaar verschillende goederen aangetroffen, waaronder een blauwe rugtas (met bloedspetters), maar niet duidelijk is geworden of dit de rugtas van [slachtoffer] was (van het merk Puma). Het dossier geeft daar geen duidelijkheid over. Datzelfde geldt voor de in de auto aangetroffen telefoon. Verder is noch in de auto van [slachtoffer] , noch bij verdachten een portemonnee aangetroffen.
De rol van ieder van de verdachten.
De rechtbank moet ook de vraag beantwoorden of het handelen van verdachten kan worden aangemerkt als medeplegen. Van medeplegen is sprake als is gebleken van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van [verdachte ] als zodanig worden aangemerkt. Hij heeft weliswaar zelf geen geweld gebruikt tegen [slachtoffer] , maar hij was wel aanwezig toen [slachtoffer] met pepperspray werd bespoten en werd geslagen en gesneden met een machete. Ook op zijn kleding is het DNA van het slachtoffer aangetroffen. Hij heeft zich niet onttrokken aan de situatie en heeft (bijvoorbeeld) niet de politie gebeld, maar hij is er uiteindelijk samen met de andere verdachten in de auto van [slachtoffer] vandoor gegaan. [verdachte ] heeft de auto bestuurd. Daarmee heeft [verdachte ] een cruciaal aandeel gehad in de daadwerkelijke diefstal van de auto. Ook heeft hij daarmee in zekere zin geprofiteerd van het tegen aangever gebruikte geweld. [verdachte ] lijkt zich bovendien te willen onttrekken aan zijn staandehouding. Dit terwijl verdachte heeft verklaard bang te zijn geweest voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Dat [verdachte ] niet meteen is gestopt voor de politie is, gelet op die verklaring, niet te begrijpen. Dat geldt ook voor het feit dat [verdachte ] pas bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak voor het eerst met deze verklaring komt.
Naar het oordeel van de rechtbank kan [verdachte ] daarom worden aangemerkt als medepleger van de diefstal met geweld van de auto. Hij heeft een wezenlijke bijdrage aan dit feit geleverd.
Dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als medeplegers van genoemd feit kunnen worden aangemerkt spreekt voor zich. Hun handelen is aan te merken als het gezamenlijk uitvoeren van het delict, waarbij hun rollen inwisselbaar zijn.
Conclusie.
De rechtbank acht gelet op al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte ] zich schuldig hebben gemaakt aan de diefstal, in vereniging, met geweld van de auto van [slachtoffer] .

De bewezenverklaring.

Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 5 juli 2025 te Budel, gemeente Cranendonck,
tezamen en in vereniging met anderen,
een personenauto,
die aan [slachtoffer] toebehoorde
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld
tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, het bezit van het gestolene te verzekeren,
door die [slachtoffer] meermalen met een machete te slaan en te snijden en die [slachtoffer] te bespuiten met pepperspray.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Bij een bewezenverklaring heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte – kort samengevat – volledig in shock verkeerde door de plotselinge uitbarsting van geweld tegen [slachtoffer] die in zijn woning plaatsvond. Daardoor was hij doodsbang geworden dat hem ook wat werd aangedaan. Hij kon geen weerstand bieden tegen hetgeen de medeverdachten hem opdroegen te doen. Volgens de verdediging verkeerde hij daarmee in een situatie van psychische overmacht. Verdachte zou daarom moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Dit verweer komt de rechtbank onaannemelijk voor, zodat het beroep op psychische overmacht dient te worden afgewezen. Voor zover al uitgegaan zou moeten worden van de juistheid van het verhaal van verdachte, dan is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier, noch uit de verklaring van verdachte is gebleken van een drang of dwang waaraan hij geen weerstand heeft kunnen bieden.
De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht geëist.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft betoogd dat bij een bewezenverklaring rekening moet worden gehouden met de rol van verdachte. Deze rol is van aanzienlijk minder gewicht dan die van de medeverdachten. Hij heeft geen enkele rol gehad in het toepassen van het geweld jegens aangever. Verder dient mee te wegen dat verdachte jong en geen relevante documentatie in Nederland heeft. De verdediging heeft verzocht om een gevangenisstraf op te leggen die de duur van de voorlopige hechtenis niet te boven gaat.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemene overweging.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de diefstal van een auto. Daarbij hebben verdachte en één van zijn medeverdachten grof geweld gebruikt. Het slachtoffer is geslagen en gesneden met een machete en heeft daar verwondingen en littekens aan overgehouden. Bovendien is het slachtoffer flink bespoten met pepperspray. Hij heeft in het ziekenhuis circa 30 minuten onder de douche moeten staan om de pepperspray van zijn gezicht en lichaam te spoelen en dat was nadat de brandweer hem ter plekke al had afgespoten.
Zoals hiervoor overwogen, was verdachte erbij toen geweld werd gebuikt tegen het slachtoffer en kan zijn rol in het geheel worden aangemerkt als die van medepleger. Dat hij zelf geen geweld heeft gebruikt, is naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid waar in strafverminderende mate rekening gehouden dient te worden. Verdachte heeft ook niets gedaan om het slachtoffer te helpen. Bovendien is het verdachte geweest die de gestolen auto heeft bestuurd en die zich heeft willen onttrekken aan zijn staandehouding. Daarbij heeft verdachte met zijn rijgedrag gevaar veroorzaakt voor andere weggebruikers.
Feiten als deze kenmerken zich doordat zij een ernstige inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen daarvan ondervinden. Dat deze zaak indruk heeft gemaakt op het slachtoffer volgt uit de toelichting op de vordering benadeelde partij. Daarnaast veroorzaken feiten als deze maatschappelijke onrust en brengen ze een gevoel van onveiligheid teweeg. Meerdere omstanders hebben het slachtoffer bebloed door Budel zien lopen.
De rechtbank rekent deze feiten verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van
16 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte op 1 juli 2025 onherroepelijk is veroordeeld voor een winkeldiefstal. Uit het Poolse uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 juli 2025 blijkt dat verdachte in de afgelopen 5 jaren voor meerdere diefstallen onherroepelijk is veroordeeld tot onder andere gevangenisstraffen.
S
raftoemeting.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank komt gelet op het voorgaande en gelet op straffen in vergelijkbare zaken echter tot een lagere straf dan door de officier van justitie geeist en is van oordeel dat hiermee de ernst van het feit voldoende tot uiting komt.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde heeft een bedrag van € 15.000,- gevorderd aan immateriële schadevergoeding. Voor de hoogte van de schade heeft de benadeelde partij aansluiting gezocht bij de ordening van de smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen zoals opgenomen in de Rotterdamse Schaal (hierna: de Rotterdamse Schaal). Volgens de benadeelde past zijn situatie bij onderdeel 10, sub b van de Rotterdamse Schaal. Bij dit onderdeel is een bandbreedte gegeven van een vergoeding tussen de € 5.500,- en € 16.000,-.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde geheel toegewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde dient te worden afgewezen. Subsidiair dient de vordering aanzienlijk te worden verlaagd tot een bedrag onder de € 1.100,-.
Het oordeel van de rechtbank.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat aan de benadeelde door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Voor de hoogte van die schade zal ook de rechtbank aansluiting zoeken bij de Rotterdamse Schaal.
Onderdeel 10 van de Rotterdamse schaal gaat over ‘Littekens aan andere delen van het lichaam’. De benadeelde partij heeft aansluiting gezocht bij sub b, dat ziet op middelzware littekenvorming. Het gaat dan om een aantal duidelijk zichtbare littekens, of één misvormend litteken. Anders dan de benadeelde partij, is de rechtbank van oordeel dat de littekens van de benadeelde partij meer passen bij onderdeel 10, sub c, dat ziet op minder ernstige littekenvorming. Het gaat dan om één duidelijk zichtbaar litteken, of een groot aantal oppervlakkige littekens met geringe cosmetische gevolgen. Naar het oordeel van de rechtbank past deze categorie beter bij de situatie van de benadeelde partij, omdat zijn littekens zich bevinden op zijn schouder en dijbeen. Dit zijn plekken van het lichaam die doorgaans niet duidelijk zichtbaar zijn. Daarom zijn de cosmetische gevolgen gering van aard.
Onderdeel 10, sub c, geeft een bandbreedte van € 1.500,- tot € 5.500,-. De rechtbank zal de schade, naar maatstaven van billijkheid, vaststellen op € 1.500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.
De benadeelde zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De benadeelde kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2025 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 47, 312 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
T.a.v. feit 1 subsidiair:
diefstal, voorafgegaan/vergezeld/gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden/die diefstal gemakkelijk te maken/ het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Oplegging van straf en maatregel:
legt op
een gevangenisstrafvoor de duur van 3 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, van een bedrag van
€ 1.500,00, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededaders is betaald.
Schadevergoedingsmaatregel:
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 1.500,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededaders is betaald.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.H.C. Merkx, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. R. Grimbergen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,
en is uitgesproken op 6 februari 2026.