ECLI:NL:RBOBR:2026:807

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
24/2473
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet open overheidAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing openbaarmaking informatie op grond van de Woo

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur om bepaalde informatie, waaronder bedrijfsgegevens van verzoekster, openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo).

De minister handhaafde het besluit na bezwaar, waarna verzoekster beroep instelde en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening indiende om de openbaarmaking op te schorten totdat het beroep is behandeld.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de openbaarmaking onomkeerbaar is en het belang van verzoekster bij uitstel zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit geschorst. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het besluit tot openbaarmaking wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2473

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: [naam] ),
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de minister

(gemachtigde: mr. P.J.C. Brussee).

Inleiding

1. In het besluit van 31 mei 2024 op een verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van de Woo [1] (kenmerk: [nummer] ) heeft de minister besloten informatie, die ook op verzoekster ziet, openbaar te maken. Verzoekster is het niet eens met dat besluit en heeft hiertegen bezwaar ingediend. Ook heeft zij dit verzoek om voorlopige voorziening ingediend waarmee zij openbaarmaking van die informatie wil opschorten tot de minister een beslissing op haar bezwaar heeft genomen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 4 augustus 2025 op het bezwaar van verzoekster heeft de minister het besluit van 31 mei 2024 gehandhaafd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld (kenmerk SHE 25/1956), zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
1.2.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het bestreden besluit van 4 augustus 2025. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb [2] maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het verzoek van verzoekster strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat het bestreden besluit van 4 augustus 2025 wordt geschorst totdat op het beroep van verzoekster is beslist.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Het gaat hier om het openbaar maken van gegevens in het kader van de Woo. De voorzieningenprocedure leent zich niet goed voor een inhoudelijke beoordeling. De voorzieningenrechter zal dit verzoek daarom beoordelen aan de hand van een belangenafweging.
4. Uitvoering van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de gevraagde (bedrijfs)gegevens van verzoekster openbaar moeten worden gemaakt, wat niet meer ongedaan kan worden gemaakt en dus onomkeerbaar is. Daarmee zou ook het belang aan de bodemprocedure komen te vervallen, omdat de informatie dan openbaar is. De Woo-verzoeker heeft aangegeven niet als derdepartij te willen deelnemen aan de procedure. Gelet op deze omstandigheden weegt het belang van verzoekster bij het uitstellen van de openbaarmaking tot de inhoudelijke beoordeling in beroep op dit moment zwaarder.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.
6. De minister moet het betaalde griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook moet de minister de proceskosten van eiseres vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Omdat elke proceshandeling een waarde heeft van € 934,-, bedraagt de vergoeding in totaal € 934,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
  • schorst het bestreden besluit totdat op het beroep is beslist;
  • bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht tot een bedrag van € 371,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wet open overheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.