ECLI:NL:RBOBR:2026:857

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 februari 2026
Zaaknummer
11594168_E05012026
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611a BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 6:96 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid studiekostenbedingen bij noodzakelijke scholing in zorgsector

Teamzorg B.V. vordert terugbetaling van studiekosten van haar voormalige werknemer, die opleidingen tot Helpende met certificaat Plus en Verzorgende IG volgde. De werknemer betwist de terugbetalingsplicht omdat het om noodzakelijke scholing zou gaan.

De kantonrechter stelt vast dat de studiekostenbedingen nietig zijn op grond van artikel 7:611a BW, omdat de opleidingen noodzakelijk waren voor de functie en dus kosteloos hadden moeten worden aangeboden. Dit geldt zowel voor de opleiding Helpende met certificaat Plus als voor de vervolgopleiding Verzorgende IG.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de werknemer een openstaand bedrag van €756,65 moet betalen voor een personeelslening en €5.771,14 voor overschrijding van privékilometers en eigen risico schade aan bedrijfsauto’s. De vordering voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens ontbreken van een correcte aanmaning.

De proceskosten worden gecompenseerd, en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitspraak bevestigt de bescherming van werknemers tegen terugvordering van studiekosten bij noodzakelijke scholing en benadrukt de wettelijke kaders en recente jurisprudentie.

Uitkomst: Studiekostenbedingen nietig, werknemer hoeft studiekosten niet terug te betalen, wel betaling personeelslening en autokosten.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11594168 CV EXPL 25-1383
Vonnis van 5 februari 2026
in de zaak van:
TEAMZORG B.V.,
gevestigd in Nijmegen,
eisende partij,
hierna te noemen: Teamzorg,
gemachtigde: mr. G.M. van Hooff,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.Deze zaak in het kort

1.1.
De hoofdvraag luidt of [gedaagde] een bedrag aan studiekosten aan haar voormalig werkgever Teamzorg moet terugbetalen. Twee andere, bijkomende vragen gaan over het aflossen van een personeelslening en kosten voor de door [gedaagde] gebruikte bedrijfsauto’s.
1.2.
[gedaagde] is op 3 april 2023 bij Teamzorg in dienst getreden als Leerling Helpende. [gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2024. Tijdens haar dienstverband bij Teamzorg heeft [gedaagde] eerst de opleiding tot Helpende (met aansluitend het certificaat Plus) gevolgd en behaald. Daarna is zij gestart met de (vervolg)opleiding Verzorgende Individuele Gezondheidszorg (hierna: Verzorgende IG). Teamzorg doet in deze procedure een beroep op de contractuele studiekostenbedingen en zij wil dat [gedaagde] een deel van de studiekosten aan haar terugbetaalt. [gedaagde] stelt daartegenover dat zij niets hoeft te betalen, met name niet omdat de opleidingen noodzakelijke scholing betroffen.
1.3.
De kantonrechter is van oordeel dat de studiekostenbedingen nietig zijn. Dat betekent dat deze afspraken niet geldig zijn. [gedaagde] hoeft dan ook de door Teamzorg gevorderde studiekosten niet terug te betalen. Wel dient [gedaagde] bedragen voor de personeelslening en de bedrijfsauto’s aan Teamzorg te voldoen. Hierna wordt dit stapsgewijs uitgelegd.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 4 maart 2025 van Teamzorg met 32 bijlagen,
- de conclusie van antwoord van 15 mei 2025 van [gedaagde] met 16 bijlagen,
- de e-mail van 27 november 2025 van [gedaagde] ,
- de brief van 27 november 2025 van Teamzorg met aanvullende bijlagen 33 en 34.
2.2.
Op 2 december 2025 heeft de kantonrechter de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de aanwezigen besproken. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Teamzorg werd tijdens de mondelinge behandeling vertegenwoordigd door [A] (algemeen manager) en de gemachtigde mr. G.M. van Hooff. [gedaagde] was in persoon aanwezig. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat 5 februari 2026 schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

3.Wat is er gebeurd?

Algemeen
3.1.
Teamzorg verricht diensten op het gebied van thuiszorg en ondersteuning aan voornamelijk ouderen in de regio Nijmegen.
3.2.
[gedaagde] (geboren op [geboortedatum] 1994) heeft in de periode van 3 april 2023 tot 1 oktober 2024 voor Teamzorg gewerkt. Dit was op basis van drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (twee schriftelijk en één mondeling). Op alle arbeidsovereenkomsten is de CAO voor Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (hierna: CAO VVT) van toepassing verklaard.
Aanloop naar de eerste arbeidsovereenkomst
3.3.
Bij Teamzorg staat permanent een vacature open voor de functie Helpende. In de vacaturetekst is bij de functie-eisen onder andere vermeld dat de sollicitant in het bezit moet zijn van een afgeronde opleiding Helpende. In praktijk gaat het zo dat Teamzorg vereist dat een sollicitant het diploma Helpende al heeft behaald of bereid is om dat alsnog te behalen. Teamzorg vindt het namelijk belangrijk dat elke werknemer “op papier een basis heeft in de zorg.”
3.4.
Op 23 maart 2023 heeft [gedaagde] een e-mail aan Teamzorg gestuurd, waarin zij haar interesse kenbaar heeft gemaakt voor de functie Helpende. In deze e-mail schrijft [gedaagde] onder meer:
“Ik heb ruim 6, 7 jaar ervaring in de zorg. (…) scholing heb ik ook gedaan maar niet kunnen afmaken bij me laatste werkgever omdat ik meer uren wilde en dat niet mogelijk was ben ik gestopt. Ik wil graag in de zorg werken want ik ben hiervoor geboren daarnaast wil ik ook graag studeren en werken me zelf vergroten ik ben fulltime beschikbaar. (…)”Bij deze e-mail zat ook haar cv bijgevoegd. Naar aanleiding hiervan hebben Teamzorg en [gedaagde] op 24 maart 2023 een sollicitatiegesprek gevoerd. Vervolgens heeft Teamzorg [gedaagde] een zogenoemde leer-/arbeidsovereenkomst aangeboden. Deze overeenkomst is op 3 april 2023 gesloten. Dat betreft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, namelijk voor de duur van de opleiding, maar uiterlijk tot 3 november 2023.
In artikel 2.1 van deze overeenkomst staat:
“De leerling treedt ten behoeve van het praktijkgedeelte van de beroepsopleiding Helpende Plus in dienst in de functie van Leerling Helpende Plus. Leerling verplicht zich om de werkzaamheden die tot zijn functie behoren, en overigens alle werkzaamheden die hem door of namens zijn werkgever worden opgedragen, naar beste vermogen en volgens de gegeven aanwijzingen te verrichten.”
In artikel 2.3 van deze overeenkomst staat:
“Werkgever verplicht zich leerling op te leiden of te doen opleiden terwijl leerling zich verplicht om in het kader van de opleiding gegeven opdrachten uit te voeren, met inachtneming van eigen verantwoordelijkheid. Een en ander met inachtneming van de bepalingen van het opleidingsreglement of praktijkovereenkomst voor de opleiding zoals dit/deze luidt of zal komen te luiden en dat/deze met deze leer/arbeidsovereenkomst één geheel vormt.”
Studiekostenbeding 1 (opleiding Helpende met certificaat Plus)
3.5.
Op 5 mei 2023 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden, vanwege het doorlopen van de proeftijd. Tijdens dit gesprek is vanuit Teamzorg aangegeven dat ze tevreden zijn over [gedaagde] . [gedaagde] heeft op haar beurt (opnieuw) gezegd zich te willen ontwikkelen. Zij wil eerst de opleiding Helpende aan het Zorgcollege in Nijmegen volgen (met het extra certificaat Plus), en daarna de versnelde opleiding Verzorgende IG. De eerste stap in het door [gedaagde] gewenste opleidingsproces betreft dus de opleiding Helpende met aansluitend het certificaat Plus. Hiervoor zijn partijen op 5 mei 2023 een studiekostenbeding overeengekomen. In artikel 1 van Pro dit beding staat:
“De werkgever vergoedt de kosten van de studie Helpende Plus aan het Zorgcollege van de werknemer voor een bedrag van € 3.595,00. Dit bedrag bestaat uit de volgende kosten:
a. € 2.945,00 Helpende inclusief examengeld (€ 175,00) en boekengeld (€ 205,00)
b. € 650,00 Keuzedeel Helpende Plus”
Verder staat in artikel 3 van Pro het studiekostenbeding samengevat:
“Werknemer is gehouden de in artikel 1 genoemde Pro studiekosten volledig aan werkgever terug te betalen indien het dienstverband binnen drie jaar na afronding van de studie wordt beëindigd op initiatief van de werknemer.”
Aan de hiervoor beschreven verplichting tot terugbetaling is een afbouwregeling gekoppeld.
Studiekostenbeding 2 (aanvullend beding voor opleiding Helpende met certificaat Plus)
3.6.
Vervolgens is op 7 juni 2023 een aanvullend studiekostenbeding overeengekomen, omdat het eerste studiekostenbeding niet volledig dekkend was. In artikel 1 van Pro dit beding staat:
“De werkgever vergoedt de kosten van de studie Helpende Plus aan het Zorgcollege van de werknemer voor een bedrag van € 530,00. Dit bedrag bestaat uit de volgende kosten:
a. € 530,00 aanvullend vanwege vorige studiekostenbeding niet het gehele bedrag dekt.”
Artikel 3, over de terugbetalingsverplichting, is gelijk aan het eerste studiekostenbeding.
Diploma Helpende met certificaat Plus behaald
3.7.
Op 20 maart 2024 heeft [gedaagde] het diploma Helpende met het (extra) certificaat Plus behaald. Dat certificaat ziet op het zelfstandig mogen verrichten van extra technische vaardigheden behorend bij de functie Helpende. Het gaat dan bijvoorbeeld om het zelfstandig aanreiken van medicatie. Het certificaat is twee jaar geldig.
Studiekostenbeding 3 (opleiding Verzorgende IG)
3.8.
Na afronding van de hiervoor genoemde opleiding met certificaat, zijn partijen op initiatief van [gedaagde] met elkaar in gesprek gegaan over de volgende stap binnen het door [gedaagde] gewenste opleidingsproces. [gedaagde] wilde namelijk ook de opleiding Verzorgende IG volgen. Daarom zijn partijen een leer-/arbeidsovereenkomst overeengekomen voor de functie van Leerling Verzorgende IG, en wel voor de duur van de opleiding maar uiterlijk tot 30 juni 2025. Deze arbeidsovereenkomst is gesloten op 22 maart 2024. In artikel 2.1 van deze overeenkomst staat:
“De leerling treedt ten behoeve van het praktijkgedeelte van de beroepsopleiding verzorgende IG in dienst van de functie Leerling Verzorgende IG. Leerling verplicht zich om de werkzaamheden die tot zijn functie behoren, en overigens alle werkzaamheden die hem door of namens werkgever worden opgedragen, naar beste vermogen en volgens de gegeven aanwijzingen te verrichten.”
In artikel 2.3 van de arbeidsovereenkomst staat:
“Werkgever verplicht zich leerling op te leiden of te doen opleiden terwijl leerling zich verplicht om in het kader van de opleiding gegeven opdrachten uit te voeren, met inachtneming van eigen verantwoordelijkheid. Een en ander met inachtneming van de bepalingen van het opleidingsreglement of praktijkovereenkomst voor de opleiding zoals dit/deze luidt of zal komen te luiden en dat/deze met deze leer/arbeidsovereenkomst één geheel vormt.”
3.9.
In dat kader is op 25 maart 2024 een studiekostenbeding overeengekomen. In artikelen 1 en 2 van dit beding staat:
“De werkgever vergoedt de kosten van de studie Verzorgende IG aan het Zorgcollege van de werknemer voor een bedrag van € 6.601,25.
Dit bedrag bestaat uit de volgende kosten:
a. € 5.771,25 voor de opleiding,
b. € 420,00 voor het boekenpakket,
c. € 125,00 voor lesmaterialen,
d. € 285,00 voor examengeld.”
Daarnaast staat in artikel 3 onder Pro c en artikel 5 van Pro het studiekostenbeding samengevat:
“Werknemer is gehouden de in artikel 1 genoemde Pro studiekosten volledig aan werkgever terug te betalen indien het dienstverband tijdens de opleiding wordt beëindigd op initiatief van de werknemer en/of indien het dienstverband binnen drie jaar na afronding van de studie wordt beëindigd op initiatief van de werknemer.”
Verder staat in artikel 14 van Pro de arbeidsovereenkomst over de opleidingskosten:
“Indien deze leer- arbeidsovereenkomst eindigt zonder dat het diploma is behaald, geldt de volgende terugbetalingsregeling: de door de werkgever gemaakte kosten in het kader van de opleiding dienen volledig te worden terugbetaald.”
Aan de hiervoor beschreven verplichting tot terugbetaling is een afbouwregeling gekoppeld.
Opleiding Verzorgende IG niet afgerond
3.10.
[gedaagde] is gestart met de opleiding Verzorgende IG, maar heeft deze opleiding niet afgemaakt.
Personeelslening en bedrijfsauto’s
3.11.
Tijdens het dienstverband is [gedaagde] met Teamzorg een personeelslening aangegaan, waarvoor partijen een overeenkomst hebben ondertekend. Ook zijn meerdere overeenkomsten met betrekking tot de door [gedaagde] te gebruiken bedrijfsauto’s met tankpas gesloten.
Einde arbeidsovereenkomst
3.12.
[gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2024.
3.13.
Daarna hebben partijen discussie gekregen over de (terug)betaling van studiekosten, de personeelslening en de kosten voor de bedrijfsauto’s.

4.De beoordeling door de kantonrechter

4.1.
Omdat het springende punt in deze zaak de studiekosten vormen, komen deze eerst aan bod. Daarna wordt ingegaan op de personeelslening en de bedrijfsauto’s.
A. Studiekosten
Vermindering van eis
4.2.
Voorop wordt gesteld dat de primaire en subsidiaire vordering met betrekking tot de studiekosten identiek aan elkaar zijn. In beide gevallen vordert Teamzorg namelijk nakoming van de contractuele terugbetalingsverplichting in het kader van de studiekostenbedingen en daarmee veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.618,75. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Teamzorg alle vorderingen ten aanzien van de studiekosten verminderd met € 2.687,18. Er resteert dus nog een bedrag van € 3.931,57.
Wettelijk kader
4.3.
In Nederland geldt op grond van het nationale recht sinds 2015 een zogeheten scholingsplicht. In dit verband is artikel 7:611a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van belang, en dan vooral de leden 1, 2 en 4 van dit wetsartikel. [1]
4.4.
In lid 1 is bepaald dat de werkgever de werknemer in staat moet stellen om de scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie.
4.5.
Uit lid 2 volgt, samengevat, dat de scholing kosteloos moet worden aangeboden als de werkgever op grond van de wet of cao verplicht is om die scholing aan een werknemer aan te bieden. Dit betekent dat de scholing kosteloos moet worden aangeboden als het gaat om scholing die een werkgever op basis van artikel 7:611a lid 1 BW dient aan te bieden aan een werknemer, omdat deze scholing noodzakelijk is voor diens werk. [2] Er is dus sprake van een verplichting. Er bestaat op deze verplichting geen uitzondering voor beroepsopleidingen. Als een beroepsopleiding aangemerkt moet worden als noodzakelijke scholing in de zin van artikel lid 1 BW, dan moet de werkgever ook die scholing op grond van lid 2 betalen en kan hij die kosten niet op de werknemer verhalen. [3] Naar het oordeel van de kantonrechter omvat dat begrip ook scholing die een werknemer in het belang van zijn werkgever volgt en scholing waarvoor geldt dat de werkzaamheden niet goed kunnen worden uitgevoerd zonder die scholing. Hetzelfde geldt voor scholing die nodig is om het functioneren te verbeteren of (onder omstandigheden) scholing die moet worden gevolgd om de werknemer elders binnen de onderneming in te kunnen zetten.
4.6.
In lid 4 van artikel 7:611a BW staat dat een beding (dus studiekostenbeding) waarbij de kosten van scholing als bedoeld in lid 2 worden verhaald op of verrekend met, kort gezegd, het loon van de werknemer, nietig is. Nietig betekent dat de afspraak niet geldt.
4.7.
Naast artikel 7:611a BW is het volgende relevant. Een werkgever mag afspraken maken over eventuele terugbetaling van de kosten die hij maakt voor scholing die niet is aan te merken als noodzakelijke scholing in de zin van artikel 7:611a lid 1 BW. Deze bevoegdheid is niet onbeperkt. Zij wordt begrensd door onder andere de eisen van goed werkgeverschap en de norm van redelijkheid en billijkheid. [4] Richtinggevend voor de geldigheid van afspraken over het terugbetalen van loon en studiekosten is het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 1983. [5] Eén van de criteria bij de beoordeling van de geldigheid van een afgesproken terugbetalingsverplichting voor de werknemer ten aanzien van studiekosten is dat de werkgever op voorhand duidelijk moet maken wat de consequenties zijn voor de werknemer als het tot de situatie komt waarin de werknemer studiekosten zou moeten terugbetalen.
Studiekostenbedingen 1 en 2 (opleiding Helpende met certificaat Plus)
4.8.
De kantonrechter is van oordeel dat zowel het eerste studiekostenbeding als het tweede (aanvullende) studiekostenbeding nietig is. Het gaat dan om de bedingen die zien op de opleiding Helpende met het certificaat Plus. De vordering van Teamzorg is tot zover dan ook niet toewijsbaar. Dit wordt uitgelegd als volgt.
4.9.
Het is duidelijk dat de opleiding Helpende valt onder het begrip noodzakelijke scholing. Het gaat namelijk om scholing die nodig is om de functie van Helpende bij Teamzorg uit te kunnen voeren. Dit heeft Teamzorg zelf toegelicht tijdens de mondelinge behandeling. Zo biedt deze opleiding een basis voor het uitvoeren van de benodigde handelingen en vaardigheden die horen bij de functie van Helpende. Dit komt ook tot uiting in de vacaturetekst voor Helpende, waarop [gedaagde] heeft gereageerd. Daarin staat dat een diploma Helpende is vereist of dat men bereid is dat diploma te halen. Verder heeft Teamzorg verklaard dat zij als organisatie een bepaalde kwaliteit aan cliënten wil leveren, en daar past deze opleiding bij. Daarnaast heeft Teamzorg aangevoerd dat zij (veel) waarde hecht aan ervaring en of een persoon past binnen haar bedrijf, maar los daarvan heeft Teamzorg benadrukt dat zij het belangrijk vindt dat elke werknemer een basis op papier heeft, in dit geval dus een afgeronde opleiding Helpende. Daarmee is de scholing in het belang van Teamzorg als werkgever en de opleiding Helpende is ook naar haar aard noodzakelijk voor het correct kunnen uitvoeren van de (medische) werkzaamheden. Tevens was voor Teamzorg van meet af aan duidelijk dat [gedaagde] zich wilde ontwikkelen door een studie te volgen en af te ronden. Dit heeft [gedaagde] in haar eerste contacten (e-mail en het daaropvolgende gesprek) met Teamzorg al laten weten. Vervolgens hebben partijen gelijktijdig een leer-/arbeidsovereenkomst gesloten en kort daarna zijn de studiekostenbedingen overeengekomen. Het was dus de bedoeling van beide partijen dat [gedaagde] zich zou ontwikkelen via scholing en Teamzorg zag dat ook als verplichting voor het uitoefenen van de functie.
4.10.
Hetzelfde geldt voor het certificaat Plus. Ook dat is in dit geval noodzakelijke scholing. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat dit certificaat nodig is om zelfstandig vaardigheden te mogen verrichten die horen bij de functie van Helpende. Dit is als het ware een (logisch) verlengstuk van de opleiding Helpende. Het Zorgcollege, waar [gedaagde] de opleiding Helpende volgde, heeft voorgesteld om dit certificaat te behalen (dit betrof slechts een paar extra opleidingsdagen).
4.11.
Teamzorg heeft overigens nauwelijks verweer meer gevoerd met betrekking tot studiekostenbedingen 1 en 2.
4.12.
Het voorgaande betekent dat er van uit moet worden gegaan dat de opleiding Helpende met het bijbehorende certificaat Plus voor [gedaagde] noodzakelijke scholing vormden. Daarom hadden de deze opleidingen kosteloos moeten worden aangeboden. De op die opleiding betrekking hebbende studiekostenbedingen zijn om die reden nietig.
Studiekostenbeding 3 (opleiding Verzorgende IG)
4.13.
De kantonrechter is van oordeel dat ook het derde studiekostenbeding nietig is. Dat betreft de (vervolg)opleiding Verzorgende IG. Dit deel van de vordering van Teamzorg is dus evenmin toewijsbaar. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
4.14.
Ook hier is relevant of het gaat om noodzakelijke scholing. De kantonrechter vindt dat dit zo is, en wel hierom. Teamzorg heeft met [gedaagde] een (derde) leer-/arbeidsovereenkomst gesloten voor de functie van Verzorgende IG. Dat is een aanwijzing dat Teamzorg [gedaagde] (op termijn) kon en wenste te werk te stellen in de functie van verzorgende IG. Deze aanwijzing wordt versterkt doordat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat Teamzorg altijd vacatures heeft openstaan, zowel binnen het team verzorgenden als binnen het verpleegteam (waartoe de functie verzorgende IG toebehoort). Dit is door Teamzorg tijdens de mondelinge behandeling beaamd. Daarbij komt dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft benadrukt dat zij een zeer goede werknemer was, dat ze (al snel en volledig) zelfstandig werkte en dat zij het dus (ook in de ogen van Teamzorg) in zich had om door te groeien. Ook dit is door Teamzorg bevestigd. Het volgen van een opleiding voor het doorgroeien naar Verzorgende IG is dan ook mede in het belang van Teamzorg. Teamzorg heeft er immers baat bij om een goede werknemer voor haar organisatie te behouden en perspectief te bieden. Bovendien heeft Teamzorg zich actief bemoeid met de vraag waar de opleiding tot Verzorgende IG gevolgd moest worden. Ook dat wijst in de richting van noodzakelijke scholing. Gelet op haar financieel kwetsbare situatie heeft [gedaagde] voorgesteld om de opleiding Verzorgende IG te volgen aan het ROC in Nijmegen, omdat de opleidingskosten daar lager waren dan op het commerciële Zorgcollege en zij niet opnieuw aan hoge kosten wilde vastzitten. Teamzorg ging daar echter niet mee akkoord, want het volgen van de opleiding aan het ROC zou meer tijd in beslag nemen dan aan het Zorgcollege. Dat was voor Teamzorg niet wenselijk, omdat er sprake was van een personeelstekort. Ook hieruit kan worden afgeleid dat noodzakelijke scholing aan de orde was.
4.15.
Dat het initiatief voor het volgen van de opleiding Verzorgende IG vanuit [gedaagde] kwam en dat Teamzorg op geen enkele manier [gedaagde] heeft verplicht om verder te studeren, mag zo zijn, maar dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet doorslaggevend bij beantwoording van de vraag of er in deze situatie sprake is van noodzakelijke scholing. [gedaagde] heeft vanaf het begin van het contact met Teamzorg keer op keer gezegd dat ze zich wil ontwikkelen. Zo was circa één maand na indiensttreding als Leerling Helpende al duidelijk dat [gedaagde] uiteindelijk de versnelde opleiding Verzorgende IG wilde volgen (zie het functioneringsgesprek van 5 mei 2023). Verder rechtvaardigt het argument van Teamzorg dat het personeelstekort niet wordt opgelost als [gedaagde] zou doorstromen naar Verzorgende IG (er valt dan immers een plek open voor Helpende) niet de conclusie dat Teamzorg geen behoefte heeft aan een werknemer die de functie Verzorgende IG kan vervullen. Er was immers permanent een vacature voor Verzorgende IG. Teamzorg heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat er binnen haar organisatie meer behoefte was aan werknemers die inzetbaar zijn op de functie Helpende dan aan een Verzorgende IG.
4.16.
Daarnaast heeft Teamzorg er nog op gewezen dat in de CAO VTT en bijbehorende toelichting, is bepaald dat wel degelijk geldige studiekostenbedingen overeen kunnen worden gekomen, wat Teamzorg sterkt in haar opvatting dat zij niet verplicht was om aan [gedaagde] een opleiding te verstrekken om het werk waarvoor zij is aangenomen uit te kunnen voeren. Deze cao-bepaling maakt het oordeel van de kantonrechter echter niet anders. Vast staat namelijk dat de CAO VTT is gebaseerd op inmiddels achterhaalde inzichten. Er was bij het sluiten van de CAO VTT nog een hoop onduidelijk over studiekostenbedingen. Aan die onduidelijkheid heeft de Hoge Raad op 26 september 2025 een einde gemaakt. [6] In dit geval moet aangenomen worden dat de partijen bij het cao-overleg zich nog geen rekenschap hebben gegeven van (de consequenties van) het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad, wat vermoedelijk samenhangt met het feit dat het voornoemde arrest van vrij recente datum is.
4.17.
De conclusie is dat de (vervolg)opleiding Verzorgende IG noodzakelijke scholing betrof en dat ook deze opleiding kosteloos had moeten worden aangeboden. Het studiekostenbeding dat op deze opleiding ziet is daarom nietig.
B. Personeelslening
4.18.
Teamzorg vordert verder betaling van een (restant) bedrag van € 756,65 met betrekking tot het aflossen van een personeelslening.
4.19.
Vast staat dat partijen op 26 februari 2024 een overeenkomst zijn aangegaan voor een personeelslening voor een totaalbedrag van € 1.500,00 netto tegen een rente van 3,8% per jaar en onder de voorwaarde dat [gedaagde] één jaar lang maandelijks € 127,59 dient af te lossen. Vast staat ook dat de lening en de daarover verschuldigde rente direct opeisbaar is door Teamzorg als er geen arbeidsovereenkomst meer bestaat tussen partijen, ongeacht de reden daarvan. Niet ter discussie staat dat [gedaagde] een deel van de lening al heeft afgelost en dat er op dit moment nog € 756,65 openstaat. [gedaagde] erkent bovendien dat zij laatstgenoemd bedrag aan Teamzorg moet betalen. Daarom zal de kantonrechter het gevorderde bedrag van € 756,65 toewijzen.
C. Bedrijfsauto’s
Het gevorderde bedrag
4.20.
Teamzorg vordert ook een bedrag aan kosten ten aanzien van door [gedaagde] tijdens het dienstverband gebruikte bedrijfsauto’s. Het gaat om twee auto’s in 2024. Het gevorderde bedrag is opgebouwd uit twee onderdelen:
excessief (fors meer dan toegestaan) gereden privékilometers en
schade als gevolg van het eigen risico.
Privékilometers
4.21.
Teamzorg stelt dat [gedaagde] € 5.271,14 dient te betalen vanwege de overschrijding van het maximum aantal gereden privékilometers met de bedrijfsauto’s. Teamzorg baseert dit op de tussen partijen overeengekomen gebruiksovereenkomsten van 3 januari 2024 en 7 juni 2024. Uit artikel 3 lid 2 van Pro beide gebruiksovereenkomsten blijkt kort gezegd dat het [gedaagde] is toegestaan om maximaal 12.500 kilometer per jaar privé met de bedrijfsauto te rijden en dat indien zij privé meer rijdt, deze kilometers bij [gedaagde] in rekening worden gebracht. Volgens Teamzorg heeft [gedaagde] in het jaar 2024 het aantal toegestane privékilometers van 12.500 met 22.918 kilometers overschreden, zodat [gedaagde] deze kilometers aan Teamzorg dient af te rekenen. Dat is dus 22.918 kilometers x € 0,23 = € 5.271,14.
4.22.
[gedaagde] heeft hier tegenin gebracht dat zij tijdens haar dienstverband gebruik heeft gemaakt van drie bedrijfsauto’s (waarvan twee bedrijfsauto’s in 2024), dat haar nooit duidelijk is gemaakt dat het aantal toegestane privékilometers geldt per jaar ongeacht het aantal bedrijfsauto’s, en dat zij in de veronderstelling verkeerde dat bij elke nieuwe bedrijfsauto de teller voor het aantal privékilometers op nul kwam te staan.
4.23.
In reactie hierop heeft Teamzorg aangevoerd dat duidelijk uit de gebruiksovereenkomsten blijkt dat het gaat om maximaal 12.500 kilometer per jaar, los van de hoeveelheid auto’s.
4.24.
De kantonrechter passeert het verweer van [gedaagde] . In de gebruiksovereenkomsten is ook naar het oordeel van de kantonrechter helder verwoord dat het gaat om het aantal privékilometers per jaar. Er zijn in de gebruiksovereenkomsten geen aanknopingspunten te vinden die wijzen in de richting van het standpunt van [gedaagde] dat de teller bij een andere bedrijfsauto op nul komt te staan. Als er voor [gedaagde] onduidelijkheden waren, dan had het op haar weg gelegen om daarover aan Teamzorg vragen te stellen.
4.25.
[gedaagde] dient dus € 5.271,14 aan Teamzorg te betalen.
Eigen risico
4.26.
Verder vordert [gedaagde] € 500,00 aan eigen risico ten aanzien van geleden schade aan de bedrijfsauto.
4.27.
Het staat vast dat [gedaagde] met de bedrijfsauto van Teamzorg op 7 augustus 2024 tegen een paaltje heeft gereden.
4.28.
[gedaagde] verweert zich in dit kader op de eerste plaats door aan te voeren dat de schade is ontstaan onder werktijd en daarom niet op haar kan worden verhaald. De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet, omdat in artikel 9 lid 6 van Pro de gebruikersovereenkomst van 7 juni 2024 staat dat in geval van schade een eigen risico van € 500,00 geldt. Uit de gebruiksovereenkomst blijkt niet dat het eigen risico niet geldt voor onder werktijd gemaakte schade. Daarbij komt dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat het voor haar helder was dat als zij schade zou rijden, dat er dan een eigen risico zou gelden.
4.29.
[gedaagde] verweert zich op de tweede plaats door aan te voeren dat zij de kosten van het eigen risico niet hoeft te betalen, omdat zij tijdens het voorval onder invloed was van zware medicatie (Oxycodon) waardoor ze suf werd en dat zij deze medicatie nota bene heeft gekregen van Teamzorg zodat zij – ondanks zware rugklachten – toch kon werken. Teamzorg betwist dat zij [gedaagde] heeft aangespoord om tijdens ziekte te werken, dat zij medicatie aan [gedaagde] heeft gegeven, en dat er sprake is van een causaal verband tussen de vermeende ziekte, het gebruik van de medicatie en de ontstane schade aan de bedrijfsauto. Bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing kan de kantonrechter niet vaststellen wat er precies is gebeurd, dus ook niet of het juist is wat [gedaagde] aanvoert en zo ja of dit ertoe zou kunnen leiden dat zij de kosten van het eigen risico niet hoeft te voldoen. Het is simpelweg het woord van [gedaagde] tegen het woord van Teamzorg, en er zijn geen schriftelijke stukken overgelegd waaruit één en ander zou kunnen worden afgeleid. Deze onduidelijkheid moet voor rekening van [gedaagde] blijven, die ten aanzien van het door haar gevoerde (bevrijdende) verweer het bewijsrisico draagt.
4.30.
Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] € 500,00 aan eigen risico moet betalen.
D. En verder
Buitengerechtelijke incassokosten
4.31.
Teamzorg vordert ook een vergoeding van € 897,97 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.32.
Dit onderdeel van de vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde vergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt. Er is namelijk niet gesteld en/of gebleken dat aan [gedaagde] een aanmaning (de zogeheten 14-dagenbrief) is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De brief van 3 oktober 2024, waarop Teamzorg in de dagvaarding wijst, voldoet in ieder geval niet aan de eisen. Ook tijdens de mondelinge behandeling kon de gemachtigde van Teamzorg desgevraagd niet aangeven of er een correcte 14-dagenbrief is verstuurd, en zo ja waar deze is terug te vinden in de processtukken.
Slotsom en proceskosten
4.33.
[gedaagde] krijgt gelijk wat betreft de studiekosten, en Teamzorg voor wat betreft de persoonlijke lening en de kosten in verband met de bedrijfsauto’s. Beide partijen krijgen dus deels (on)gelijk. Daarom worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd. Met compenseren wordt bedoeld dat elke partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.34.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Teamzorg dat vordert en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. [7] Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Teamzorg te betalen € 756,65 aan (restant) personeelslening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Teamzorg te betalen € 5.771,14 aan kosten voor de bedrijfsauto (privékilometers en eigen risico),
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Schollen-den Besten op 5 februari 2026.

Voetnoten

1.In 2022 heeft er een wijziging van artikel 7:611a BW plaatsgevonden naar aanleiding van de implementatie van artikel 13 van Pro de Richtlijn Transparante en Voorspelbare Arbeidsvoorwaarden (Richtlijn 2019/1152/EU).
2.Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1386, rechtsoverweging 3.5.4.
3.Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1386, rechtsoverweging 3.5.5.
4.Artikel 7:611 BW Pro en artikel 6:248 lid 2 BW Pro.
5.Hoge Raad 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC2816,
6.Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1386.
7.Artikel 233 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.