Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:918

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
406256 HA ZA 24-426
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 6:119 BWArt. 6:198 BWArt. 7:411 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling en schadevergoeding adviseur wegens vaststellingsovereenkomst

De adviseur, een accountantskantoor, vorderde betaling van openstaande facturen en een voorschot op schadevergoeding van de opdrachtgever, een financiële holding, naar aanleiding van fiscale advieswerkzaamheden en een geschil met de Belastingdienst.

Partijen hadden in 2017 een overeenkomst van opdracht gesloten en in 2022 een vaststellingsovereenkomst (VSO) waarin zij afspraken maakten over betalingen, kostenbegrotingen en kwijting. De adviseur stelde dat hij meer werkzaamheden had verricht dan waarvoor was betaald, waaronder het opstellen van een conclusie van repliek, en dat de opdrachtgever onrechtmatig had gehandeld door zonder overleg een schikking met de Belastingdienst te treffen.

De rechtbank oordeelde dat de VSO allesomvattende afspraken bevatte en dat alleen bedragen verschuldigd zijn die uit de VSO of geaccordeerde begrotingen voortvloeien. De aanvullende facturen waren niet verschuldigd omdat vooraf geen goedkeuring was gegeven. Ook was geen sprake van onrechtmatig handelen of tekortkoming door de opdrachtgever. De vorderingen werden afgewezen en de adviseur werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de adviseur af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

PUBLICEREN: op rechtspraak.nl.

RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/406256 / HA ZA 24-426
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
CROWE FOEDERER HOLDING B.V.,
te Eindhoven,
eisende partij,
hierna te noemen: de adviseur (mannelijk, enkelvoud),
advocaat: mr. P. van Zwijndregt,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de opdrachtgever (mannelijk, enkelvoud),
advocaat: mr. R.A. Stoks.

1.Kern van de zaak

1.1.
De adviseur heeft advieswerkzaamheden verricht voor de opdrachtgever. In deze procedure vordert hij – onder meer – betaling van € 69.084,70 in verband met openstaande facturen en van € 25.000,- aan voorschot op een schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Hieronder wordt dit toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 juni 2024 met 12 producties
- de conclusie van antwoord met 27 producties
- de brief van de rechtbank met bericht dat een mondelinge behandeling is bepaald
- een procesvolmacht van de adviseur
- een akte inbreng productie met productie 13, van de adviseur
- een akte inbreng producties met producties 28 en 29, van de opdrachtgever
- de mondelinge behandeling (zitting) van 24 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de zitting hebben (de advocaten van) beide partijen spreekaantekeningen overhandigd en voorgedragen.
2.2.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zal worden gewezen. Datum voor vonnis is nader bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
De adviseur is een accountantskantoor.
3.2.
De opdrachtgever is een financiële holding.
3.3.
Tussen de adviseur en de opdrachtgever heeft een zakelijke relatie bestaan op basis waarvan de adviseur, tegen betaling, (fiscale) advieswerkzaamheden verrichtte.
3.4.
Vanaf 2017 heeft de opdrachtgever met de Belastingdienst een geschil gehad.
3.5.
In december 2017 hebben partijen hun relatie vastgelegd in een overeenkomst van opdracht (hierna: de overeenkomst uit 2017). In de overeenkomst uit 2017 zijn, onder meer, uurtarieven weergegeven van de medewerkers van de adviseur en worden algemene voorwaarden van de adviseur van toepassing verklaard.
3.6.
De adviseur heeft, in verband met dit geschil, namens de opdrachtgever bezwaren ingediend bij de Belastingdienst. Deze bezwaren zijn op 11 oktober 2021 door de Belastingdienst ongegrond verklaard. Partijen hebben eind 2021 / begin 2022 nadere afspraken gemaakt, mede naar aanleiding van de beslissing van de Belastingdienst en omdat partijen onenigheid hadden over de door de adviseur gestuurde facturen. De afspraken zijn neergelegd in een vaststellingsovereenkomst van 4 februari 2022 (hierna: de VSO). In de VSO zijn partijen [1] onder meer het volgende overeengekomen:
De adviseur crediteert een bedrag van € 80.000,- ex btw,
Van elk bedrag dat uiteindelijk wordt toegekend als kostenvergoeding door de Belastingdienst aan de opdrachtgever, ontvangt de adviseur 50% tot maximaal het bedrag dat de adviseur nu voor zijn rekening neemt, zijnde € 80.000,- ex btw,
De opdrachtgever verstrekt de adviseur finale kwijting voor uitgevoerde werkzaamheden en gedeclareerde bedragen,
De adviseur stelt beroepschriften op. De kosten voor het opstellen van de beroepschriften worden begroot op € 35.000,-, ex btw,
Partijen zullen – nadat de Belastingdienst verweer(schriften) heeft ingediend naar aanleiding van de beroepschriften – in overleg treden over het vervolg van de procedure. De adviseur dient telkens per vervolgfase van de procedure vóóraf een kostenbegroting bij de opdrachtgever in. Als de opdrachtgever het daar niet mee eens is, kan hij een andere adviseur inschakelen.
3.7.
De adviseur heeft eind 2021 de beroepschriften ingediend. De werkzaamheden voor de beroepschriften zijn gefactureerd (€ 28.301,15 ex btw) en betaald.
3.8.
De Belastingdienst heeft op 4 maart 2022 verweerschriften ingediend.
3.9.
De adviseur heeft op 3 mei 2022 de opdrachtgever een e-mail gestuurd waarin:
a. hij hem op de hoogte stelt van de verweerschriften,
b. een kostenbegroting is opgenomen voor het indienen / opstellen van conclusies van repliek, en
c. waarin om toestemming wordt gevraagd voor het indienen / opstellen van de conclusies van repliek en instemming met de door de adviseur voorgestelde werkwijze en kostenbegroting.
3.10.
De opdrachtgever heeft de verzochte toestemming niet gegeven. Hij heeft aangegeven dat hij liever wilde aansturen op een compromis / schikking met de Belastingdienst. Partijen hebben gecorrespondeerd over (onder meer) de kosten voor de werkzaamheden voor het realiseren van een compromis. Per e-mail van 23 mei 2022 heeft de adviseur de kosten daarvoor begroot op € 29.740,- ex btw. In reactie daarop heeft de opdrachtgever aangegeven dat € 26.490,- ex btw (zijnde € 32.052,90 incl btw) “
meer dan ruim voldoende[is, toevoeging rechtbank]
om een compromis voorstel op te stellen, te behandelen en te begeleiden.[…]
Bij akkoord kunnen de werkzaamheden voor het opstellen van het compromisvoorstel starten.”
3.11.
De adviseur is aan de slag gegaan met een compromisvoorstel.
3.12.
Op 10 februari 2023 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de Belastingdienst en de opdrachtgever. De adviseur was daarbij ook aanwezig. Tijdens dit overleg zijn voorstellen besproken voor de afwikkeling van het geschil tussen de Belastingdienst en de opdrachtgever. Naar aanleiding van dit overleg hebben de Belastingdienst en de opdrachtgever een schikking getroffen (partijen zijn er niet over eens wanneer de schikking precies – tijdens of na het overleg – is getroffen). De schikking is schriftelijk vastgelegd.
3.13.
De adviseur heeft diverse facturen gestuurd. Partijen hebben daarover overleg gevoerd / gecorrespondeerd. Dat heeft niet geleid tot een schikking / afspraak.
3.14.
Op 28 juli 2023 en op 28 september 2023 heeft de opdrachtgever € 997,34 respectievelijk € 32.052,90 betaald.
3.15.
De adviseur is daarop deze procedure gestart.

4.Het geschil

4.1.
De adviseur vordert - samengevat -– bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
de opdrachtgever te veroordelen tot betaling van € 69.084,70, vermeerderd met rente,
voor recht te verklaren dat de opdrachtgever toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verbintenis uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst van 4 april 2022, althans dat de opdrachtgever onrechtmatig jegens de adviseur heeft gehandeld, zodat de opdrachtgever schadevergoeding aan de adviseur verschuldigd is, nader op te maken bij staat,
de opdrachtgever te veroordelen tot betaling van € 25.000,- (althans een in goede justitie te bepalen bedrag) aan voorschot op de verschuldigde schadevergoeding,
de opdrachtgever te veroordelen in de kosten van het geding, vermeerderd met rente.
4.2.
Volgens de opdrachtgever moeten de vorderingen worden afgewezen.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

De vordering tot betaling van € 69.084,70
5.1.
De adviseur vordert betaling van € 69.084,70. Dit bedrag is als volgt opgebouwd.
Toelichting
Bedrag (in €)
Factuur [nummer 1] dd 17.11.2022
64.761,62
Factuur [nummer 2] dd 22.12.2022
161,23
Factuur [nummer 3] dd 31.01.2023
248,05
Factuur [nummer 4] dd 13.02.2023
65,34
Factuur [nummer 5] dd 27.03.2023
522,72
Factuur [nummer 6] dd 11.04.2023
15.432,46
(Totaal facturen
81.191,42)
Rente t/m 23.01.2024
8.724,81
Incassokosten
12.178,71
(Totaal verschuldigd
102.094,94)
Betaald op 28.07.2023
-/- 997,34
Betaald op 28.09.2023
-/- 32.052,90
Totaal
69.044,70
5.2.
Over de vordering tot betaling van € 69.084,70 overweegt de rechtbank als volgt.
5.3.
Partijen zijn het over het volgende eens. Partijen hebben de VSO gesloten en de opdrachtgever heeft betaald zoals daarin is afgesproken:
  • voor de periode
  • er is met de VSO afgesproken dat betaald zou worden voor (de werkzaamheden verricht voor) de beroepschriften. Dat is gedaan. Er is € 28.301,15 (ex btw) betaald door de opdrachtgever.
  • over de periode
5.4.
Volgens de adviseur is de opdrachtgever echter meer verschuldigd dan (al) is betaald. Met zijn vordering tot betaling van € 69.084,70 vordert de adviseur betaling van dit meerdere.
5.5.
De adviseur legt aan zijn vordering, samengevat, het volgende ten grondslag.
Er is weliswaar betaald voor de werkzaamheden conform de VSO, maar de adviseur heeft meer werk verricht dan waarvoor is betaald. Zo heeft de adviseur onder meer een conclusie van repliek voorbereid. Als het compromisgesprek tijdig voor de deadline van de conclusie van repliek had plaatsgevonden en tot een compromis had geleid, dan waren de werkzaamheden die de adviseur heeft gefactureerd voor de conclusie ook verricht, namelijk ter voorbereiding en ondersteuning van het compromisgesprek. Weliswaar had de opdrachtgever voor deze werkzaamheden (onder meer het opstellen van een conclusie van repliek) geen akkoord gegeven, maar een adviseur moet altijd handelen in het belang van zijn cliënt, en de werkzaamheden (in het bijzonder: het opstellen van een conclusie) waren in het belang van opdrachtgever. Het niet indienen van de conclusie van repliek zou een beroepsfout zijn geweest. Pas na het bereiken van een compromis met de Belastingdienst heeft de opdrachtgever de adviseur laten weten dat hij zijn werkzaamheden moest stop zetten. Voor deze werkzaamheden (o.a. het opstellen van een conclusie) is niet betaald. Voor de werkzaamheden moet (gewoon) betaald worden. Dat volgt uit de overeenkomst tussen partijen, in het bijzonder uit artikel 7:411 BW Pro, het bepaalde in de overeenkomst van 2017 en uit de toepasselijke algemene voorwaarden. Subsidiair is de opdrachtgever gehouden te betalen op grond van zaakwaarneming (artikel 6:212 BW Pro), aldus de adviseur.
5.6.
De opdrachtgever heeft hiertegen, samengevat, het volgende verweer gevoerd.
Het gevorderde is niet verschuldigd. Partijen hebben met de VSO allesomvattende afspraken gemaakt. Met de VSO is een afspraak gemaakt voor het verleden (namelijk dat hetgeen al was gefactureerd verschuldigd blijft, minus € 80.000,-), voor de te verwachte werkzaamheden (de beroepschriften, namelijk werkelijke kosten tot max € 35.000,-) en voor andere werkzaamheden (namelijk dat de adviseur eerst met een voorstel begroting zou komen en dat de begrote kosten pas verschuldigd zijn als akkoord erop is gegeven). De opdrachtgever is zijn verplichtingen uit de VSO nagekomen: voor de beroepschriften is betaald (€ 28.301,15 (ex btw)) en, conform een nadere afspraak, is nog € 26.490,- ex btw, € 32.052,90 incl. btw betaald voor aanvullende werkzaamheden, nadat de opdrachtgever akkoord had gegeven. De opdrachtgever is niet gehouden aanvullend te betalen, omdat hij niet vooraf akkoord heeft gegeven op de werkzaamheden (althans de kosten daarvoor), aldus de opdrachtgever.
5.7.
De rechtbank stelt het volgende voorop.
5.8.
De opdrachtgever heeft betaald wat hij volgens de VSO en wat hij volgens een nadere specifieke afspraak moest betalen. Het geschil komt neer op de vraag of de opdrachtgever – daarnaast – moet betalen voor werkzaamheden, waarvoor dus geen specifieke betalingsafspraak is gemaakt (zoals met de VSO). Partijen zijn het daar niet over eens: de adviseur meent van wel, de opdrachtgever meent van niet. Partijen leggen in feite hun onderlinge afspraken anders uit.
5.9.
Voor de vraag wat partijen zijn overeengekomen moet worden gekeken naar hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en hetgeen zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (de wils-/vertrouwensleer beschreven in artikel 3:33 en Pro 3:35 BW). Daarbij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.
5.10.
In het licht van deze maatstaf is de rechtbank met de opdrachtgever van oordeel dat partijen met de VSO allesomvattende afspraken hebben gemaakt over de verschuldigde bedragen.
5.11.
De VSO is namelijk tot stand gekomen, zoals onbetwist is gesteld, omdat de opdrachtgever vond dat de facturen tot dan toe te hoog waren en partijen een oplossing wilden om samen verder te gaan. Verder bevat de VSO een oplossing voor de verschuldigdheid van bedragen over alle periodes: voor het verleden (creditering van € 80.000,-, kwijting voor het overige), voor de lopende opdracht (namelijk voor de beroepschriften, inhoudend max € 35.000,- ex btw) en voor de toekomst (per vervolgfase wordt vóóraf een kostenbegroting ingediend). Dat voor de toekomstige werkzaamheden vooraf een kostenbegroting moest worden ingediend blijkt uit de volgende passage uit de VSO:
[de adviseur, wijziging rechtbank]
geeft hierna bij iedere stap in het vervolg van de procedure telkenmalevoorafeen indicatie van de hoogte van haar declaratie, na afronding van iedere fase. Het staat[de opdrachtgever, wijziging rechtbank]
uiteraard vrij om na afronding van een fase een andere adviseur voor de begeleiding van de casus in te schakelen”(onderstreping rechtbank)
Uit deze woorden volgt dat de adviseur vóór het verrichten van werkzaamheden (aangeduid als “
iedere stap in het vervolg van de procedure”) een indicatie van de kosten zou geven.
5.12.
De bedoeling van de VSO was dus om de opdrachtgever duidelijkheid en controle te verschaffen over wat hij verschuldigd was en voortaan zou zijn. Dat blijkt uit de VSO en de aanloop naar de VSO en dat heeft de adviseur, naar het oordeel van de rechtbank, ook moeten begrijpen. Tegen die insteek van hun afspraken heeft de adviseur geen bezwaar gemaakt.
5.13.
Gevolg is dat, omdat partijen met de VSO allesomvattende afspraken hebben gemaakt, in beginsel alleen bedragen toewijsbaar zijn als de verschuldigdheid daarvan volgt (1) uit de VSO of (2) uit nadere afspraken die partijen hebben gemaakt, zoals een geaccordeerde kostenbegroting.
5.14.
Het openstaande bedrag van de factuurbedragen (€ 48.141,18) is
nietverschuldigd, omdat de verschuldigdheid hiervan volgt noch uit de VSO, noch uit nadere afspraken. Dat uit de VSO of uit nadere afspraken blijkt dat de factuurbedragen verschuldigd zijn, is niet gesteld noch gebleken.
5.15.
Volgens de adviseur behoefde hij geen toestemming te hebben op een kostenbegroting voordat de adviseur de werkzaamheden kon factureren, maar dat ziet de rechtbank anders. De rechtbank is van oordeel dat uit de bedoeling van de VSO volgt dat deze toestemming eerst moest zijn gegeven. De bedoeling van de VSO was immers mede om ervoor te zorgen dat de opdrachtgever controle kreeg over dat wat hij moest betalen. Het ontbreken van het vereiste van goedkeuring van die begroting door de opdrachtgever zou deze afspraak zinledig maken. Dat is ook waarom partijen zijn overeengekomen dat voor iedere fase
voorafeen begroting moet zijn gegeven en dat partijen zijn overeengekomen dat als de opdrachtgever het daar niet mee eens is, hij een andere adviseur kan inschakelen. De adviseur heeft ook zelf volgens die lijn gehandeld (zie rechtsoverweging 3.9).
5.16.
De adviseur heeft erop gewezen dat de opdrachtgever een andere adviseur had kunnen inschakelen en dat hij dat niet heeft gedaan. Uit het niet inschakelen van een andere adviseur terwijl hij wel op de hoogte was van de begroting mocht de adviseur, naar de rechtbank de redenering van de adviseur begrijpt, afleiden dat de opdrachtgever akkoord was met de werkzaamheden (en dus ook de kosten). De rechtbank ziet dit echter anders. Dat de opdrachtgever op de hoogte was van een begroting betekent nog niet dat de adviseur aan de slag kon gaan en dat de opdrachtgever de werkzaamheden dan zou moeten vergoeden. Uit de bewoording van de VSO (vooral het woord “
vooraf”) en de bedoeling van de VSO blijkt juist dat eerst (/ vooraf) een begroting moest zijn goedgekeurd bij “
iedere stap in het vervolg van de procedure”. Dat het woord “goedkeuring” in de VSO ontbreekt, maakt dit niet anders.
5.17.
De adviseur heeft toegelicht dat – kort gezegd – de facturen zien op allerlei (aanvullende) werkzaamheden die hij in het belang van de opdrachtgever heeft verricht, waaronder voor de conclusie van repliek, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat deze bedragen verschuldigd zijn. Dat de werkzaamheden zijn verricht en dat zij (veronderstellenderwijs) in het belang waren van de opdrachtgever is niet voldoende. Zoals weergegeven hadden partijen immers afgesproken in welke gevallen werkzaamheden konden worden gefactureerd, namelijk als
voorafeen kostenbegroting was gestuurd en was geaccepteerd, en dat is in dit geval (afgezien van het erkende en betaalde bedrag van € 32.052,90) niet gebeurd.
5.18.
Voor zover de adviseur heeft bedoeld te betogen dat hij geen tijd had om voorafgaand aan de conclusie van repliek een kostenbegroting te maken (zodat het ontbreken van toestemming hem niet kan worden tegengeworpen), volgt de rechtbank de adviseur daarin niet. De adviseur heeft dit betoog namelijk niet concreet gemaakt – zo is niet gesteld wanneer de conclusie van repliek uiterlijk moest zijn ingediend. In ieder geval volgt uit de wel gestelde feiten dat de adviseur de tijd had om vóór het opstellen van een conclusie van repliek een begroting te maken. De verweerschriften zijn namelijk op 4 maart 2023 ingediend, zodat het vanaf toen al duidelijk moet zijn geweest dat mogelijk een conclusie van repliek moest worden ingediend (waarvoor de adviseur bij brief van 31 mei 2022 van de rechtbank kennelijk uitstel had verkregen), en de adviseur heeft gesteld dat de rechtbank pas 4,5 maand later (op 20 juli 2022) heeft aangegeven dat geen uitstel voor de conclusie van repliek meer werd toegestaan. De adviseur had dus ook, naar het oordeel van de rechtbank, genoeg tijd om zich terug te trekken zonder een conclusie van repliek op te stellen, zonder dat dit een beroepsfout zou zijn.
5.19.
De adviseur heeft een beroep gedaan op artikel 7:411 BW Pro, de overeenkomst van 2017 en op de toepasselijke algemene voorwaarden, maar dit maakt het oordeel niet anders. Met de VSO zijn partijen afgeweken van hun oudere afspraken (de overeenkomst van 2017 en de algemene voorwaarden) en van de wettelijke regeling van 7:411 BW. De adviseur kan dan niet terugvallen op de oudere afspraken en/of op de wettelijke regeling.
5.20.
De adviseur heeft ook een beroep gedaan op zaakwaarneming (artikel 6:198 BW Pro), maar daarvan is geen sprake. Zaakwaarneming ziet op de situatie dat partijen geen andere rechtsverhouding met elkaar hebben, maar dat is hier niet aan de orde omdat partijen met elkaar een overeenkomst van opdracht hadden (gesloten).
5.21.
De conclusie is dus dat het niet betaalde deel van de facturen (€ 48.181,18) niet verschuldigd is.
5.22.
De adviseur heeft ook rente en incassokosten gevorderd. Deze vorderingen zijn niet toewijsbaar.
Zoals onbetwist is gesteld, is de rente verschuldigd vanaf de vervaldata van de facturen. Het is echter niet duidelijk wanneer de verschuldigde bedragen (€ 997,34 en € 32.052,90) zijn gefactureerd en dus wat de vervaldata zijn van deze bedragen. Er zijn andere bedragen gefactureerd en niet deze bedragen.
Voorwaarde voor het verschuldigd worden van incassokosten is dat de schuldenaar (in dit geval de opdrachtgever) in verzuim verkeert, maar dat dit het geval is wat betreft de wel verschuldigde bedragen, is niet gebleken. Ook hier weer omdat het niet duidelijk is wanneer de bedragen zijn gefactureerd.
De verklaring voor recht dat de opdrachtgever is tekort geschoten en het gevorderde voorschot
5.23.
De adviseur vordert te verklaren voor recht dat de opdrachtgever is tekort geschoten althans onrechtmatig heeft gehandeld en vordert betaling van een voorschot van € 25.000,- op schadevergoeding.
5.24.
Hij legt hieraan het volgende ten grondslag.
De opdrachtgever heeft geschikt met de Belastingdienst en heeft daarbij geen (proces)kostenvergoeding bedongen. Sterker nog: de opdrachtgever heeft tegenover de Belastingdienst afstand gedaan van zijn recht op (proces)kostenvergoeding. Daardoor is hij, de adviseur, een vergoeding misgelopen. Met de VSO waren de opdrachtgever en de adviseur immers overeengekomen dat de adviseur 50% van de (proces)kostenvergoeding zou ontvangen. Door zonder overleg met de adviseur het compromis te sluiten en zich daarbij geen rekenschap te geven van de belangen van de adviseur of zich niet de belangen van de adviseur aan te trekken, is de opdrachtgever toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de VSO. De kans dat de opdrachtgever een (proces)kostenvergoeding van de Belastingdienst had gekregen was groot. Dat blijkt (onder meer) uit het feit dat de Belastingdienst bereid was zijn aanslag Vpb over de jaren 2011 en 2012 van € 300.000,- tegen een proceskostenveroordeling weg te strepen. Subsidiair heeft de opdrachtgever onrechtmatig gehandeld door inbreuk te maken op het vorderingsrecht van de adviseur, te weten door jegens de Belastingdienst afstand te doen van zijn vordering tot betaling van proceskostenveroordeling althans doordat de opdrachtgever afstand heeft gedaan van de hem toekomende rechten om een kostenvergoeding te vorderen.
5.25.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen moeten worden afgewezen.
5.26.
De opdrachtgever had geen verplichting om een (proces)kostenvergoeding te bedingen en van een vorderingsrecht van de adviseur hiertoe is dan ook geen sprake. Dat de opdrachtgever een dergelijke verplichting had, is de rechtbank niet gebleken.
5.27.
In de VSO is een dergelijke verplichting niet opgenomen, noch ergens anders.
5.28.
Verder zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gebleken waaruit een dergelijke – impliciete – verplichting volgt.
5.29.
De adviseur baseert het bestaan van de impliciete verplichting op de aanname dat er een grote kans was dat de opdrachtgever een werkelijke proceskostenvergoeding had kunnen bedingen, maar dat is betwist en naar het oordeel van de rechtbank volgt dat niet uit de feiten. De adviseur baseert zijn standpunt (dat er een grote kans was dat de Belastingdienst de werkelijke proceskosten zou vergoeden) op hetgeen tijdens en na het overleg van 10 februari 2023 heeft plaatsgevonden: er zou een uitruil hebben plaatsgevonden van aanslagen Vpb over de jaren 2011 en 2012 van € 300.000,- tegen de vergoeding van de werkelijke proceskosten, aldus de adviseur, en dus, zo begrijpt de rechtbank de redenering, vond de Belastingdienst ook wel dat zij een substantieel deel van de werkelijke proceskosten moest vergoeden. Dat er echter een ‘uitruil’ heeft plaatsgevonden is betwist. Volgens de opdrachtgever waren de argumenten van opdrachtgever (en de adviseur) tegen de Vpb aanslagen overtuigend en is dat de reden dat de Belastingdienst afstand deed van de beweerde vorderingen (en dus niet een ‘uitruil’). Deze uitleg wordt op verschillende wijzen ondersteund:
  • de Belastingdienst gaf de vermeende vordering van € 300.000,- tijdens het overleg van 10 februari 2023 direct weg (aldus de adviseur zelf, randnummer 32 dagvaarding - dus niet na een uitruil), en
  • de belastinginspecteur heeft toegegeven dat hij onvoldoende verweer kon voeren tegen hetgeen was aangevoerd in de conclusies van repliek (aldus de adviseur zelf, randnummer 32 dagvaarding).
De adviseur heeft zijn uitleg (dat er sprake is geweest van een ‘uitruil’ van Vpb vorderingen tegen proceskosten) in het licht van voornoemde andersluidende uitleg onvoldoende onderbouwd. Dat er sprake is geweest van een ‘uitruil’ kan dus niet als onderbouwing dienen voor de stelling dat de opdrachtgever een werkelijke proceskostenvergoeding had kunnen bedingen.
Ook overigens volgt niet uit de feiten dat de opdrachtgever met succes een vergoeding van de werkelijke proceskosten had kunnen bedingen.
5.30.
Bij de vraag of er een impliciete verplichting was om vergoeding van de werkelijke proceskosten te bedingen neemt de rechtbank ook het volgende in aanmerking.
5.31.
De adviseur was aanwezig bij het overleg van 10 februari 2023, naar aanleiding van welk overleg uiteindelijk is geschikt. Als het een impliciete verplichting was van de opdrachtgever om tijdens de onderhandelingen met de Belastingdienst aan te sturen op vergoeding van de werkelijke proceskosten, had de adviseur naar het oordeel van de rechtbank de opdrachtgever daar op moeten wijzen. Dat dit is gedaan, is niet gebleken. De adviseur heeft dit in ieder geval niet voorafgaand aan het overleg van 10 februari 2023 gedaan – dat is niet gesteld. Tijdens het overleg van 10 februari 2023 hebben de adviseur en de opdrachtgever zich op een gegeven moment samen teruggetrokken om een op tafel liggend voorstel te bespreken. In de dagvaarding schrijft de adviseur dat hij tijdens dit nadere overleg de opdrachtgever heeft gewezen op
“de afspraken die partijen in de VSO hadden gemaakt over het honorarium van[de adviseur]
. Als dit inderdaad is gedaan (hetgeen is betwist), betekent dat echter nog niet dat is gewezen op de noodzaak om vergoeding van de werkelijke proceskosten te bedingen. Het wijzen op interne afspraken is iets anders dan het aangeven dat vergoeding van de werkelijke proceskosten moet worden bedongen. Voor zover de adviseur heeft bedoeld te betogen dat hij tijdens dit nadere overleg heeft gewezen op de noodzaak om de werkelijke proceskosten te bedingen, is dit betwist en heeft de adviseur zijn standpunt onvoldoende concreet onderbouwd. Verder neemt de rechtbank in aanmerking (1) dat de adviseur verder in de procedure dit standpunt niet herhaalt (in de uitgebreide pleitaantekeningen wordt dit in het midden gelaten) en (2) dat de adviseur tegenstrijdige standpunten inneemt over hoe het is gekomen dat de vergoeding van de werkelijke proceskosten niet is meegenomen in de schikking met de Belastingdienst (in randnummer 50 en 51 dagvaarding betoogt de adviseur dat de opdrachtgever de werkelijke proceskosten zonder overleg ‘weggaf’, terwijl hij in randnummer 34 dagvaarding betoogt dat er overleg heeft plaatsgevonden over het voorstel van de Belastingdienst, inclusief het weggegeven van de vergoeding voor de proceskosten). Kortom: de adviseur heeft geen duidelijke feiten beschreven waaruit blijkt dat hij de opdrachtgever heeft gewaarschuwd dat deze ook op vergoeding van de werkelijke proceskosten moest aansturen.
5.32.
De conclusie is dat uit de feiten niet volgt dat de opdrachtgever had moeten begrijpen dat hij een verplichting had om vergoeding van de werkelijke proceskosten te bedingen. Dat heeft de adviseur onvoldoende onderbouwd. Van een onrechtmatige daad is evenmin sprake.
5.33.
Partijen hebben overigens ter zitting nog gedebatteerd over de vraag of de opdrachtgever überhaupt met de Belastingdienst is overeengekomen dat hij afstand heeft gedaan van zijn recht op (proces)kostenvergoeding. Of dit juist is, is echter niet relevant voor de vordering. Zoals hiervoor is weergegeven, is de rechtbank van oordeel dat zelfs als de opdrachtgever met de Belastingdienst heeft afgesproken dat hij afstand doet van zijn recht op (proces)kostenvergoeding, de vorderingen van de adviseur moeten worden afgewezen.
De proceskosten
5.34.
De adviseur is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
5.35.
De proceskosten van de opdrachtgever worden begroot op:
- griffierecht
2.889,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.495,00
5.36.
De opdrachtgever heeft gevorderd de adviseur te veroordelen in de werkelijke proceskosten, maar daar ziet de rechtbank geen aanleiding toe. Voor een vergoeding van de werkelijke kosten kan aanleiding zijn ingeval van misbruik van procesrecht, maar daarvan is niet gebleken. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om het dubbele liquidatietarief te hanteren.
5.37.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van de adviseur af,
6.2.
veroordeelt de adviseur in de proceskosten van € 5.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de adviseur niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt de adviseur tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.F.M.T. Franke en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Voetnoten

1.Partij bij de vso is Crowe Foederer BV en niet Crowe Foederer Holding BV (eiseres). In navolging van beide partijen gaat de rechtbank ervan uit dat dit een verschrijving betreft en dat de vso is aangegaan door eiseres.