Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:929

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
25/1325
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:8 AwbArt. 8:57 AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 231 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen aanslag reinigingsrecht buiten wettelijke termijn ingediend

Eiser maakte bezwaar tegen een aanslag reinigingsrecht van €331,26 voor het jaar 2025, opgelegd door de gemeente Eindhoven. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het buiten de wettelijke termijn was ingediend. Eiser stelde dat hij de aanslag pas een week na de dagtekening had ontvangen, waardoor het bezwaar alsnog tijdig zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat de bezwaartermijn begint te lopen vanaf de dag na de dagtekening van de aanslag, conform artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De heffingsambtenaar had aannemelijk gemaakt dat de aanslag op 18 februari 2025 via MijnOverheid was bezorgd, terwijl eiser dit niet met bewijs ondersteunde. Zelfs bij een gunstige lezing van eisers stelling was het bezwaar nog steeds te laat ingediend.

De reden van eiser, het missen van de post, werd door de rechtbank niet als geldige reden voor termijnoverschrijding beschouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg het griffierecht niet terug. De uitspraak werd gedaan door rechter A.F. Vink op 12 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1325

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: M. Sengers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar het door eiser gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Met het aanslagbiljet van 22 februari 2025 is aan eiser voor het tijdvak 2025 een aanslag in het reinigingsrecht opgelegd van € 331,26.
1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 22 mei 2025 heeft de heffingsambtenaar het door eiser gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn [1] om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het door eiser gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor dit oordeel is het volgende van belang.
2.1.
Eiser voert in beroep het volgende aan: “
De gemeente stelt dat mijn bezwaar buiten de wettelijke termijn is ingediend. Ik heb echter de aanslagnietontvangen op of kort na de dagtekening van het aanslagbiljet. Deze is pas ongeveer een week later bij mij bezorgd. Daarmee is mijn bezwaartijdigingediend, gerekend vanaf de datum van daadwerkelijke ontvangst.
De gemeente verwijst slechts naar de dagtekening als start van de bezwaartermijn, maar dat is in strijd met deAlgemene wet bestuursrecht(artikel 6:8), waarin is bepaald dat de termijn begint te lopenvanaf de dag na ontvangst. De gemeente heeft bovendien geen bewijs geleverd van de bezorgdatum. Ik verzoek u derhalve de niet-ontvankelijkverklaring te vernietigen.
2.2.
De heffingsambtenaar vindt dat hij het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aanslag is op 18 februari 2025 aan eiser bezorgd via MijnOverheid. Omdat de dagtekening van de aanslag na die datum is, is de bezwaartermijn gaan lopen met ingang van de dag na die dagtekening (23 februari 2025) en liep die termijn tot en met 7 april 2025. Eiser heeft op 30 april 2025 pas bezwaar gemaakt en was daarom te laat. Als reden voor het te laat maken van bezwaar gaf eiser bij de heffingsambtenaar op dat hij de post had gemist. Dat is volgens de heffingsambtenaar geen geldige reden om te laat bezwaar te maken, zodat dit niet-ontvankelijk is verklaard. Dat eiser in beroep stelt dat hij de aanslag pas een week na de dagtekening heeft ontvangen, kan de heffingsambtenaar niet volgen. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde stukken blijkt dat eiser ervoor heeft gekozen om zijn post van de gemeente Eindhoven via MijnOverheid te ontvangen en dat eiser ook eerder (en toen wel tijdig) heeft gereageerd op een via MijnOverheid aan eiser toegezonden aanslag.
2.3.
De rechtbank overweegt als volgt. De heffingsambtenaar neemt terecht als uitgangspunt dat de bezwaartermijn is aangevangen op de dag na dagtekening van de aanslag. Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. [3] De rechtbank vindt namelijk dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de aanslag op 18 februari 2025 aan eiser heeft bekendgemaakt via MijnOverheid. Dit heeft de heffingsambtenaar gemotiveerd gesteld en met stukken onderbouwd, terwijl eiser daar slechts tegenover stelt dat hij de aanslag ‘ongeveer een week later’ heeft ontvangen. Dit heeft hij op geen enkele manier onderbouwd, bijvoorbeeld door berichtgeving van MijnOverheid te overleggen waaruit dit zou blijken. Overigens, zelfs als van eisers onjuiste lezing van de wet zou moeten worden uitgegaan zou hij ook te laat bezwaar hebben gemaakt. ‘Ongeveer een week’ na 22 februari 2025 – in het voordeel van eiser: anderhalve week later – was het 5 maart 2025. Zes weken nadien was het 16 april 2025. Eiser heeft pas twee weken later (op 30 april 2025) bezwaar gemaakt. De door hem daarvoor in bezwaar opgegeven reden – de post gemist – is geen geldige reden om te laat bezwaar te maken, zoals de heffingsambtenaar terecht in de uitspraak op bezwaar heeft overwogen en wat door eiser terecht in beroep niet ter discussie is gesteld.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.De rechtbank heeft in haar bericht van 20 januari 2026 laten weten dat deze termijn loopt tot en met 3 februari 2026. Met het bericht van 4 februari 2026 heeft de rechtbank laten weten het onderzoek te sluiten. In dat bericht staat ten onrechte dat genoemde termijn vier weken bedroeg.
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Deze bepaling is op grond van artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet ook van toepassing is op de heffing van gemeentelijke belastingen.