ECLI:NL:RBOBR:2026:993
Rechtbank Oost-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens onjuiste tussenbeslissing
In de zaak met nummer C/01/414925/HA ZA 25-280, waarin verzoekers gedaagden zijn, werd een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. E.J.C. Adang, rechter in de rechtbank Oost-Brabant. Het verzoek was gebaseerd op het feit dat de rechter een verzoek tot uitstel voor het indienen van een conclusie van antwoord had afgewezen.
Verzoekers stelden dat de rechter vooringenomen was vanwege deze beslissing, mede omdat zij medische behandelingen hadden ondergaan en vakanties gepland waren. De wrakingskamer heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 Rv Pro en het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant.
De kamer oordeelde dat een (tussen)beslissing van een rechter, ook indien onjuist of onvoldoende gemotiveerd, geen grond voor wraking kan zijn, tenzij er sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Dit was niet het geval. Daarom werd het wrakingsverzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
De beslissing werd op 22 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer, waarbij geen rechtsmiddel openstaat tegen deze beslissing.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid omdat een onjuiste tussenbeslissing geen grond voor wraking vormt.