ECLI:NL:RBOBR:2026:996

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
24/3382
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering

Eiser betwist de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 63,80% en vordert een hogere uitkering op grond van de Wet WIA. De procedure loopt al vijf jaar en betreft steeds dezelfde functionele mogelijkhedenlijst (FML) uit 2022.

De rechtbank benoemt een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die na uitgebreid onderzoek concludeert dat de FML passend is en geen aanvullende beperkingen noodzakelijk zijn. Eiser verzet zich tegen het rapport en verzoekt om een tweede deskundige, maar dit verzoek wordt afgewezen vanwege de overtuigende motivering van de verzekeringsarts.

De arbeidsdeskundige bevestigt dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor eiser, ondanks diens klachten. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende medische onderbouwing levert voor verdere beperkingen en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het UWV mag het arbeidsongeschiktheidspercentage handhaven.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat eiser 63,80% arbeidsongeschikt is en wijst het beroep af.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/3382

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Yilmaz),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. A.P.J. Mijs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 63,80%. Eiser is het hier niet mee eens. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het UWV eisers mate van arbeidsongeschikt juist heeft vastgesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser 63,80% arbeidsongeschikt is. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel kot en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 16 november 2022 heeft het UWV de WGA-uitkering met ingang van 31 januari 2023 omgezet naar een WGA-vervolguitkering. De uitkering is 35% van het minimumloon. Deze uitkering is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 49,27%. Het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het UWV gegrond verklaard met het besluit van 13 augustus 2024 (bestreden besluit). Het UWV heeft aanleiding gezien het arbeidsongeschiktheidspercentage te wijzigen naar 63,80. De uitkering is daarmee 42% van het minimumloon. Ook heeft het UWV een proceskostenvergoeding van € 1.248 toegekend.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiser heeft op 20 februari 2025 een aanvullend beroepschrift ingestuurd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en besloten om verzekeringsarts [naam] te benoemen als deskundige om een onderzoek naar eisers belastbaarheid in stellen. Partijen zijn hier op 4 april 2025 van op de hoogte gesteld. Verzekeringsarts [naam] heeft de rechtbank op 27 augustus 2025 van verslag en advies gediend.
2.5.
Het UWV heeft op 22 september 2025 op het rapport van verzekeringsarts [naam] gereageerd en eiser op 11 november 2025. De rechtbank heeft verzekeringsarts [naam] gevraagd om te reageren op de reactie van eiser. Verzekeringsarts [naam] heeft dat op 28 november 2025 gedaan. De reactie van verzekeringsarts [naam] is door de rechtbank doorgestuurd aan partijen.
2.6.
Beide partijen hebben niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht om ter zitting te worden gehoord, waarna de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb [1] heeft gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunten van partijen
3. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser ondanks zijn beperkingen in staat is een aantal voorbeeldfuncties te verrichten. Het verrichten van deze functies leidt tot een inkomensverlies van 63,80%. Dit is de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op 31 januari 2023. Het UWV komt tot dit percentage op grond van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) en van de arbeidsdeskundige B&B.
3.1.
Eiser is het hier niet mee eens. Hij vindt dat dit percentage hoger ligt en dat hij dus recht heeft op een hogere uitkering. Volgens eiser heeft het UWV onvoldoende rekening gehouden met zijn (lichamelijke en psychische) klachten en zijn beperkingen onderschat. Zo vindt eiser dat er een urenbeperking moet worden aangenomen. Eiser vindt dat hij maximaal 4 uur per dag en 20 uur per week kan werken. De beperking moet worden aangenomen op grond van een verstoorde energiehuishouding die wordt veroorzaakt door zijn klachten en de daaruit voortvloeiende pijnklachten. De aan hem voorgehouden werkzaamheden zijn niet passend omdat hierin meer uren moet worden gewerkt dan 4 uur per dag en 20 uur per week.
Is het bestreden besluit inhoudelijk juist?
4. De rechtbank heeft op de zitting besproken dat eiser in beroep in essentie dezelfde standpunten naar voren heeft gebracht als in de bezwaarfase. Daarop is reeds gereageerd door de verzekeringsarts B&B van het UWV. Eiser komt in beroep ook niet met nieuwe medische informatie. De rechtbank heeft ook benoemd dat eiser inmiddels al vijf jaar aan het procederen is over zijn arbeidsongeschiktheid. De door het UWV opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML) die (ook) in deze procedure ter discussie staat is opgesteld op 29 juni 2022 en ondanks de daarop gevolgde procedures niet gewijzigd. De rechtbank heeft daarop met eiser besproken dat als zij een verzekeringsarts als deskundige benoemt, of het hem zou kunnen helpen om een punt te zetten. Eiser heeft daarop bevestigend geantwoord. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien verzekeringsarts [naam] als onafhankelijke deskundige te benoemen om een onderzoek in stellen naar de voor eiser op de datum in geding, 31 januari 2023, geldende - medische - belastbaarheid.
4.1.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [2] volgt dat als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een door hem ingeschakelde onafhankelijke deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van verzekeringsarts [naam] geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Verzekeringsarts [naam] heeft eiser lichamelijk onderzocht en de beschikbare medische informatie van de behandelaars van eiser kenbaar bij zijn beoordeling en conclusie betrokken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de conclusies van de deskundige uit het rapport van 27 augustus 2025 in twijfel te trekken.
4.2.
Verzekeringsarts [naam] heeft het dossier bestudeerd, inclusief de zich in het dossier bevindende onderzoeksgegevens van de artsen die eiser hebben onderzocht en behandeld. Op 8 juli 2025 heeft een spreekuuronderzoek plaatsgevonden dat 130 minuten duurde. In het rapport van 27 augustus 2025 concludeert verzekeringsarts [naam] dat hij zich kan vinden in de conclusies van de verzekeringsartsen van het UWV en dat de FML van 29 juni 2022 passend is bij de beperkingen zoals die vermoedelijk aanwezig zijn op de datum in geding 31 januari 2023. Er is voor verzekeringsarts [naam] geen aanleiding om aanvullende beperkingen te stellen.
4.3.
Eiser heeft op 22 september 2025 gereageerd op het rapport van 27 augustus 2025 van verzekeringsarts [naam]. Eiser vindt dat meerdere standpunten van de deskundige onvoldoende medisch zijn onderbouwd en onnavolgbaar zijn. Eiser heeft sterk de indruk dat verzekeringsarts [naam] de kwestie met een tunnelvisie heeft beoordeeld en verzoekt de rechtbank een andere verzekeringsarts als deskundige te beoordelen. De rechtbank wijst dit verzoek van eiser af, omdat verzekeringsarts [naam] met zijn reactie van 28 november 2025 voldoende heeft toegelicht dat van de door eiser vermeende gebreken aan het medisch onderzoek geen sprake is.
4.4.
Uit de reacties van eiser en verzekeringsarts [naam] komt naar voren dat het (meer dan twee uur durende) spreekuurcontact niet vlekkeloos is verlopen. Eiser vindt dat dit de schuld van verzekeringsarts [naam] was, omdat die hem bij aanvang van het onderzoek de vraag zou hebben gesteld waarom zijn vingers vies waren; van die vraag was eiser kennelijk niet gediend. Eiser is er kennelijk ook ontstemd over dat verzekeringsarts [naam] vervolgens niet heeft doorgevraagd op het door eiser gegeven antwoord, namelijk dat hij een ketting op zijn fiets had gezet. De rechtbank ziet hierin geen enkele aanleiding om het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden. Zelfs al zou de vraag van verzekeringsarts [naam] niet passend of onhandig zijn – de rechtbank ziet niet in waarom – mag van eiser worden verwacht dat hij dat bespreekbaar maakt of zich over zijn agitatie heen zet. Uit de FML blijkt weliswaar dat eiser beperkt is in het omgaan met conflicten, maar dat ziet dan op agressieve of onredelijke mensen. Eiser heeft niet gesteld en het is ook niet gebleken dat verzekeringsarts [naam] zich agressief of onredelijk zou hebben opgesteld.
4.5.
De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordeling van de lichamelijke en psychische klachten van eiser door de verzekeringsarts [naam] en de beperkingen die daarvoor zijn aangenomen. Er is voor de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat er meer beperkingen noodzakelijk zijn. Voor veel van de door eiser geclaimde (verdergaande) beperkingen is geen medische onderbouwing te vinden.
De geselecteerde functies
5. Uitgaande van de juistheid van de bij eiser vastgestelde beperkingen ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de passendheid van de door de arbeidsdeskundige B&B aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Daar waar een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid is gesignaleerd, heeft de arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd dat de functie geschikt is. De rechtbank ziet geen aanleiding de conclusies van de arbeidsdeskundige B&B voor onjuist te houden. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij de hem voorgehouden functies niet kan verrichten geen medische onderbouwing gegeven. Bovendien gaan de gronden die eiser heeft aangevoerd tegen de arbeidsdeskundige beoordeling uit van de door hem voorgestane, maar door verzekeringsarts [naam] niet aangenomen, verdergaande medische beperkingen. De rechtbank ziet verder dan ook geen aanleiding om een arbeidsdeskundige als deskundige te benoemen, zoals door eiser is verzocht.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op 31 januari 2023 terecht vastgesteld op 63,80%. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1879.